Stationsbehang

De Nederlandse Spoorwegen hebben dezer dagen vooral vervelend nieuws te melden. Want hoe hard ze ook hun best doen hun nieuwe huisregels als verbeteringen te presenteren, een kind kan zien dat er alleen maar sprake is van achteruitgang in service en atmosfeer. Wie met een loodzware portemonnee vol kleingeld een kapotte kaartjesautomaat en vervolgens een lange rij bij het loket heeft overleefd, ziet alsnog machteloos zijn trein vertrekken wanneer hij op het perron zich voor de zoveelste keer als reiziger heeft moeten legitimeren: bewijst u maar wat u hier te zoeken heeft. De ‘ondernemende NS’, ze staan voor vervoer maar ze betekenen oponthoud, vertraging, en ergernis over een misplaatst geworden monopolie.

Het zijn de conducteurs die de onaangename boodschap via de televisiespotjes mogen vertellen. De strengste gastjes zijn geselecteerd om te vertellen dat er in de trein (door de twee procent zwartrijders) niet langer met ze gesold zal worden. Dus wordt er maar met de overige 98 procent van het publiek gesold.
Om deze periode van slechte publiciteit door te komen mag ter compensatie de afdeling bewaking paginagroot uitpakken in de dagbladen. Want als het met de core business treurigheid troef is, moeten de nevenactiviteiten maar voor wat vrolijkheid zorgen. Tijdens de donkere dagen voor Kerst, toen iedereen tot mooie gedachten kwam en God de weekbladen ruimschoots haalde, kwamen de NS op de valreep met de meest cynische reclame van 1994: de dakloze sloeber als bewakingsbeambte. Onder de tekst ‘Wat er van een keurige beveiligingsman terecht kan komen’, zat een verzameling cliches van de hedendaagse mislukkeling: een drankorgel in vodden, ondersteund door tassen vol huisraad. Heb maar geen meelij, let maar niet op hem, het is wellicht een agent. Onveilig hoeft u zich dus ook niet voelen.
Het onderschrift meldt: ’… we werken meestal in uniform, maar soms ook incognito. Een enkele keer zelfs in vodden om - onopgemerkt - een oogje in het zeil te houden.’ Onopgemerkt? Met dit woord verraadt de NS algehele maatschappelijke ontoerekeningsvatbaarheid. Men geeft toe dat de dakloze zelf ze een rotzorg is, dat ze geaccepteerd worden om te gebruiken als camouflagemateriaal. Alles draait om beeldpolitiek.
Mazda grapte ooit met zijn elektrisch verwarmde buitenspiegels waar de clochards zich aan konden warmen. Toen betrof het nog een grapje om een produkt te verkopen. De Nederlandse Spoorwegen presenteren nu een mistroostig beeld van de armoede om alleen een gevoel van veiligheid te verkopen. Een homeopathisch placebo. Ellende als teken van een solide huisstijl. Het eigenlijke produkt, vervoer, wordt met deze kostbare promotie natuurlijk alleen nog maar duurder.
De veronderstellingen waarop deze reclame berust zijn fouter dan fout. Ten eerste moet de bewaking wel blij zijn met de daklozen omdat ze het ideale decor vormen voor hun spiedende werk. Het verdriet van de samenleving als ideale dekmantel. Ten tweede worden al die zwervers in de donkere hoekjes der stationshallen blijkbaar als niet meer gezien dan een beeld. Als het beeld dan niet te verwijderen is, dan maar het beeld voorspiegelen als mogelijke bron van veiligheid. Van de verlegenheid een gelegenheid maken, of zoiets. Een imagoverbetering, meer kan het niet zijn, en dat ten koste van hen die aandacht nodig hebben in plaats van statusverlaging tot stationsbehang.
Wat ooit een collectief bezit was en nu een particulier bedrijf is, maakt gebruik van tekens van de teloorgang van de publieke sector tout court om zich een imago van betrouwbaarheid te verschaffen. De NS maakt gebruik van het uiterlijke beeld van de verloedering om de angst voor die verloedering te neutraliseren. Nu de NS noch de overheid er in slaagt de sloeber uit het straatbeeld te houden, kiest men voor de tactiek om bij het publiek te suggereren dat een sloeber een veiigheidsbeambte kan zijn. Een quasi- controle over de situatie. Maar om deze tactiek vrucht te laten dragen, moeten er wel eerst veel daklozen zijn tegen welk decor een agent incognito kan opereren. En dus heeft men de kwaal nodig om goede sier met de therapie te maken.