Kijken

Statige priester

Ook een beetje anders is compleet anders. Dat zien we bij Donald Judd, en dat zien we bij Giotto. Ordening, daar gaat het om. Van kleuren, en van architectuur.

Donald Judd, Untitled, 1989. Aluminium, gemoffeld, gemonteerd, (h)150,5 x (b)750,5 x (d)165 cm © Stedelijk Museum Amsterdam

Toen dit werk in 1989 vol glasheldere kleur werd gefabriceerd was het iets dat Donald Judd toen nog nooit gemaakt had. Vergeet dat nooit: dat de kunstenaar een werk maar één keer maakt. Hij maakte de beste versie. Dat is wat kunstenaars doen. Het is bijzonder, eigenlijk, dat ze steeds iets anders willen vinden dan wat ze eerder maakten. In normale processen wordt een product vervaardigd, bijvoorbeeld een stoel. Vervolgens proberen de producent en de ontwerper, als de vormgeving van een goede stoel eenmaal ontwikkeld is, er zoveel van te maken als de markt kan opnemen. Zo is vormgeven totaal iets anders dan kunst maken. De vormgever wil een uniek product dat vervolgens wordt vermenigvuldigd. De kunstenaar zoekt het unieke dat uniek blijft.

Er bestaan enkele versies van dit Untitled van Judd. Hun bouw is hetzelfde. In elk werk verloopt de dispositie van vijf kleuren in een steeds andere, onverwisselbare volgorde: als guirlandes slingeren ze zich rondom het holle, luchtige volume. Er zijn er die zeggen dat zulke werken op elkaar lijken en dat het ene er alleen net iets anders uitziet dan het andere. Maar dat is onzin. Het lijkt zo omdat Judd een seriële werkwijze had die er simpel uitziet. Al zijn werken groeiden uit de rijke voedingsbodem van de geometrie. Dit werk is dus eenmalig. Ook een beetje anders is compleet anders. Het is een samenstel van segmenten van telkens vijf banen verschillende kleur. De zijkanten en de bovenkant zijn, bij elkaar opgeteld, zeventien segmenten die met kleur zijn gemoffeld. In elk daarvan bewegen vijf kleuren heen en weer. In een ander werk verliep de kleurvertelling weer anders omdat hij juist dat, iets anders, wilde maken – omdat het hem nog onbekend was. Het maken van zoiets is heel moeilijk. Het ding is helder als het klaar is. Alles is te zien.

Giotto, Presentatie van Maria in de tempel, ca. 1305. Fresco © Scrovegni (Arena) kapel, Padua, Italië

Als kunstenaar ging Giotto niet anders te werk. Elke schildering begint met een voorstelling van een tafereel. Bijvoorbeeld: het verhaal zei hem de kinderloze Joachim te schilderen die uit de tempel wordt verjaagd. Eerst moest hij voor de tempel een architectuur verzinnen. Die moet ook een inzichtelijke, open ruimte zijn die als een toneel kan functioneren, voor de schilder, om figuren in beweging te brengen. Het werd een strakke indeling van wanden, een soort openluchttempel waar we kunnen inkijken. Opzij in de ruimte voert een trap naar een spreekgestoelte.

De kunstenaar zoekt het unieke dat uniek blijft

Verder naar achter zien we een hoog baldakijn. Die staande elementen brengen een gevoel van hoogte in de architectuur. Zo komt het dat, in verhouding, de gestalten rechts vooraan wel groot zijn maar niet te groot. Ze passen. Die mise-en-scène van figuren was iets nieuws. De compositie blijft naar rechts schuiven tot waar de hogepriester Joachim bijna van de stoep af duwt. Het zijn zulke penseelmomenten en verrassingen van beweging, niet te beschrijven maar wel te zien, die overal waar je kijkt ervoor zorgen dat het fresco niet stokt maar wonderlijk levend blijft. De buitenmuren van de tempel lijken marmer, helder in het licht. Binnen zijn de wanden geelgrijs. Er is daar minder licht in die gedempte ruimte.

Een paar fresco’s verder moest Giotto nog zo’n tempel schilderen. Toen Maria drie jaar oud was, werd ze in de tempel in Jeruzalem gepresenteerd. Indertijd was haar vader uit de tempel eigenlijk door de achterdeur weggestuurd. Toen was de toon afwijzend geweest, de stemming onaangenaam. Nu besloot Giotto het gebouw een feestelijk karakter te geven. Hij zette het in een zonnig licht. We zien de andere kant en de hoofdingang. Dat deel was hoger. Bij de gebeurtenis waren, bedacht de schilder, zeker ook meer mensen aanwezig. Hij bekeek hoe hij veel mensen in de ruimte van de architectuur kon onderbrengen. Maria zou de trap bestijgen en bovenaan worden ontvangen door de hogepriester. Dat moest in beeld worden gebracht.

Giotto, Joachim wordt uit de tempel gezet, ca. 1305. Fresco © Scrovegni (Arena) kapel, Padua, Italië

De statige priester is de hoogste gestalte die midden vooraan op een bordes staat. We zien hem voorbij de slanke pilaren onder een soort balkon. Er gaat daar een trap naar boven die binnen uit de tempel komt. Eerder heb ik het voor een spreekgestoelte aangezien dat zich binnenin bevond. Het blijkt een hoog balkon dat buiten tegen de gevel zit. Het staat met pilaren op een forse marmeren sokkel. We zien daarachter ook een trap, verder een hoek van marmeren muren, ten slotte een vierkant puntig dak. Eerst leek dat een baldakijn. Nu lijkt het eerder een toren.

Door de ordening van architectuur, en ook de hoogte daar, lijkt de tempel omvangrijker dan hij er eerder uitzag. Het meisje Maria, in stralend wit, is de trap op gelopen. Haar moeder Anna achter haar. Onder aan de trap mensen uit hun gezelschap waaronder een bochtige knecht met een zware mand bagage op zijn nek. Maria blijft voorlopig in de tempel, samen met de andere maagden die haar als groep achter de hogepriester staan op te wachten. Ze zijn nieuwsgierig. Helemaal rechts bij de tempelmuur staan nog twee gestalten. Het zijn toeschouwers met commentaar. Heel deze vertelling, in die architectuur, is door Giotto in die onvergetelijk beeldende vorm zo uitgedacht. Dat was zijn werk.