Staren in de spiegel

Vorm en inhoud zijn één. Met dit zinnetje ben ik vroeger doodgegooid en ik knikte er altijd bij omdat het een waarheid is als een koe, maar helemaal gesnapt heb ik het nooit. Bij een vaas gaat het nog wel: je hebt een vaas met een bepaalde vorm en daar kun je dan water in doen. Dat water past natuurlijk precies in die vorm. Al kun je water ook in een anders gevormde vaas doen. Dan past het er ook in. Ook als je wijn in de vaas doet. De inhoud past dus in de vorm. Steeds had ik het gevoel dat ik bij dit soort zinnen in cirkelredeneringen verstrikt raakte. Leefde Wittgenstein nog maar, die zou de cirkelredeneringen haarfijn aantonen. Past de vorm ook in de inhoud? Hier begint bij mij de mist steeds dikker te worden. Het punt is dat je eerst moet weten wat een vorm is als je het over de inhoud wilt hebben. En andersom. Een zin heeft een vorm, maar een zin is pas een zin als je weet wat er staat, dus wat zijn inhoud is. ‘Bsll ki strum’, ik schrijf maar even wat, is geen zin, omdat ik niet weet wat de inhoud is. Maar het is wel een vorm. Gaat daar dan toch een inhoud in? Als ik een boek schrijf met inhoudsloze zinnen (waarom niet!), zijn dan toch vorm en inhoud één? Misschien snap ik het allemaal als ik het maar vaak genoeg voor me uit blijf fluisteren: ‘Vorm en inhoud zijn één’, ‘vorm en inhoud zijn één’, enzovoort.

Sytske van Koeveringe beschrijft in haar debuutroman een pathologisch geval. Haar hoofdpersoon Julia lijdt aan een ernstige depressie, die ze zelf niet als zodanig onderkent, ergens halverwege noemt ze het een ‘burn-out’. In het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5th edition) krijgt de ‘burn-out’ nog opvallend weinig aandacht, de depressie des te meer. Van Koeveringe laat zien dat ze goed thuis is in deze materie. Haar Julia voldoet in vele opzichten aan de depressieve kenmerken die in het Manual uitvoerig worden beschreven. Een gevoel niet te worden gehoord, een gevoel van algehele weerzin over alles, een gevoel steeds bekeken te worden, van vervreemding, van laag zelfvertrouwen, van algehele verdwijning.

Small grootkoeveringe van sytske 2   keke keukelaar  afgekocht
© Keke Keukelaar
Van Koeveringe is stijlvast. Toch liep ik af en toe naar de spiegel om daar rare gezichten naar mezelf te trekken

Fraai en ook geheel in lijn van het Manual staat het ergens aldus: ‘Ik staar naar mezelf in de spiegel. Ik zie bleek. De spiegel beslaat. Ik vervaag van mijn borst naar mijn hals, naar mijn kaken, neus, ogen en mijn haar. Ik ben in mist opgegaan, zoals mevrouw Verzand ook ineens verdween.’ Julia schrijft af en toe brieven aan haar vriendin Marlène en dan staat het er zo: ‘Pure angst om te mislukken. Het zou kunnen Marlène, maar het punt is: ik voel geen angst. Ik ben niet bang. Er is een leegte. Als ik denk aan de toekomst, of nee. Als ik alleen al aan morgen denk dan zie ik een hard geworden zandoppervlakte voor me.’

Verdwijnen en Leegte. Weerzin en Depressie. Deze woorden schreef ik regelmatig in de kantlijn. Alles is Niks, schreef ik er af en toe bij. Denk niet dat ik zin heb om me hier vrolijk over te gaan maken, al bekroop me soms een voorzichtige lachbui bij zoveel medelijden (van de schrijfster met haar personage) en zelfmedelijden (van Julia met zichzelf). Je komt dit thema tegenwoordig vaker tegen in de Nederlandse literatuur en ik buig mijn hoofd uiteraard in deemoed. Ja. Alles is niks. Met Trump al helemaal. Maar gelukkig doen de Minnesota Twins het eindelijk behoorlijk goed in de Amerikaanse honkbalcompetitie, al mag ik daar jammer genoeg voor dit blad geen recensies over schrijven.

Overigens is de opzet van deze roman prima. Julia is schoonmaakster en we krijgen een inkijkje in de huizen en bij de mensen waar ze schoonmaakt en waar ze zich af en toe sterk misdraagt: douchen, spullen ontvreemden, excessief snoepen, op bed liggen te niksen, in kastjes loeren, naakt dansen voor de overbuurman. Ze heeft een relatie achter de rug met ene Kamiel (een grotere eikel heb ik de laatste tijd niet beschreven gezien) en publiceerde bij een kleine uitgeverij een door niemand opgemerkte roman. Klagen maar dus. Dus? Het punt is natuurlijk of de schrijfster erin slaagde in de ‘vorm’ van haar proza, de stijl, de gestiek, de toon, het verlangen, haar ‘inhoud’ te versterken, wie weet zelfs af en toe tegen te spreken, of er een andere ‘vorm’ naast te zetten. Iets wat me ineens wakker deed schrikken uit deze sombere poel van wanhoop. Zijn er zinnen bij die met de schrijfster op de loop gaan? Weinig. Haar zinnen zijn voortdurend depressief, ze tintelen niet, ze zijn ongelukkig, ze ratelen maar door in somberheid.

Ja, vorm en inhoud zijn in deze roman één, ik weet ineens niet zeker of ik dat wel als compliment bedoel. Ze volhardt in de illusie van het depressieve realisme, met sombere en vervreemdende beschrijvingen van dingen en mensen, met neerbuigende meningen en zwartgallige bespiegelingen over van alles. Geen tegenspraak, geen plotselinge uitstulpingen. Wat zeker consequent aansluit bij het beschreven pathologische geval, Van Koeveringe is stijlvast, maar wat mij toch af en toe in de gang naar de spiegel liet lopen om daar eens een paar heel rare gezichten naar mezelf te trekken. Die Julia bleef voor mij een geval, ze ontloopt haar lot niet, en ik ontloop mijn lot uiteraard ook niet. Daar moeten we het mee doen. ‘Lang tuur ik naar het onbewogen gordijn.’