Albert Camus : Het Algerije van zijn jeugd

Steden zonder verleden

‘Alles in Algiers biedt iemand die jong is en levenslustig een voorwendsel om te triomferen’, aldus de vijftig jaar geleden omgekomen filosoof Albert Camus. Een literaire pelgrimsreis naar zijn geboortegrond.

door beeld taco van der eb
Het is een groen shirt met witte opdruk, verkrijgbaar via de webwinkel Philosophyfootball.com (‘sporting outfitters of intellectual distinction’). Op de voorkant een citaat: 'All that I know most surely about morality and obligations, I owe to football’. Op de achterzijde een grote 1, het rugnummer van een keeper, en in kapitalen de naam 'CAMUS’. Het shirt is fraai, de prijs £20.99. Alleen met het citaat is gesjoemeld.
Als student verdedigde Albert Camus (1913-1960) enkele seizoenen het doel van Racing Universitaire Algerois, tot tuberculose zijn voetbalcarrière blokkeerde. In een opstel, dat hij jaren later schreef, beleed hij zijn liefde voor de grasmat. 'Ce que je sais le plus sur la moralité des hommes’, schreef hij, 'c'est au sport que je le dois, c'est au RUA que je l'ai appris.’ (Dat wat ik met de meeste zekerheid weet over de moraal van de mens, heb ik aan deze sport te danken, en leerde ik bij Racing Universitaire Algerois). Het is misschien haarkloverij om moeilijk te doen over marchanderen met citaten. De teneur klopt tenslotte: Camus hield van voetbal. En het shirt roept een andere vraag op: wat zou de filosoof, die begin dit jaar precies een halve eeuw geleden overleed, van Camus-merchandising en andere vormen van eerbetoon hebben gevonden?
We hoeven niet te speculeren; de schrijver antwoordt zelf. In zijn korte, sarcastische essay Het raadsel (1954) behandelt hij het probleem van de roem. Hij vertelt hoe zijn boeken in de schaduw zijn komen te staan van de legende Camus, de dandy met de blik van Humphrey Bogart, de wijsgeer die zo onder roem werd bedolven dat hij de 'hoogste wijding’ kreeg - namelijk 'niet te worden gelezen’. Zijn naam staat dagelijks in de krant, maar de artikeltjes gaan over zijn leven, niet zijn werk. 'Om naam te maken als schrijver is het dus niet beslist nodig om boeken te schrijven’, concludeert Camus vol ironie, en met een zelfde spot constateert hij ook iets hygiënisch in de 'zee van beuzelpraat’ waarin het literaire debat verdrinkt: al die oppervlakkige aandacht en gratis lofprijzingen doen een kunstenaar juist de ijdelheid van roem beseffen. Dat houdt een mens nuchter. Dus bedankt Camus hartelijk de samenleving die 'op een koopje door haar eerbewijzen duidelijk maakt dat de grootheid die zij toejuicht niets te betekenen heeft’.
Zo bezien zou de filosoof alleen maar blij zijn geweest met Camus-shirts, maar tussen de ironische regels door klinkt natuurlijk de hartenkreet van de schrijver: lees mijn boeken en denk met mij mee.
Het was daarom met weifeling dat ik dit najaar een literaire pelgrimsreis ondernam naar Camus’ geboorteland Algerije. Want die reis was slechts toeristisch: ik wilde de plekken zien waar hij leefde en waar hij schreef. Plaatjes zien bij zijn boeken. Dat was misschien even dwaas als het aanschaffen van fan-T-shirts. Laat als excuus gelden dat de trip werd geïnspireerd door het lezen van Camus. Zijn werk was de reisfolder; zijn oeuvre het visum.

Een halve eeuw geleden, op 4 januari 1960, reed Albert Camus, in een Vacel Vega-sportwagen op weg van Parijs naar zijn huis in Zuid-Frankrijk, ter hoogte van het gehucht Villeblevin tegen een plataan. Hij was op slag dood. In de schoudertas die uit de wagen slingerde zat zijn werk: een half af manuscript, dat later werd uitgegeven als De eerste man.
Het bleek Camus’ meest autobiografische boek te zijn. Het gaat over Jean (Albert) die zonder vader opgroeit in de arbeiderswijk Belcourt in Algiers. Het boek leest als een hartverscheurende lofzang op de aarde van zijn jeugd. Bij het manuscript hoort een spiraalbloknoot met een schetsmatige opzet van de roman. Het zijn losse regeltjes, oningeloste beloften; ze lezen door het gebrek aan ontknoping als mysterieuze poëzie.

Jeugdliefdes op het strand - en de avond die over de zee valt - en de sterrennachten.
Het komt erop neer dat ik ga vertellen over degenen van wie ik hield. En alleen daarover. Diepe vreugde.

Maart 1940 vertrok Camus naar Frankrijk, waar het gonsde van oorlogsgeruchten. Hij zou nooit meer permanent terugkeren naar Algerije, maar er wel constant naar terugverlangen, naar die eerste liefde, de enige die hij niet geselde met twijfel. Zijn 'echte vaderland’, zei hij zelf.
De Algerijnse lyriek uit De eerste man vind je niet terug in Camus’ filosofische romans of zijn journalistieke en polemische werk. Maar wel in de autobiografische essays. Je hebt bijvoorbeeld Camus de vrolijke reisleider die in de Kleine gids voor steden zonder verleden tegenover zijn vrienden in Parijs opschept over Algerije, waar de mensen niet zo cerebraal zijn. De filosoof strooit met praktische vakantietips ('De nog jonge reiziger zal ook merken dat de vrouwen in dit land mooi zijn. De beste plek om zich daarvan te overtuigen is het terras van het Café des Facultés, in de Rue Michelet in Algiers…’).
De meest lyrische reisgids vind je in de essaybundels Noces en Été, en dan vooral in de essays over het badplaatsje Tipasa. Hier spreekt, nee, jubelt een extatische gelovige over de zon en het zomernachtleven, over 'waarheden die onze hand kan aanraken’. De auteur verontschuldigt zich voor zijn sentiment: 'Wanneer het over Algerije gaat, ben ik altijd bang een gevoelige snaar in mijn innerlijk te raken, waarvan ik het blinde en plechtige lied ken.’
Camus kwam in Tipasa, het badplaatsje even buiten Algiers, als student, om te zwemmen, om rond te zwerven in de schaduw van cipressen en olijfbomen en tussen de zuilen van de oude Romeinse ruïnestad die daar bloot lag aan het strand. Tipasa inspireerde hem tot de meest hartstochtelijke beschrijving van een duik in zee uit de wereldliteratuur. 'Ik moet naakt zijn en dan in zee duiken’, schrijft hij in Noces, 'nog helemaal geurend naar de sappen van de aarde, die moet ik in het water wassen en op mijn huid moet ik zee en aarde elkaar laten omhelzen - een omhelzing waarnaar zij mond aan mond al zo lang smachten (…) Hier begrijp ik wat gelukzaligheid wil zeggen: het recht om mateloos lief te hebben.’
Dit Algerije was hem zo dierbaar dat het zelfs zijn ideeën over het absurde ondermijnde. 'Hoe heb ik met mijn geheugen zo vol zonlicht’, schreef Camus later, 'op de zinloosheid kunnen wedden?’

Wie bij helder weer aan komt vliegen, begrijpt waarom Algiers 'La Blanche’ wordt genoemd, en 'el Bahdja’ (de vrolijke), en waarom de stad vaak wordt vergeleken met een Romeins amfitheater. Je ziet een halve maan aan witte huizen tegen de heuvels liggen, met uitzicht op de Middellandse Zee. Je ziet de stranden, de vissersbootjes in de haven en de steegjeswirwar van de kasba, de oude Arabische wijk.
Is het bewolkt, luister dan naar een denkbeeldig audioboek waarmee de schrijver je met rustige stem de stad binnenleidt. 'Alles in Algiers’, zegt hij, 'biedt iemand die jong is en levenslustig een toevlucht en een voorwendsel om te triomferen: de baai, de zon, het speelse rood en wit van de terrassen die zich tot aan zee uitstrekken, de bloemen en de oude stations, de meisjes met hun slanke benen.’
Luister aandachtig, want eenmaal aan de grond op International Airport Houari Boumediene wacht een minder lieflijk tafereel. Militairen met shotguns bewaken de vliegtuigen. Bij de oprit naar de snelweg staan checkpoints met bomdetectoren. De twintig kilometer naar het centrum is Algiers niet blanche, maar grise: vol Oostblok-achtige flats, zonder balkons, met roestige schotelantennes. Even grijs is het reusachtige Monument der Martelaren, een betonnen driepoot van dertig meter hoog. Een anti-Eiffeltoren die voor alle ruim twee miljoen inwoners bijna steeds zichtbaar is.
Tien jaar terug eindigde de burgeroorlog tussen islamitische strijders en de staat. President Abdelaziz Bouteflika kwam aan de macht met beloftes over huizen en werk. Hij is nog steeds president, en ook de woningnood en werkloosheid zijn onverminderd groot. En er zijn problemen bij gekomen: straatbendes, drugsverslaafden, corruptie, gebrekkige stroomvoorziening.
De islamitische terreur is gekanaliseerd, dat gelukkig wel. De Algerijnse terroristen fuseerden in 2006 met een Noord-Afrikaanse al-Qaeda-tak. Af en toe slaan ze nog toe, maar niet in de hoofdstad, en niet tegen toeristen. De kwaliteitskrant El Watan bericht op de dag van aankomst over een aanslag waarbij in een stadje zestig kilometer buiten de hoofdstad zeven agenten zijn vermoord.
Een recent fenomeen is dat jonge Algerijnen in opstand komen tegen de staat. De kranten schrijven over hevige rellen in de wijk Diar Echems ('Huizen van de zon’) in de banlieue van Algiers. De betogers eisen betere woningen.
In de krant staat ook iets over een literaire rel. Die week vindt in Algiers de internationale Salon du Livre plaats. Juist nu heeft de politie een inval gedaan in het huis van Mehdi El-Djezaïri (een pseudoniem), de schrijver van het pamflet Poutakhine, een boek over het probleem van Algerijnse bootvluchtelingen.
Camus werd in 1913 geboren in Mondovi, een klein plaatsje tegen de Tunesische grens. Toen zijn vader omkwam in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog verhuisde de baby Camus met zijn moeder naar Belcourt in Algiers, een wijk vol pied noirs, zoals de arme Franse kolonisten heetten. Albert woonde er aan de Rue de Lyon 93 met zijn analfabete moeder, broer, oom en oma, in een klein appartement zonder stromend water en met een petroleumlamp als verlichting. 'Warmbloedige armoede’, kenschetste de schrijver zijn jeugd.
Hier leerde hij als straatschoffie voetballen op versleten espadrilles. Hier ontdekte hij zijn liefde voor de zee (de wijk ligt aan het strand). En hier ontdekte een basisschoolleraar dat Camus hersens had en geen tonnenmaker moest worden.
Vanuit het centrum van Algiers kun je in een klein half uur naar Belcourt lopen. Aan de stoepen merk je dat de status verandert. Steeds vaker duiken er gaten op in het trottoir, en ter hoogte van de Rue Mohamed Belouizdad (zoals de Rue de Lyon is omgedoopt) is het voetpad een gezellige laissez faire van stof en steen geworden. In deze straat vind je vrouwen in jurken met baguettes als sprokkelhout onder de arm, mannen die in cafeetjes muntthee drinken, stalletjes waar Ferrero Rocher-chocola, Nigeriaanse sigaretten, hoofddoekjes en groene voetbalshirts worden verkocht. Er zijn ook veel belwinkeltjes. Zoals het zaakje op nummer 93, het huis waar Camus eenderde van zijn leven woonde.
In een ander land zou dit huis een lieu de mémoire zijn. Hier is niet eens een plaquette. Camus is niet zo geliefd in Algerije. Hij wordt gezien als een Fransman die tijdens de onafhankelijkheidsoorlog weigerde partij te kiezen voor de vrijheidsstrijders.

De vriendelijke man achter de balie is gewend aan klanten die niet voor beltegoed komen. Hij vertelt dat boven in het kleine appartement nu een grote familie woont. Hoe groot? 'Heel groot’, zegt hij. (Achttien personen, lees ik later in een reisverslag van Michael Palin, die het huis enkele jaren geleden bezocht.) 'Ze zijn nu allemaal aan het werk.’
Je kunt beter je ogen sluiten en in sepia proberen te denken aan een jochie met een petje, als Kruimeltje, dat zacht de trap af loopt om te ontsnappen aan zijn oma en moeder die siësta houden. Hij raakt instinctief de leuning niet aan, want daar zitten kakkerlakken (een gewoonte die hij zijn hele leven zal houden). Buiten gaat hij voetballen op straat, of naar het strand; pas als het schemert komt hij terug, als je de harmonicaspeler in een café op de hoek hoort en het dronken gelal van een arbeider.
Als je naar het strand wilt waar Camus leerde zwemmen, kun je vanaf nummer 93 richting het oosten, langs de voetbalclub en door de botanische tuin naar de ingang van Les Sablettes. Aan weerszijden zie je naargeestig haventerrein. Bij de tuin staat een bewaker met kalasjnikov, die vriendelijk zegt dat het onverstandig is om naar het strand te gaan. 'Agression’, vat hij samen; het compacte woord voor criminele, jonge drugsverslaafden.
'In het glorieuze licht genoten deze jonge lichamen zo hevig dat ze aan één stuk door schreeuwden’, schreef Camus. 'Ze heersten over het leven en over de zee.’ Opnieuw heb je de boeken nodig om te zien wat zich hier afspeelde.

Terug naar het centrum, naar de Rue Didouche Mourad (de voormalige Rue Michelet), vernoemd naar een verzetsheld in de strijd tegen de Fransen. Het is een vrolijke, dure winkelstraat (Algiers’ Fifth Avenue, volgens Camus-biograaf Oliver Todd). De trottoirs glimmen, de vijgenbomen zijn gesnoeid. Er zijn kebabzaken en luxe kledingwinkels. De appartementen boven de winkels zijn oud-koloniaal wit gepleisterd, met blauwe luiken en Franse balkonnetjes.
In deze straat zit de Librairie des Beaux Arts, waar Camus begon te schrijven aan De vreemdeling. Het knusse boekenwinkeltje bestaat nog, op nummer 28 van de Rue Didouche Mourad, naast kebabzaak Aladin. Het heeft de grootste Camus-collectie van de stad, waaronder bijvoorbeeld een recente Camus-uitgave van Misère de la Kabylie, een bundeling indringende reportages over de armoede in de bergen van Kabylië, die Camus als twintiger schreef voor Alger Républicain.
'J'adore Camus!’ zegt de verkoopster als warm welkom. Ze is een Algerijnse van iets in de dertig, met een zeker voor dit land modern decolleté. 'Hier in de hoek’ - ze wijst op een gedraaide trap die langs de boekenkast naar een vide voert - 'zat Camus als leraar proefwerken te corrigeren. En daar’ - ze wijst naar boven - 'schreef hij zijn romans.’
Dan begint ze spontaan en zwierig Camus te citeren. 'Ici je laisse à d'autres l'ordre et la mesure’, leest ze. 'C'est le grand libertinage de la nature et de la mer qui m'accapare tout entier.’ (Hier laat ik aan anderen de orde en matiging over. ’t Is de grootse losbandigheid van de natuur en de zee die mij hier overmeestert.)
'Ik houd zo van dat woord’, zegt ze, 'libertinage!’ Losbandigheid. Of: vrijdenkerij.
De winkel houdt in elk geval die laatste betekenis hoog in het vaandel. De verkoopster wijst op het prikbord, links bij de ingang van de winkel. Naast een Camus-citaat hangt een uitgeknipt opiniestuk uit El Watan. Het is een protest tegen de Salon du Livre, geschreven door de baas van de Librairie des Beaux Arts. Hij vindt de internationale boekenbeurs eenzelfde farce als het kitscherige Monument voor de Persvrijheid in het centrum. In het artikel reageert de man op het nieuws dat de politie deze week langs de boekenwinkels is gegaan om het pamflet in beslag te nemen.
Als je wilt dineren kun je terecht in de Brasserie de la Faculté, even verderop, tegenover de universiteit. Je krijgt er koeskoes en lokale Algerijnse wijn. Nog steeds bestaat bij sommige restaurants die alcohol serveren de gewoonte dat je moet aanbellen voor je binnen wordt gelaten. Dat schijnt te stammen uit de tijd van de islamitische terreur, die het nachtleven schichtig maakte als een getraumatiseerde kat.
Op deze plek dronk Camus graag anijslikeur. In de Kleine gids voor steden zonder verleden roemt hij de luchtig geklede vrouwen die langs het terras flaneren. Verwacht er niet te veel: overdag zijn de vrouwen gesluierd, ’s avonds zie je vooral mannen die pruimtabak kauwen terwijl ze domino spelen.
Even verderop zit een ander favoriet terras van Camus: Café Tantonville. Dit is de plek om gidsen te vinden voor een wandeling door de mysterieuze kasba. Let niet op de dode rat die naast het oude Franse theater ligt. Negeer ook de injectiespuit.
Drink hier je thee uiterst langzaam, zoals alle mannen hier doen. Zoals Lyes dat doet, bijvoorbeeld, een lange Algerijn van een jaar of veertig, die eruitziet als een goedmoedige gangster. Hij is basgitarist in een band. 'Dieu merci, dieu merci’, zegt hij - dat de regering de terroristen heeft vermoord. Lyes is geboren in de kasba. Hij toont de weg door modderige, middeleeuwse kronkelsteegjes waar zwerfkatjes miauwen en brutale jochies blikjes hooghouden en oude mannen bij een dorpspomp zeebarbeel wassen.

Een kilometer of zeventig ten westen van Algiers ligt het badplaatsje Tipasa. Vlak bij het centrum bevindt zich de Romeinse spookstad. Voor twintig dinar mag je het hek door en kun je als Camus dwalen tussen pilaren en over Romeinse wegen, steeds met uitzicht op de zee. Snuif de geur op van cipressen, zie hoe olijfbomen door zeewind kromgegroeid zijn, voel de warmte van de zon aan de stenen van de ruïnes. In de schaduw van olijfbomen hebben jonge stelletjes stiekem afgesproken buiten het zicht van de stad. Dwaal langs het oude badhuis, het amfitheater en de begraafplaats, steeds verder naar het westen, tot je bij een klif komt. Links is een baaitje. Het is warm, maar in deze tijd van het jaar zwemmen Algerijnen niet en liggen de stranden er triest bij, de vloedlijn vol afval. In de verte rijst het Chenoua-gebergte op. Rechts een rij pilaren die de zee in lijken te wandelen.
En dan zie je waar je naar snakte: een tastbare herinnering aan de schrijver. Het is een grijze sokkel van gestort beton, met daarop een zandstenen stèle, door zout en zeewind meer verweerd dan de omliggende ruïnes. Je leest hardop:
Je comprends ici ce qu'on appelle gloire:
le droit d'aimer sans mesure.

Met het citaat is niet gesjoemeld. Het is ontleend aan Noces en volgt op de beschrijving van een duik in zee. Eronder staat een naam waarvan de letters door mensenhanden zijn weggekrast.

De beveiliging op het treinstation van Algiers fouilleert verveeld. 'Spoorlijn des doods’, heette het vijfhonderd kilometer lange traject tussen Algiers en Oran in de jaren negentig vanwege de vele aanslagen. De enige terreur komt nu van de panfluitmuziek die in de coupés door de intercom klinkt. Eerst zie je banlieue en sloppenwijken, later olijfgaarden en sinaasappelvelden en ten slotte vooral rotswoestijn, tot je aankomt in Oran, de stad waar Camus niet van hield.
In de Kleine gids voor steden zonder verleden noemt hij Oran een stad zonder ziel, waar de Minotaurus genaamd verveling rondwaart. Toen hij een decor zocht voor La peste koos Camus zonder aarzeling Oran. Hij werkte hier als leraar. Hij nam het de stad kwalijk dat op de plek waar Algiers stranden en boulevards heeft Oran een industriële zeehaven had gebouwd.
Camus’ kritiek op Oran leverde felle protesten op van de bewoners. Zo fel dat in een nieuwe editie van de Kleine gids een excuusparagraaf stond. 'Oran’, schrijft hij in 1953, 'heeft niet langer behoefte aan schrijvers: zij wacht op de toeristen.’ Een halve eeuw later wacht Oran nog steeds. De kilometerslange boulevard langs de baai is nieuw, maar het uitzicht is nog steeds: containerhavens.
Er hangt een portret van de schrijver in restaurant Cintra aan de Boulevard Soumman. In de grote boekenwinkel aan de Front du Mer beschikken ze over één boek van de schrijver (en verkopen ze La peste niet). Boven de schoenenzaak aan de Rue Larbi Ben M'hidi, op nummer 67, zit de voorgevel van Camus’ oude huis (dat moet je weten, want er is geen enkel verschil met nummer 65 of 69).
Op cultureel gebied is de stad nog steeds van steen. Het prachtige oude Franse theater ('Comédie-Opera-Tragédie’) op het onafhankelijkheidsplein is even verwaarloosd als de straatkatjes die er rondzwerven. Op de trappen voor de ingang hangen jongeren die je aandachtig bestuderen. De stad heeft zelfs in het centrum sloppenwijken. Ook in Oran berichten de kranten over rellen in buitenwijken.
En toch houdt Oran meer van Camus dan Algiers. Misschien is het omdat Oran zo ver van de macht af ligt en de bewoners zich minder bekeken voelen. Je merkt het bijvoorbeeld aan de hartelijkheid van de mensen die je ontmoet als je naar de markt gaat in de steegjes achter restaurant Cintra, waar de geur van versgebrande noten je tegemoet waait, waar de verkopers grappen met je maken, de bewoners opgetogen 'soyez bienvenues’ tegen je roepen als ze horen dat er weer toeristen in hun stad komen. De vrouwen zijn gesluierd in vrolijke Afrikaanse kleuren en als ze je met hun quasi-bedeesde ogen passeren, knipperen ze precies getimed met hun wimpers.
El Bahia, de stralende, heet de stad. Het best ervaar je dat door vanuit het centrum naar het westen te rijden, waar de badplaatsen zijn met hun cabarets, waar ook op doordeweekse dagen in oktober tot diep in de ochtend live raimuziek wordt gespeeld. Ga bijvoorbeeld naar Mezghena een kilometer of twintig buiten de stad, vlak bij het strand van Bouiseville, waar de messenscène uit De vreemdeling ontstond.
Om één uur ’s nachts zie je boven de zee bij Centre Touristique Ain El Turk meer sterren dan je tellen kunt. Uit een cirkelvormige disco klinkt muziek. Binnen is het rokerig. Er zijn evenveel mannen als vrouwen. De heren dragen overhemd en jasje, de vrouwen zijn luchtiger gekleed en roken mee. Op een podium fonkelen ogen en kronkelen lijven. Aan de tafeltjes wordt een groene sterke drank genoten. Tot aan het ochtendgloren vind je hier libertinage, opgezweept door razendsnelle rai. Hier ben je niet voor gekomen, zeg je. Je kwam voor de schrijver. Maar hier begrijp je dat de schrijver niet te vinden is via zijn naam alleen.
Camus ligt begraven in een klein dorpje in Zuid-Frankrijk, ergens halverwege Algiers en Parijs. In Franse kranten woedt een debat over het herbegraven van zijn beenderen. De president wil ze verhuizen naar het Panthéon in Parijs. Anderen menen dat de president Camus’ erfgoed wil claimen voor politieke doeleinden. Tegelijkertijd is er al jaren een lobby van Camus-liefhebbers. Ze willen een museum oprichten in Mondovi, Camus’ geboorteplaats.
Maar er is al lang een museum, er zijn al zat plaquettes: elk voetballend straatschoffie, op een lome vrijdagmiddag in de kasba, is een tentoonstelling. Elke grote familie in een driekamerappartement is een levende herinnering. Elk fel opiniestuk is van marmer. De hartstochtelijk dansende vrouw in een cabaret in Ain El Turk is een plaquette.

Arjen van Veelen is redacteur bij het Leids universiteitsblad Mare en freelance journalist. In mei verschijnt bij uitgeverij Augustus zijn essaybundel Over rusteloosheid