Vissers pleiten voor keurmerk

Staren naar de vis

Staand-wantvisser Rems Cramer wil samen met zijn collega-staand-wantvissers het goedkeuringsstempel van de Marine Stewardship Council voor duurzaam vissen. ‘Dit moet een kleinschalige branche blijven.’

Op de kop van de tweede haven van Scheveningen, tegenover een groepje cafés en restaurants, heeft de tien meter lange kw2 zijn vaste ligplaats. De kisten met de netten, de ankers en al het andere dat op het dek in de weg stond, staan op deze zonnige aprildag op de steiger. De Noordwijker Rems Cramer is zijn boot gereed aan het maken voor het visseizoen dat voor hem over enkele weken begint, als de tong groot genoeg is. De enige vis die vandaag aan boord is, komt van een visser die al wel op zee is geweest.
Cramer vist alleen op tong. De maaswijdte van zijn netten is daarop aangepast. Die netten zet hij kort voordat de nacht valt voor de kust uit op zee, waarna hij terugvaart naar de haven. Als een staand want hangen de netten een paar uur in het water, verzwaard aan de onderkant om ze strak te kunnen trekken en van jonen voorzien om ze zichtbaar te maken voor de overige scheepvaart. Tegen vier uur ’s ochtends vaart de kw2 terug om de netten op te halen en de gevangen vis aan boord te brengen.

Cramer heeft in Nederland een kleine zestig collega’s in de staand-wantvisserij die net als hij op tong vissen. Die groep wil als geheel graag het msc-label, het keurmerk van de Marine Stewardship Council dat visserijbedrijven alleen krijgen als ze duurzaam vissen. De msc is een sinds 1999 onafhankelijke, wereldwijd opererende non-profitorganisatie die drie jaar daarvoor in het leven was geroepen door Unilever en het Wereld Natuur Fonds. Unilever was in 1996 een van de initiatiefnemers, omdat het concern de grootste koper van vis is.

Criteria voor het msc-keurmerk zijn onder meer dat er geen sprake mag zijn van overbevissing en dat er met het totale ecosysteem rekening wordt gehouden. In heel de wereld zijn er op dit moment 26 bedrijven die het msc-label hebben. Daar zit één Nederlands visserijbedrijf bij.

Voor Cramer is er een aantal redenen om het msc-label te willen bemachtigen. ‘Een paar jaar geleden was er veel te doen over de bruinvissen die in onze netten zouden zwemmen. We werden in de pers helemaal platgewalst. Zelf heb ik in de zeven jaar dat ik dit doe geen enkele bruinvis als bijvangst in mijn netten gehad. Nu kunnen wij zelf wel zeggen dat het meevalt met deze vorm van bijvangst, maar dat is dan niet onafhankelijk bepaald. Het is veel beter als onafhankelijk wordt vastgesteld dat wij voldoen aan de eisen die de maatschappij stelt.’

Tweede-Kamerlid Esther Ouwehand van de Partij voor de Dieren zet mede vanwege de bijvangst van bruinvissen vraagtekens bij de staand-wantvisserij. ‘Er spoelen bruinvissen aan op het strand, in stukken en gehavend, omdat ze verstrikt zijn geraakt in netten. De staand-wantvisserij is daarvan een belangrijke oorzaak.’ Volgens Cramer verwarren veel mensen de vismethode van de Nederlandse staand-wantvisserij die de netten op de bodem hangt met die waarbij grootmazige drijfnetten worden gebruikt. Deze methode heeft de bijnaam _walls of death g_ekregen, omdat deze netten door hun grootmazigheid voor bruinvissen moeilijk te detecteren zijn met hun sonar en er ook zeevogels in verstrikt raken, omdat ze aan het wateroppervlak drijven. ‘Op de Noordzee is deze methode daarom verboden’, weet Cramer.

Om er zeker van te zijn dat er geen bruinvissen in hun netten zwemmen, overwegen de staand-wantvissers die netten te voorzien van zogenoemde pingers. Het geluid dat deze pingers maken, moet de bruinvissen waarschuwen voor de aanwezigheid van de netten. ‘Bij Imares, van de Universiteit van Wageningen, doen ze onderzoek naar de effecten van diverse soorten pingers op zeezoogdieren. Ook al hebben wij een te verwaarlozen aantal zeezoogdieren als bijvangst, we willen dat toch voorkomen en dan met pingers die door de msc-keuring komen.’

Kamerlid Ouwehand vindt het goed dat Imares onderzoek doet naar het gebruik van pingers, toch blijft ze voorzichtig. ‘De enorme bijvangsten in de visserij moeten worden teruggedrongen, maar je moet kritisch durven zijn ten aanzien van de oplossingen. We weten niet goed welke effecten geluiden in zee op bijvoorbeeld bruinvissen hebben. Wanneer pingers het kwetsbare zeeleven schaden, mag dat niet het antwoord zijn op de bijvangstproblemen.’

Ook de bijvangst van andere vis dan de eigen doelsoort, in Cramers geval tong, is in de visserij een probleem. Volgens Cramer is zijn vismethode echter heel selectief. ‘Dat komt niet alleen door de maaswijdte van mijn netten, maar ook doordat ik ze ’s nachts heb uitstaan. Tong zwemt ’s nachts, scharren en schollen overdag. Ik vang hooguit wel eens wat scharren.’

Een tweede reden om als groep staand-wantvissers de msc-certificeringsprocedure te willen doorlopen is het milieubewustzijn van de consument. ‘De kritische consument is vaak ook een kapitaalkrachtige consument die voor goede spullen best wat meer wil betalen. Het is voor ons daarom ook commercieel aantrekkelijk dat msc-label te hebben.’ De duurzaamheid van de staand-wantvisserij zit ’m volgens Cramer niet alleen in de zeer geringe bijvangst. ‘Omdat wij geen sleepnetten gebruiken, is er bij onze manier van vissen geen sprake van bodemberoering. Ook gebruiken we daardoor weinig brandstof, want we hoeven geen zware netten achter ons aan te slepen. En ook doordat we dicht bij de kust vissen, is het brandstofverbruik laag.’

Ouwehand van de Partij voor de Dieren vindt het op zichzelf goed dat met behulp van het msc-label de consument bewust wordt gemaakt. ‘Maar je komt er niet door de verantwoordelijkheid voor het milieu en het terugdringen van de overbevissing bij de consument te leggen. Wij willen regie van de overheid. Die is de hoeder van het algemeen maatschappelijke belang.’ Ouwehand heeft als kritiek op het msc-keurmerk dat het geen aandacht heeft voor het dierenwelzijn. ‘Het duurt vaak uren voordat de vissen die in de netten verstrikt zijn geraakt, uiteindelijk zijn gestikt. Er is weinig zicht op wat er precies gebeurt, laat staan dat er regels voor zijn.’

‘De tong die in mijn netten terechtkomt, snijd ik de slagader door’, vertelt Cramer. Ook daar hebben mensen moeite mee, weet hij. ‘Ik zat laatst in een forum met iemand van de vissenbescherming. Toen heb ik gezegd: dieren horen in de natuur of in de pan. Zelf ben ik erg tegen het fenomeen huisdieren. Een papegaai in een kooitje, dat kan voor mij niet. Dat is mijn ethiek. Als een dier in de pan terecht komt, moet het wel zo min mogelijk lijden.’

Cramers derde reden voor het msc-label is om zich als groep staand-wantvissers te kunnen organiseren, zodat ze werk kunnen maken van wat hij noemt het beheren en beheersen. ‘Wij hebben een beheersplan. Als we het label krijgen, zit er een maximum aan het aantal netten, zodat niet de hele kust komt vol te hangen. Onze doelstelling is dat er over zo’n vijftien jaar nog steeds verantwoord gevist kan worden. Daarom willen we dat dit een kleinschalige branche blijft. Het moet niet het bekende investeringsverhaal worden: dat de visser eerst een boot van tien meter heeft en daarna een van twintig, omdat hij dan een beter inkomen heeft. Die schaalvergrotingsspiraal willen we voorkomen.’

Rijk worden doe je volgens Cramer niet in de staand-wantvisserij. ‘Als je hard werkt, kun je hierin een boterham verdienen. Je moet vooral het werk heel mooi vinden.’ Waarop Cramer zo de verhalen van een aantal collega’s kan oplepelen die de zee vaarwel zegden en het op de wal probeerden. Maar de zee bleef trekken en zij varen nu weer. Sommigen hebben er een tweede hypotheek op hun huis voor moeten nemen. ‘Je hebt toch al gauw één tot twee ton aan investeringskosten: je boot, de netten, het equipment, zoals de radar, en je basisquantum aan vis.’ Ook de certificeringsprocedure voor het msc-label kost geld, 35.000 tot 50.000 euro. Cramer zou graag zien dat hij en zijn collega’s daar subsidie voor krijgen van de overheid. ‘Dat is niet alleen omdat het voor sommigen toch een heel bedrag is, maar ook omdat dat een stimulans zou zijn voor die vissers die er nog wantrouwend tegenover staan. De huidige overheid praat veel over zelfregulering. Nou, wij doen het zelf en helemaal volgens ’t boekje. Dan ben ik benieuwd of diezelfde overheid wel de knip wil trekken.’

In maart kreeg visserijbioloog Daniel Pauly aan de Universiteit van Wageningen een eredoctoraat. Volgens de Frans-Canadees is in de wereld sprake van overbevissing en dreigen binnenkort alleen nog kwallen en plankton in zee te drijven. In een interview in de NRC zei Pauly dat ‘we aan de rand van de afgrond staan’. Hij pleitte voor het stopzetten van visserijsubsidies en het weer gaan vissen met lijnen, oftewel het traditionele hengelen. In datzelfde interview sprak Pauly zijn vertrouwen uit in het msc-label. Grootste probleem is volgens hem het geringe aantal bedrijven dat tot nu toe dat keurmerk heeft.

Met het oog op de recente voedselrellen, als gevolg van schaarste en stijgende prijzen, vindt Kamerlid Ouwehand dat de mens eens goed moet nadenken of hij nog wel zoveel vlees en vis wil blijven eten. ‘Dat opperen is een enorm taboe. Maar de lekkere trek van het Westen legt een enorm beslag op de wereldvoedselvoorraad. De consumptie van dierlijke producten vereist de productie van veel gewassen. Daar komt nu een nieuw probleem bij, de vraag naar biobrandstoffen vanwege onze honger naar energie. Het lijkt nu in de wereld te gaan over de vraag: produceren we gewassen voor de mond of voor de motor. Maar het moet natuurlijk gaan over de vraag voor wélke mond we produceren.’

Cramer kent de noodklokken: ‘Ik maak me ook zorgen over de opwarming van de aarde. Ik denk dat daaraan iets moet gebeuren, maar hoe grijp je in? Het zou wel heel rigoureus zijn om te zeggen dat de hele visserijbedrijfstak dan maar op de helling moet. Dat is hetzelfde als zeggen dat iedereen vanwege de opwarming van de aarde zijn auto moet laten staan. Maar dan kan onze maatschappij niet meer functioneren.’

Behalve het msc-label hebben Cramer en zijn veertien collega’s in de Scheveningse haven nóg een wens. ‘Ons ideaal is een plek in de haven met vlak bij waar wij afmeren kraampjes waar onze vis wordt verkocht. In het buitenland trekken havens waar allerlei activiteiten zijn, met vissersboten en viskramen, altijd veel toeristen. We denken dat niet alleen wij maar ook Scheveningen daar voordeel bij heeft.’

Als Cramer even later op de steiger in een pan met olie de vis staat te bakken die hij ’s morgens van een collega had gekregen, bewijst hij zijn gelijk. Op de kade, een paar meter hoger, staren mensen minutenlang naar de vis in zijn pan.