Hannah Arendt: De ideale buitenstaander

Stateloos en rechteloos

Het denken van Hannah Arendt, gevormd door een leven op drift, helpt om het lot van de vluchteling te begrijpen. Ze wordt als ‘dode’ filosoof dan ook dit jaar geëerd door de stichting Internationale Spinozaprijs.

Medium gettyimages 114341545

In 1943, twee jaar nadat ze was gevlucht naar de Verenigde Staten, schreef Hannah Arendt het korte, pakkende essay We Refugees waarin ze de pijnlijke ervaring van het migrantenbestaan vatte: de afhankelijkheid van andermans goede wil, de strijd om de juiste papieren te bemachtigen, het verbeten aanpassen aan een nieuwe samenleving. Meteen in de eerste alinea rekende ze af met haar gekozen titel. ‘Om te beginnen’, schreef ze, ‘wij houden er niet van om “vluchtelingen” genoemd te worden. Wijzelf noemen elkaar “nieuwkomers” of “immigranten”.’ Arendt zag geen reden om de duizenden zielen die aan vervolging door de nazi’s ontsnapten door naar Amerika te gaan onder één noemer te scharen. ‘Voorzover ik weet bestaat er geen club van mensen die door Hitler vervolgd werden waarvan de naam duidelijk maakt dat de leden vluchtelingen zijn.’

Toen het joodse tijdschrift Menorah haar essay accepteerde, wees weinig erop dat Johanna Arendt, geboren in 1906 in een joods middenklassegezin, afkomstig uit wat nu Hannover is, een podiumplaats in de geschiedenis van de filosofie zou krijgen. In 1943 was Arendt berooid en op zoek naar houvast in een samenleving waar ze opnieuw iemand moest worden. Ze deelde haar lot met de jonge Duitser die ze beschrijft in We Refugees en die uitroept: ‘U weet niet tegen wie u spreekt. Ik was hoofd van een afdeling in Karstadt.’

Arendt geeft geen verdere details, maar het is onwaarschijnlijk dat de ambtenaar of werkgever die de gefrustreerde man moest aanhoren enig idee had dat Karstadt een voornaam Kaufhaus was, opgericht in 1881, waar de Duitse burgerij inkopen deed. Arendt zet het er tussen haakjes bij. ‘Karstadt [een groot warenhuis in Berlijn].’ Dit tekent het lot van de migrant: het doet er niet toe wie je ooit was, je nieuwe identiteit ontleen je aan het feit dat je nieuwkomer bent.

Voor Hannah Arendt begon de exodus in 1933. Op 30 januari van dat jaar werd Hitler door president Hindenburg tot Rijkskanselier benoemd. Op 27 februari werd de brand in de Rijksdag aangegrepen door de nationaal-socialisten om politieke tegenstanders te arresteren. Op 12 maart werd de vlag van de Duitse republiek gestreken en hing het hakenkruis voortaan aan de vlaggenstok. Drie dagen later riep Hitler het Derde Rijk uit en op 20 maart maakte de machtigingswet Hitler alleenheerser van Duitsland. Twee dagen daarna ging Dachau, het eerste Duitse concentratiekamp, open.

Hannah Arendt was op dat moment 27 jaar, getrouwd, en intellectueel gevormd in de traditie van de door en door theoretische filosofie zoals die werd onderwezen aan de universiteiten van Marburg (waar ze werd begeleid door Martin Heidegger, met wie ze een affaire had) en Königsberg (waar ze promoveerde op hoe Augustinus over de liefde dacht). 1933, zo blikte Arendt later terug, was het jaar dat haar politieke denken begon. ‘Ik werd vooral in beslag genomen door academische bezigheden’, citeert Elisabeth Young-Bruehl de filosofe in haar bekroonde biografie Hannah Arendt: For Love of the World. ‘Daarom maakte dat jaar een blijvende indruk op me – zowel in positieve als in negatieve zin.’

Voor de 21ste-eeuwse beschouwer is de duizelingwekkend snelle ontmanteling van de parlementaire democratie in Duitsland een vooruitwijzing naar de jodenvervolging en de Tweede Wereldoorlog. Arendt kon op dat moment niet weten hoe donker de tijden zouden worden, maar het was reden voor haar en haar familie om Duitsland te ontvluchten. Het betekende voor Arendt een vaarwel tegen het Duitse studeerkamerbestaan waarmee ze verwachtte carrière te maken. Ze bleef uiteraard schrijven, maar het uitpluizen van de geschiedenis van het denken die begon bij Socrates en eindigde bij Nietzsche raakte als bezigheid besmet door de Duitse intellectuelen, zoals mentor en minnaar Martin Heidegger, die in de pas liepen met het fascisme. In háár denkend leven zou Hannah Arendt de canon van dode denkers inzetten om licht te werpen op het hier en nu van haar tijd, zoals ze deed in The Origins of Totalitarianism, waarin ze een verklaring bood voor de aantrekkingskracht van fascisme en communisme, of in On Revolution, over de politieke cultuur van haar nieuwe vaderland Amerika.

Jonge filosofiestudentes zijn vaak dol op Arendt. Ze is een ideaal rol­model: eigenwijs, kosmopolitisch, ­beroemd

Hannah Arendt arriveerde in het najaar van 1933 in Parijs, waar ze werd opgenomen in een kring van gevluchte Duitsers die zich mengde met de Franse intelligentsia. Walter Benjamin werd haar vriend, met Sartre kon ze minder goed opschieten. Welkom waren ze niet, de verdreven Duitsers, met hun geïmproviseerde woonsituaties en zoektocht naar werk. ‘A bas les métèques’, weg met de vreemdelingen, was de slogan waarmee de Fransen hun ongenoegen uitten. Arendt, geschoold in de klassieke filosofie, moet meteen begrepen hebben wat daarmee bedoeld werd. Het woord ‘métèques’ heeft zijn oorsprong in het oude Athene, als aanduiding voor inwoners die uit een andere stad kwamen, en daarom geen burgerrechten hadden.

De wankele positie van de joodse migranten werd bewezen toen Hitler Frankrijk binnenviel en de Franse regering hen dwong zich te melden voor opsluiting in kampen, uit angst voor ‘vijandige vreemdelingen’. Hannah Arendt kwam terecht in Gurs, een kamp in Zuidwest-Frankrijk. Ze kon ontsnappen in de chaos die ontstond nadat de Fransen hadden gecapituleerd. Het eerste oorlogsjaar trok zij samen met Heinrich Blücher, haar tweede man met wie ze begin 1940 in Parijs getrouwd was, door Frankrijk dat onder het Vichy-regime nauwelijks meer veiligheid bood dan Hitler-Duitsland.

Arendt en Blücher wisten uiteindelijk via Lissabon de Verenigde Staten te bereiken. Walter Benjamin ondernam eenzelfde poging. Die mislukte en de filosoof pleegde zelfmoord om uit handen van de nazi’s te blijven. De gevangenen die in Gurs waren achtergebleven werden later afgevoerd naar Auschwitz. In mei 1941 zette Hannah Arendt voet aan wal in New York, met 25 dollar op zak.

We Refugees is de neerslag van de bijna tien jaar dat Arendt stateloos en rechteloos door Europa had gezworven. ‘Blijkbaar wil niemand weten dat de hedendaagse geschiedenis een nieuw soort mens heeft gecreëerd’, schreef ze. ‘Het soort dat in concentratiekampen wordt gestopt door zijn vijanden en in detentiekampen wordt opgesloten door zijn vrienden.’

Voor de hedendaagse lezer spreekt Hannah Arendt tot de verbeelding. Als dwarse geest die een rel veroorzaakte met haar conclusie dat Adolf Eichmann de banaliteit van het kwaad belichaamde. Als persoon, zoals ze werd afgeschilderd in Hannah Arendt, de biografische film uit 2012: middelpunt van de intellectuele beau monde in New York, een sigaret permanent tussen haar vingers geklemd. Als vrouw in een mannenwereld, die als eerste van haar geslacht hoogleraar werd op Princeton. Niet voor niets zijn jonge vrouwelijke filosofiestudenten vaak dol op Arendt. Ze is een ideaal rolmodel: eigenwijs, kosmopolitisch, wereldberoemd. En sinds een aantal jaren is er groeiende belangstelling voor Hannah Arendt als migrant en als denker over vluchtelingen.

‘Halverwege de twintigste eeuw deed Arendt een drietal observaties die nog altijd actueel zijn’, vertelt Nanda Oudejans, rechtsfilosofe aan de Universiteit van Tilburg. ‘De vluchteling is ongewenst, de wereld heeft de vluchteling enkel het kamp te bieden en de vluchteling heeft rechten nodig die hem beschermen tegen de willekeur van staten.’ Oudejans promoveerde in 2011 op een verhandeling over het asielvraagstuk waarin ze aan de hand van Hannah Arendt laat zien dat het leven van de asielzoeker wordt bepaald door een politieke gemeenschap waar hijzelf geen deel van mag uitmaken. In haar proefschrift is een belangrijke rol weggelegd voor wat Arendt in The Origins of Totalitarianism ‘het recht om rechten te hebben’ noemde. Dat recht moet in de praktijk verleend worden door anderen, ‘en dat betekent dat de asielzoeker altijd het onderspit delft’, zegt Oudejans. ‘Hij kan niet meebeslissen aan wie dat recht te verlenen.’

‘De hekken rondom een vluchtelingenkamp openen niet de ruimte waar vrijheid en rechten heersen’

Met Arendt als leidraad schreef Oudejans in het februarinummer van Socialisme Democratie een kritische bespreking van het ‘plan Samsom’ om asielaanvragen aan de grens van Europa te weigeren, bootvluchtelingen direct terug te sturen naar ‘de regio’ en een vastgesteld quotum asielzoekers uit Turkije naar Europa over te vliegen. Volgens Oudejans is het voor een ‘progressief en realistisch antwoord op de vluchtelingencrisis’ niet voldoende om vluchtelingen enkel veilig te stellen.

‘De vluchteling wordt tot zorg van de internationale gemeenschap, niet omdat hij slachtoffer is van oorlog, geweld of vervolging – een lot dat hij immers deelt met de achterblijvers – maar omdat hij zonder bescherming is’, schrijft ze. Vluchten betekent weggaan uit een juridische orde die rechten kan bieden. En wie niet wordt opgenomen in een nieuwe politieke gemeenschap ‘verliest niet alleen de bescherming van zijn staat, maar ook en vooral een eigen plek die gewaarborgd is en waar hij thuis is’.

Daarom is het vluchtelingenkamp, waar mensen ondanks de suggestie van tijdelijkheid vaak jarenlang verblijven, onmenselijk. Niet omdat een tent weinig privacy biedt of het voedsel onder de maat is, maar omdat het leven in een kamp verstoken is van de vooruitzichten die het leven daarbuiten wél met zich meebrengt. Verwijzend naar Arendt komt Oudejans tot de conclusie dat het plan om mee te betalen aan opvang in Libanon en Turkije als alternatief voor opvang hier berust op een valse tegenstelling. ‘Investeren in regionale opvang mag nooit ten koste gaan van het bieden van asiel in Europa, omdat de hekken rondom een vluchtelingenkamp niet de ruimte openen waar vrijheid en rechten heersen’, schrijft zij.

Toch wil dat niet zeggen dat het werk van Arendt een pleidooi bevat voor open grenzen, benadrukt Oudejans. Arendt had haar leven te danken aan het overgaan van een grens, maar vond tegelijkertijd dat grenzen een noodzakelijke voorwaarde zijn voor vrijheid. Grenzen bakenen een gemeenschap af waarbinnen het individu als burger rechten heeft. Binnen die grenzen kunnen mensen doen wat ze tot mens maakt: werken, een gezin stichten, doelen verwezenlijken. Vallen die grenzen weg, dan wordt het een warboel. Niet omdat een ‘tsunami’ van migranten dan het land overspoelt, maar omdat burgers zich niet langer geborgen weten.

‘Arendt was doordrongen van de botsing tussen het recht van de vluchteling om te worden opgenomen in een gemeenschap enerzijds en de onvermijdelijkheid van uitsluiting door het trekken van grenzen anderzijds’, zegt Oudejans. ‘Het gaat erom prudent om te springen met de macht je grens te bewaken, juist omdat de vluchteling machteloos is ten aanzien van zijn eigen insluiting. Die macht volledig uitoefenen zag Arendt als de dreiging van het totalitarisme waar ze zich tegen verzette.’

Nu bevat de enorme hoeveelheid boeken, brieven, essays en artikelen die de filosofe schreef (Arendt zei ooit dat de snelheid waarmee ze kon typen de enige begrenzing van haar productiviteit was) geen eenduidig programma. Haar denken werd gevormd in reactie op de grote gebeurtenissen van haar tijd. Oudejans moest Arendt de migratiedenker bijeen puzzelen. Dat geldt ook voor Ayten Gündoglu, politiek wetenschapper aan Columbia University. Vorig jaar verscheen haar boek Rightlessness in an Age of Rights: Hannah Arendt and the Contemporary Struggles of Migrants, waarin ze laat zien dat er voortdurend lippendienst wordt bewezen aan het belang van mensenrechten, maar dat in de praktijk veel vluchtelingen verstoken zijn van de bescherming die ze volgens talloze verdragen zouden mogen genieten. Die ‘perplexiteit’ kunnen we begrijpen aan de hand van Arendt, aldus Gündoglu.

Arendt vond dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, uit 1948, gespeend was van realisme

Arendt had al vroeg door dat de migrant niet aan zijn schaduwbestaan zou kunnen ontsnappen dankzij een verzameling internationale politieke afspraken die altijd en overal moeten gelden, legt Gündoglu uit. Arendt vond dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, uit 1948, werd opgesteld met ‘de beste humanitaire bedoelingen’ maar gespeend was van realisme. In al haar werk verzette Arendt zich tegen het depolitiseren van kwesties die de mensheid als geheel aangaan. Hoewel Arendt enkel het opwarmrondje van het mensenrechtendiscours meemaakte en nooit een systematische kritiek over dit onderwerp schreef, betoogt Gündoglu dat voor Arendt hier de pijn zat. Het probleem van een universele plicht om rechten te verschaffen is nu juist dat die plicht op iedereen rust en daarmee op geen enkel land in het bijzonder. De migrant is hiervan de dupe. Zonder een natiestaat die hem opneemt is er geen concrete plek waar hij aanspraak kan maken op zijn recht om rechten te hebben. In Rightlessness in an Age of Rights velt Gündoglu daarom een scherp oordeel over de mensenrechtenverdragen die dienen ter bescherming van de stateloze, de vluchteling, de asielzoeker, de economische migrant en, niet onbelangrijk, de genaturaliseerde burger die wordt gedreigd met het ontnemen van zijn nationaliteit: ‘Wanneer iemand is gereduceerd tot niets dan een mens, ontdaan van alle sociale en politieke attributen, precies dan is het moeilijk om aanspraak te maken op de rechten waarop men recht zou moeten hebben, bij gratie van als mens geboren zijn.’

Ook het dagelijks leven van de vluchteling laat zich volgens Gündoglu beter begrijpen aan de hand van Arendt. Ze haalt er The Human Condition bij, waarin Arendt schrijft over werk als een onmisbaar ingrediënt voor een volwaardig bestaan. Volgens Arendt zijn er drie fundamentele menselijke bezigheden (die, zo merkt Gündoglu op, migranten vaak niet mogen uitvoeren): arbeid (om in je dagelijks onderhoud te voorzien), werk (dat iets blijvends toevoegt aan de wereld) en politiek handelen. Werken wordt vaak gezien als iets dat onder aan de hiërarchie staat, maar volgens Gündoglu is het van levensbelang, en niet alleen omdat het brood op de plank brengt. Werk geeft structuur en betekenis aan het leven. Op die manier werpt Arendt de vraag op hoe wenselijk het is om vluchtelingen geen werkvergunning te geven.

En wie verstoken blijft van het houvast dat arbeid biedt, zal eerder ongewenst gedrag vertonen. Ook dat had Arendt door. ‘Morele standaarden zijn een stuk makkelijker vol te houden binnen de structuur van een samenleving’, schrijft ze in We Refugees. ‘Er zijn maar weinig individuen die de kracht hebben om hun eigen integriteit te bewaren als hun sociale, politieke en juridische status volledig in de war is gegooid.’

Arendt vond de migrant niet zielig, geen wezen dat om medelijden vraagt, maar een mens die, net als iedereen, kan worden aangesproken op zijn eigen verantwoordelijkheid. Maar daar hoort dan wel de mogelijkheid bij om ook iets dat eigen leven te maken.

Zelf kreeg Arendt die kans uiteindelijk in 1951. Ze werd Amerikaans staatsburger in hetzelfde jaar dat The Origins of Totalitarianism, het boek waarmee ze naam maakte, van de persen rolde. Het boek viel direct op. Hier meldde zich een jonge vrouw, gevlucht uit Duitsland, die met een curieuze hantering van het Engels de gedurfde stelling deed dat communisme en fascisme, hoewel elkaars vijanden, een gedeelde oorsprong hadden. Ze was de ideale buitenstaander om die boodschap te brengen: tien jaar Verenigde Staten boden haar genoeg afstand van Europa om de verwoestingen daar te beschouwen. Tegelijkertijd was ze zelf aan de vernietiging ontkomen. Ze kon een Amerikaans publiek toespreken als iemand die aan den lijve had ondervonden wat er gebeurde toen Europa zichzelf in de afgrond stortte.

De totalitaire ideologieën, concludeerde Arendt, waren uitingen van een ‘tribaal nationalisme’ dat de massa kon opzwepen en de intellectueel wist te verleiden, omdat het iets bood dat verloren was gegaan in het begin van de twintigste eeuw: stabiele natiestaten met een sociale structuur waarin iedereen zijn plek had en iedereen zich kon herkennen. Wat de totalitaire ideologieën daarvoor in de plaats stelden was een politieke orde, maar wel een die was gebaseerd op uitsluiting, en uiteindelijk vernietiging, van de ander. Totalitarisme werd de vloek van de twintigste eeuw, ‘only because it so terrifyingly took care of its problems’, schreef Arendt.

The Origins of Totalitarianism (Arendt was eraan begonnen in 1945, kort nadat Hitler verslagen was) kwam precies op het juiste moment. Terwijl samenlevingen aan beide kanten van de Atlantische Oceaan worstelden om de recente geschiedenis te begrijpen, bood Arendt intellectueel grip op de verschrikkingen. Wat ze in We Refugees in miniatuur had laten zien, werd hier inzet van een boodschap die haar eigen tijd overstijgt: het uiteenvallen van de politieke orde ontneemt mensen ‘een plaats in de wereld die hun meningen belangrijk en hun handelingen betekenisvol maakt’. Het is dan aan anderen om die plaats alsnog te bieden.


Beeld: Hannah Arendt, 1944 (Fred Stein Archive / Archive Photos / Getty Image)