Armoede in Duitsland

‘Statiegeld hoort naast de vuilnisbak’

Duitsland is de economische grootmacht van Europa maar heeft een groeiend armoedeprobleem. Tussen het strenge uitkeringsbeleid, onzekere mini-jobs, stijgende huren en magere pensioenen scharrelen ‘Pfandsammler’ hun eigen kostje bij elkaar.

Berlijn. Schuilt achter de acceptatie van het leger van flessen­opruimers niet ook een acceptatie van de uitzichtloze armoede van veel Duitsers?

Consternatie alom in de REWE supermarkt bij metrostation Kottbuser Tor in Berlijn. Het is 2 mei, de ochtend na de Dag van de Arbeid, een feestdag die in Duitsland vergelijkbaar is met onze Koningsdag. Schoonmakers waren al vroeg in de weer om plastic bekers, döner-resten en kapot glas van de straten te vegen. Maar één groep Berlijners moet deze ochtend de inspanningen van de dag ervoor verzilveren: de Pfandsammler, mensen die lege flessen en blikjes met statiegeld (‘Pfand’) verzamelen als bijverdienste. Voor wie weinig of geen inkomsten, een klein pensioen of een uitkering heeft, ligt het geld zo letterlijk voor het oprapen. Bovendien verschijnt het geld niet op je bankrekening; handig voor wie in de bijstand zit en tachtig procent moet terugbetalen van elke euro die hij of zij boven de honderd euro bijverdient.

Die ochtend loop ik met een Afrikaanse man mee langs de groente, het fruit en de drankafdeling naar de flesseninleverautomaat. Duits of Engels spreekt hij nauwelijks. Eén voor één schuift hij de flessen erin. Berliner Kindl, Becks, Augustiner Helles. Bij elke nieuwe fles bliept de machine: 8 cent, 16 cent, 24 cent. Tot het systeem begint te haperen. Zo snel als de flessen er zo even nog in gingen, komen ze er nu weer uit. Zenuwachtig duwt de man de flessen terug, haalt ze er weer uit, duwt ze er weer in. Onder de machine vormt zich een plas van restjes bier.

Om de hoek, de winkel in, wordt de rij steeds langer. Een kleine Noord-Afrikaanse man met een kaal hoofd schuift aan, dan een Turkse man met een dikke borstelsnor, een vrouw met een hoofddoek die ik eerder die ochtend al met een bonnetje naar de kassa zag lopen, twee meisjes die een feest hebben gegeven. De Afrikaanse man blijft het proberen. Bodem eerst, flessenhals eerst, restje bier eruit. Geweigerde flessen gooit hij geërgerd de vuilnisbak in. Als hij even later verslagen op de rode knop drukt, bliept de eindafrekening op het scherm: één euro zestig.

Pfandsammlen is zo Duits als drinken in het openbaar Berlijns is. Zodra de zon schijnt lopen de parken en brede stoepen van de hoofdstad vol en neemt iedereen zijn of haar eigen drank mee. Is de fles leeg, dan zet je die netjes naast de vuilnisbak, zodat de Pfandsammler van dienst niet met zijn of haar arm tussen het vuil hoeft. Op sommige flesjes fris staat het zelfs vermeld: ‘Pfand gehört daneben’, met een kleurrijk tekeningetje van een vuilnisbak met twee flessen ernaast – statiegeld hoort naast de afvalbak. De Berlijnse vuilophaaldienst bevestigde aan sommige vuilnisbakken een speciaal flessenrekje, zodat de Pfandsammler hun werk kunnen doen. De enige die klagen zijn zo nu en dan de supermarkten, die de constante stroom flessen soms nauwelijks aankunnen.

In een land waar de laatste maanden stevig gedebatteerd is over het harde bijstandsbeleid, de soms karige pensioenen, de uitzichtloze minibaantjes en de snel stijgende huren, lijkt het Duitse statiegeldsysteem een effectieve en pijnloze manier om mensen aan de onderkant van de samenleving een extraatje te gunnen. Duitsers kunnen met trots over de effectiviteit van dit systeem vertellen; in parken lopen ze zelfs met hun flessen op de Pfandsammler af. En aan buitenstaanders wordt het uitgelegd als een soort geïnternaliseerde liefdadigheid.

En toch wringt het. Want schuilt achter deze algemene acceptatie van het leger van flessenopruimers niet ook een gelaten acceptatie van de uitzichtloze armoede die veel Duitsers dwingt om de eindjes met afval aan elkaar te knopen?

Daar, in de almaar groeiende rij bij de REWE supermarkt, steekt de Poolse Mariusz een harde, eeltige hand naar me uit. Hij lacht breed en tandenloos. ‘Zelf getrokken’, zegt hij in gebrekkig Duits, wijzend naar de fietsenstalling in zijn mond. ‘Hij nam wodka tegen de pijn’, vult zijn 59-jarige vriendin Marion aan. Ze kijkt er moeilijk bij. Mariusz mag eruitzien alsof hij ver in de zestig is, in werkelijkheid blijkt hij 46. Jarenlang leefde hij op straat, nadat hij baantjes op Duitse bouwplaatsen en kermissen had gehad. Hij komt soms onverwacht uit de hoek, met wijsheden die hij met glinsterende ogen verkondigt, maar waarvan de relevantie onduidelijk blijft.

‘Twee jaar geleden krabden we nog oude peuken van de stoep.’ Het was dus wel eens erger

De rij voor de haperende automaat loopt inmiddels een heel stuk de winkel in, en met elke fles die de machine uitspuwt neemt het chagrijn toe. De vrouw met de hoofddoek die die ochtend al in de winkel was, heeft een kratje van de drankafdeling op z’n kant gezet en is er bij gaan zitten. Waar kunnen we naartoe, vraagt iemand hardop. Edeka neemt ook flessen in, suggereert een ander. Gezucht, gesteun. ‘Standing on the shoulders of giants’, zegt Mariusz plechtig.

Als de Sammler in de supermarkt er definitief de brui aan geven, nodig ik het tweetal uit voor koffie bij een café vanwaar je uit de hoogte op de rotonde neerkijkt. Zij drinkt koffie met melk, hij een Jägermeister. Ze ontmoetten elkaar drie jaar geleden in een Chinees eettentje bij Hermannplatz in stadsdeel Neukölln, zegt Marion. Binnen twee weken liet ze een tatoeage zetten om die blijde gebeurtenis te vereeuwigen. Op haar onderarm prijken hun beider namen, de zijne in Cyrillisch schrift, een hart en de datum van hun ontmoeting. Mariusz stroopt zijn spijkerbroek tot op zijn knie op om de zijne te laten zien. Ook een hartje.

Marion draagt een wijd zwart shirt, daaronder een forse buik. ‘Op mijn 43ste haalde ik de zwarte band tae kwondo’ – en wat ironisch: ‘Toen woog ik twintig kilo minder. In mijn hoofd kan ik het nog steeds.’ Ze studeerde belastingadministratie en was dertig jaar werkzaam als administratief medewerker. Zes jaar slecht huwelijk en een ongewenste zwangerschap maakten daaraan een einde. Ze ging drinken, nam ‘medicamenten’ – wat dat precies zijn, laat ze in het midden. De huur betaalde ze niet meer, de schulden stapelden zich op. ‘Toen ik nog geld had, was ik het ook altijd meteen kwijt. Ik kocht er kleding van, eten, ik gaf alles meteen uit.’

‘Twee jaar geleden krabden we nog oude peuken van de stoep’, zegt Marion, met een sjekkie in het zonnetje. Ze wil maar zeggen: het was wel eens erger. In diezelfde periode belandde hij met tuberculose in het ziekenhuis. Van de ooit 66 kilo Mariusz waren er op het dieptepunt nog 41 over. En nog is hij met een kilo of 55 niet terug op zijn oude gewicht. Samen wonen ze nu in een éénkamerappartement in Kreuzberg. Een bewindspersoon helpt met de schulden, ze leven van haar vroegpensioen. Als de 572 euro huur betaald is, houden ze samen zeventig euro in de week over. Tel daar een euro of tien aan Pfand bij op. Vooral Mariusz raapt, vaak ’s nachts. Als ze haar koffie en twee sjekkies op heeft, is het tijd om te gaan. De inhoud van het glaasje water dat bij de koffie kwam gooit hij over de balustrade, op een boom. ‘Water of life.’

Toen de sociaal-democraat Martin Schulz het vorig jaar in de verkiezingen tegen Angela Merkel opnam, probeerde hij sociale onzekerheid het belangrijkste verkiezingsthema te maken. Maar dat moest het afleggen tegen immigratie en islam. Onhandig was het ook dat het beleid waar Schulz zo kritisch op was juist uit de koker van Gerhard Schröder kwam, de laatste sociaal-democratische bondskanselier.

Duitsland gold begin deze eeuw nog als de zieke man van Europa. In de jaren na de eenwording was de werkloosheid snel opgelopen. Op het hoogtepunt in 2005 zat 11,7 procent van de Duitse beroepsbevolking zonder werk. Onder leiding van Schröder tuigden de spd en de Groenen de Agenda 2010 op. Kort gezegd moest het sociale zekerheidsstelsel soberder, de arbeidsmarkt flexibeler en de pensioenleeftijd omhoog. De regering liberaliseerde de arbeidsmarkt waardoor het eenvoudiger werd om mensen te ontslaan of hen op tijdelijke basis aan te nemen. De duur van werkloosheidsuitkeringen werd ingekort, en uitkeringen voor langdurig werklozen en wat wij als bijstand kennen werden samengevoegd onder de noemer Hartz IV – vernoemd naar de commissie die onder leiding van spd’er en voormalig Volkswagen-manager Peter Hartz de arbeidsmarkthervormingen onderzocht.

‘Hartz IV is vanuit economisch perspectief een succes’, zegt Timm Bönke, hoogleraar publieke economie aan de Freie Universität in Berlijn. Ik ontmoet hem in een fris café in Kreuzberg, gedecoreerd met licht hout, vintage barkrukken en ‘Fuck Google’-stickers op de toiletten. ‘Het idee was dat je werklozen moest zien te activeren. Tot dan liepen de uitkeringen gewoon door tot aan je pensioen. Je had geen enkele reden om ooit weer aan het werk te gaan. Flexibilisering was dus nodig, en het heeft veel banen gered. Maar nu moeten we nadenken over alternatieven voor werk dat steeds onzekerder en flexibeler wordt en dat oneerlijk wordt verdeeld.’

In de periode sinds de hervormingen gebeurde namelijk nog iets vreemds. Weliswaar daalde de werkloosheid flink, tot 5,7 procent vorig jaar. Maar het totaal aantal gewerkte uren groeide niet mee en ook het totaal verdiende loon bleef gelijk. En hoewel Duitsland in 2015 het minimum uurloon (nu een kleine negen euro) invoerde, bleef het gemiddelde maandloon gelijk. Het aantal gezinnen dat onder de armoedegrens leeft, is alleen maar gestegen.

‘De groei zat de afgelopen jaren in parttime banen en kleine dienstbaantjes’, vertelt Bönke. ‘Dat is een lange-termijnprobleem: we hebben bijna geen werkloosheid, maar ook geen inclusieve groei.’ Bovendien, zegt hij, ‘zijn de belastingen op inkomens en bedrijven sinds de jaren negentig alleen maar omlaag gegaan. Dat gat is opgevuld met hogere btw.’ En omdat arme mensen relatief meer kwijt zijn aan boodschappen en andere uitgaven dragen zij relatief gezien meer af. ‘In Duitsland speelt wat in alle westerse landen speelt: het aandeel vermogen binnen het bruto binnenlands product groeit sneller dan het aandeel lonen. Anders gezegd: de taart wordt wel groter, maar het aandeel van de taart dat naar mensen met vermogen gaat wordt ook groter.’

‘Voor vijf miljoen mensen waren de sociaal-democraten verraders geworden’

In het kielzog van de hervormingen steeg het aantal ‘mini-jobs’ of ‘450-euro-jobs’ – flexibele baantjes met weinig rechtszekerheid, bijvoorbeeld achter de kassa in de supermarkt of in het magazijn waar de statiegeldflessen binnenkomen. ‘We hebben een van de beste lage-lonensectoren van Europa opgebouwd’, omschreef Schröder de Duitse successen tijdens het World Economic Forum van 2005 in Davos. Vorig jaar had Duitsland zo’n 7,5 miljoen van dit soort banen, waarvan ongeveer een derde bijbaantjes. ‘In feite zijn het gesubsidieerde banen, aangezien werknemers geen sociale lasten hoeven af te dragen en werkgevers een vast bedrag. Al met al zijn de belastingen een stuk lager dan voor normale banen’, zegt Bönke. Interessant voor studenten, gepensioneerden of mensen met een werkende partner dus. Maar vooral ook laagwaardig en onzeker werk. Zo gaf bijna een derde van de werknemers met een mini-job in een enquête aan niet te worden doorbetaald bij ziekte, en veertig procent zei op zon- en feestdagen verplichte toeslagen niet te ontvangen.

Dat het de spd werd aangerekend, bleek bij de verkiezingen vorig jaar. Zelfs in voormalige bastions in West-Duitsland verloor de spd. Nog maar zeventien procent van de arbeiders stemde spd, tegenover 34 procent voor de rechts-populistische Alternative für Deutschland, ‘de nieuwe arbeiderspartij’, in de woorden van een Spiegel-commentator. En Markus Feldenkirchen, een andere journalist van dat weekblad, schreef in het boek Die Schulz-Story over de dramatisch verlopen verkiezingscampagne van Schulz: ‘Voor vijf miljoen mensen die zich ooit door de spd beschermd voelden, waren de sociaal-democraten verraders geworden.’

Wat in verkiezingstijd niet lukte, gebeurde eerder dit jaar wel: plots stond armoede in Duitsland boven aan de agenda. Dat kwam onder meer door ophef rond de voedselbank in grensstad Essen. Voedselbankvoorzitter Jörg Sartor had aangekondigd dat alleen Duitsers daar nog geholpen zouden worden. Door de toestroom van vluchtelingen was het zo druk geworden dat zijn vrijwilligers het niet meer aankonden. Op links en rechts grepen mensen het aan als een dankbare gelegenheid om zich te doen gelden. Sartor werd voor racist uitgemaakt, een auto van de voedselbank werd met ‘Fuck Nazis’ beklad. Anderen noemden hem een dappere burger die durfde te zeggen wat de mensen denken.

Maar geleidelijk verschoof het debat naar de vraag hoe het eigenlijk kan dat in een van de rijkste landen van Europa zoveel mensen van de voedselbank afhankelijk zijn. Dat was ‘het echte schandaal’, schreef Die Zeit in een commentaar op de voorpagina. ‘De nood wordt niet veroorzaakt door de toestroom van vluchtelingen, maar aangescherpt – en daardoor zichtbaarder.’ Al vier jaar lang heeft Duitsland een overschot in de boeken, en toch kunnen de 930 voedselbanken de stijgende vraag niet aan. De krant haalde de Duitse vereniging van voedselbanken aan, die had laten weten dat de groei lang niet alleen aan migratie was toe te schrijven.

Toen de uitgesproken cdu-onderkoning Jens Spahn een paar weken later stelde dat ‘Hartz IV geen armoede betekent, maar een antwoord is van onze solidariteitsgemeenschap op armoede’ leidde dat tot opnieuw een felle discussie over de vraag wat dan wel armoede is. Een aantal prominente spd’ers stelde voor om Hartz IV helemaal af te schaffen en in te ruilen voor een onvoorwaardelijk basisinkomen voor uitkeringsgerechtigden. De discussie ging verder over de lage uitkeringen, iets meer dan vierhonderd euro per maand plus huurtoeslag voor een alleenstaande (in Nederland 992 euro), en lonen die dalen terwijl huren explosief stijgen. Ook ging het over het strenge controleregime dat werklozen tot verdachten maakt.

Toen zijn kroeg over de kop ging, vroeg de 58-jarige Armin een Hartz IV-uitkering aan. Zijn hoogtijdagen had hij rond de eeuwwisseling gehad, toen Berlijn nog ruig was. Het café, niet ver van Park am Weinberg waar ik hem ontmoet, trok alle beroemde Berlijnse kunstenaars, acteurs en muzikanten, zegt hij niet zonder trots. ‘Mijn bar was een geheimtip.’ Maar Berlijn veranderde, en daarmee ook het publiek. Eén voor één gingen de zaken om hem heen op de fles, omdat de clientèle wegtrok of de huren te snel stegen. Na een paar jaar legde ook de zijne het lootje. ‘Of je investeert dan vijftig-, honderdduizend euro, óf je stopt.’ Op toeristenwebsite Tripadvisor leeft het café nog voort. In een oude recensie raadt iemand de kaasspätzle aan.

Armin ziet er goed uit: volslank, een rank brilmontuur, een goed getrimde baard en een stoffen tas van bio-winkel Denn’s (‘op straat gevonden’) voor zijn lege flessen. ‘Vanochtend vroeg ik wat scholieren of ik hun flessen mocht hebben. “Zijn dat echte Prada-schoenen?” vroeg er eentje. “Natuurlijk!” zei ik, “en deze broek is van Yamamoto.”’ De vale plekken vallen pas op als je beter kijkt. Na de sluiting van zijn café viel hij ‘in een zwart gat’, zegt hij. Hij werd depressief, kwam bij een psychiater terecht en vroeg een uitkering aan. Pensioen bouwde hij als zelfstandige nauwelijks op. Als hij een minibaantje zou nemen, zou hij na strafkortingen maandelijks zo’n 170 van de 450 euro overhouden. Dat heeft geen zin, en dus raapt hij flessen. Vandaag schat hij een euro of vijf bij te verdienen. Wat hij ervan koopt? Selderijsap en koffie van de bio-winkel. ‘Dat vind ik heel belangrijk, die koffie van de supermarkt is echt niet lekker.’

Je zult Armin niet horen zeggen dat hij arm of zielig is. De tassen zijn niet te zwaar, zegt hij, want hij is nog fit. Als we samen naar de winkel zijn gelopen om wat te drinken te kopen, weigert hij dat in het gras op te drinken. ‘Ik ben geen picknickpersoon, ik ben een luxemens.’ Met meteen nog maar een anekdote er achteraan. ‘Toen ik eens op Malta was, heb ik zo’n opvouwbaar designkrukje van Thonet gekocht, dat had ik nu mee moeten nemen. Ik heb er toen natuurlijk veel te veel voor betaald.’ Hij blijft over zichzelf vertellen, terwijl zijn gele nicotinevingers onophoudelijk sjekkies met losse filters uit een blikje draaien. Slechts één keer vertoont zijn zelfverzekerdheid een barstje. ‘Je wilt weten hoe lang ik dit blijf doen?’ Misschien blijft hij wel de rest van zijn leven flessen verzamelen, lijkt hij te denken.

Een paar dagen eerder raakte ik ’s avonds op ongeveer dezelfde plek met een echtpaar aan de praat. Los van elkaar doorkruisen ze systematisch het donkere park. Ze dragen oranje veiligheidshesjes en de vrouw trekt een bolderkar met daarin een blauwe Ikea-tas achter zich aan. Met zaklampen schijnen ze in elke vuilnisbak. Ik spreek de man aan als hij tegen zijn auto geleund staat die hij naast het park heeft geparkeerd. Zijn naam geeft hij niet, wel vertelt hij open hoe ze allebei hun baan kwijtraakten en nu in hun vroegpensioen zitten. Zijn vrouw hield aan 34 jaar in de zorg een versleten rug en knieën over, zelf was hij elektricien en zou zich moeten laten omscholen om nog kans op werk te maken. ‘Zodra ik daar klaar mee ben, ben ik bijna zeventig.’ Per maand hebben ze zestienhonderd euro te besteden, waar zeshonderd euro huur vanaf gaat. Vandaar dus de flessen, als bijverdienste. Op een goede avond scharrelen ze samen in drie uur twintig tot dertig euro bijeen – bij slecht weer een fractie daarvan. ‘Soms helpen mijn dochter en kleinkinderen ook mee.’ Hun zoon heeft een beperking maar woont wel op zichzelf, al hoest hij met moeite de huur op.

‘Er zijn veel gepensioneerden die dit werk doen’, vervolgt hij. ‘Maar er lopen er ook rond die gewoon niet willen werken. Van die lui die helemaal onder de tatoeages zitten. Wie zou zo iemand nou aannemen? Sommigen zijn zo bot dat ze flessen van mensen meenemen zonder het te vragen; of zelfs van de terrassen. Dat is tegen de wet!’ Ik vraag nog of ze op de Dag van de Arbeid ook aan het werk zullen zijn. ‘Nee, veel te gevaarlijk’, zegt hij, te veel dronken mensen. ‘Mijn vrouw is wel eens lastiggevallen door iemand die zich ergerde aan haar rammelende wagentje. Gelukkig heeft ze altijd pepperspray bij zich.’ Inmiddels is de kleine vrouw ook klaar met haar ronde door het park. Haar rode hoofd oogt verhit, slierten haar plakken aan haar voorhoofd. Het is bijna half elf als ze in hun auto stappen en wegrijden in de richting van Mauerpark. De laatste stop van de avond.