Santiago Niño Becerra over de doodsstrijd van het kapitalisme

‘Steeds meer mensen zijn overbodig’

Lange tijd maakten critici Santiago Niño Becerra uit voor schurk en oplichter. Maar sinds de kredietcrisis - waar hij in 2006 al voor waarschuwde - behandelen ze de Spaanse professor met respect.

ANDERHALF JAAR voor het uitbreken van de kredietcrisis waarschuwde hij er al voor. De wereldeconomie staat aan de vooravond van een onvoorstelbare inzinking, die in hevigheid en omvang alleen te vergelijken is met de Grote Depressie die volgde op de crash van 1929. Met één groot verschil: het economische systeem zal er na deze crisis nooit meer helemaal bovenop komen.
Toen luisterde bijna niemand naar Santiago Niño Becerra, hoogleraar economische structuur in Barcelona. Nu wordt zijn boek El crash del 2010 al voor de dertiende keer in een half jaar herdrukt. In Spanje is Niño Becerra’s essay verreweg het best verkochte boek over de crisis en een van de succesvolste non-fictieboeken sinds de verschijning voorjaar vorig jaar.
Dat het gedachtegoed van Niño Becerra het lezerspubliek niet onverschillig laat, bleek voor het eerst in oktober 2008. Op de website van het Spaanse dagblad La Vanguardia kwamen meer dan vijftienhonderd reacties binnen op een interview met de professor van de Universiteit Ramón Llull. Hij zei daarin dat de crisis halverwege 2010 pas werkelijk zal uitbreken, dat deze onvermijdelijk en traumatisch zal zijn, zo'n tien jaar zal duren en de eindfase van het kapitalistische systeem inluidt.
Wie zoiets beweert loopt natuurlijk een aardige kans voor doemdenker te worden uitgemaakt. Dat gebeurde dan ook. Anderen gingen een stapje verder en noemden de professor getikt, gestoord of een schaamteloze schurk. Maar daar stonden tal van reacties tegenover waaruit juist bewondering sprak voor de gedurfdheid en intelligentie van zijn analyse en voor de helderheid waarmee hij deze verwoordde.
De eer van de ontdekking van Niño Becerra buiten het academische milieu komt toe aan het Spaanse dagblad ABC. Begin maart 2006 publiceerde deze krant een lang artikel over het onderzoek van Niño Becerra naar de ontwikkeling van de wereldeconomie in de afgelopen halve eeuw. De publicatiedatum is van belang. Het is tweeënhalf jaar voor de ondergang van de investeringsbank Lehman Brothers en anderhalf jaar voordat de ernstige problemen met de subprime-hypotheken in de Verenigde Staten aan het licht komen. Het zijn tijden waarin de bomen tot in de hemel groeien. De economische euforie is gemeengoed: beurskoersen stijgen, de werkloosheid is laag, de consumptiedrang ongeremd en op de vastgoedmarkt is het alle dagen feest.
Op dat moment komt Santiago Niño Becerra roet in het eten gooien. Over vier jaar - in 2010 dus - raakt het economische wereldsysteem in een onafwendbare crisis, tekent ABC op uit de mond van de tot dan toe onbekende hoogleraar uit Barcelona. Hij schetst een economische en sociale tsunami als gevolg van een onhoudbaar groeimodel dat in de Verenigde Staten bedacht wordt als antwoord op de recessie na de Eerste Golfoorlog. Om de economie uit het slop te halen en de consumptie te stimuleren, beginnen banken de bevolking massaal van creditcards te voorzien. Dat idee blijkt goed te werken, de economie groeit weer even. Na de dotcom-crisis van begin deze eeuw wordt dezelfde kunstgreep herhaald, nu bij de hypotheekverstrekking. Opnieuw is het effect op de korte termijn spectaculair. Maar Niño Becerra spreekt van hyperkrediet en hyperconsumptie, en waarschuwt dat dit niet lang goed zal gaan. De schuldenlast wordt onhoudbaar, het systeem zal onvermijdelijk ineenstorten.
Toch vormt dit slechts de aanleiding van de grote crash die ons wacht in 2010. De diepere oorzaak is veel ongrijpbaarder en ligt besloten in de evolutie van het economische systeem als zodanig. Dat is ook precies de reden waarom de crisis onafwendbaar is. En de voortekenen zullen zich al spoedig aandienen. ‘De crisis zal zich voor het eerst openbaren in 2007’, aldus de hoogleraar economische structuur in de ABC van 5 maart 2006.
Als in augustus 2007 de subprime-crisis inderdaad uitbreekt en een golf van paniek de financiële markten overspoelt, verstomt de kritiek op Niño Becerra. Wie hem aanvankelijk uitmaakte voor een mislukte Nostradamus of een aguafiestas, een pretbederver, houdt nu zijn mond. Anderen noemen hem niet langer schurk of oplichter maar verwijten hem slechts de ernst van de situatie te overdrijven. Een radiozender waar de professor eerder het mikpunt was van goedkope spot behandelt hem nu met respect.
Na de val van Lehman Brothers, een nieuw signaal dat de crisis er nu toch echt zin in begint te krijgen, pakt ABC opnieuw uit met een groot verhaal. De Madrileense krant slaat zichzelf uitbundig op de borst onder de kop De profeet van de crash zei het in ABC. Andere media beginnen nu ook belangstelling te tonen voor de ideeën van Niño Becerra. Na de publicatie van El crash del 2010 in maart van het afgelopen jaar komt de media-aandacht in een stroomversnelling.
Niño Becerra stelt zich in zijn boek twee vragen: waar zijn we? En waarom zijn we op dit punt gekomen? Het antwoord zoekt hij in de economische wereldgeschiedenis van de afgelopen tweeduizend jaar. De auteur neemt daarbij sociale, politieke en filosofische factoren in ogenschouw. Het levert een fascinerend beeld op waarin een hoofdrol is weggelegd voor het begrip economische systemen.

IN UW BOEK stelt u dat de economische wereldcrisis halverwege volgend jaar pas echt losbarst. Wat zijn de oorzaken?
'Eigenlijk is het heel simpel. Het huidige economische systeem, het kapitalisme, is aan het einde van zijn levenscyclus gekomen. Daarom ben ik een van de weinigen die zeggen: er zijn geen schuldigen. Het systeem, dat niets anders is dan een manier van werken, is eenvoudigweg uitgeput. Het is op. Een belangrijk deel van mijn studie is gebaseerd op metingen van het bruto binnenlands product (bbp) van letterlijk alle landen in de wereld vanaf 1950. Op die gegevens hebben we een econometrisch model toegepast. Dat levert een dramatisch beeld op. In de periode van 1950 tot 1973 groeit de wereldeconomie jaarlijks met gemiddeld vijf procent. Dan breekt de eerste energiecrisis uit en tussen 1973 en 2005 bedraagt de gemiddelde jaarlijkse groei nog maar drie procent. Op basis van de dalende tendens kun je prognoses maken. In een optimistisch scenario groeit de wereldeconomie tussen 2010 en 2020 met anderhalf procent. Dat betekent dat heel wat landen jaren achtereen van negatieve economische groei zullen beleven. Anderhalf procent groei in de wereld heeft werkelijk rampzalige gevolgen. En dat zal ten minste tot 2020 aanhouden. Het worden onvoorstelbaar zware tijden.’
Over het kapitalisme zei u onlangs dat het een kadaver is. Loopt het echt zo'n vaart?
'Met de term kadaver bedoel ik niet dat het nu al afgelopen is met het kapitalisme. Ik wil daarmee zeggen dat het kapitalistische systeem op sterven na dood is. Alleen kan zo'n doodsstrijd soms nog lang duren, in dit geval vijftig tot zestig jaar. Deze crisis zal hard zijn en als gevolg ervan zal het kapitalisme hervormd worden, net zoals na de crisis van de jaren dertig. Maar het systeem als zodanig is nog niet dood. Het grote verschil met de jaren van de Grote Depressie is alleen dat het systeem zich toen nog in opwaartse lijn bewoog. Nu zitten we in de neergaande fase. Als we onze tijd vergelijken met het vorige economische systeem, het mercantilisme, dan zitten we nu in een periode die overeenkomt met de jaren 1770-1780. Toen was het mercantilistische systeem op zijn retour. Maar let wel, het mercantilisme wordt pas definitief verdrongen door het kapitalisme in 1820. Het kapitalisme heeft dus nog een tijd te gaan, maar het is een aflopende zaak.’
Hoe kunt u daar zo zeker van zijn? Veel mensen zullen zeggen: de technologie vindt wel een oplossing voor de problemen.
'Als u mij een bewijs vraagt op de manier zoals Newton aantoonde waarom een appel op de grond valt, dan is het antwoord simpel: dat kan ik niet. Ik baseer me op een historische analyse van de afgelopen tweeduizend jaar. Sociaal-economische systemen blijken daarin elementen te zijn met een levensduur van rond de tweehonderdvijftig jaar, met opmerkelijk kleine variaties. Als we bovendien onze huidige tijd analyseren, zien we structurele problemen met voor het systeem absoluut onontbeerlijke zaken. Denk aan de chaos in de financiële en monetaire wereld.’
Politici en ook veel economen menen dat het ergste achter de rug is. Onze maatregelen beginnen al zichtbare resultaten op te leveren, zeggen zij. Wat vindt u daarvan?
'Het is logisch om te zeggen dat het ergste voorbij is. Allereerst omdat het heel menselijk is om te geloven dat het wonder mogelijk is. Een optimistische boodschap van leiders vindt dus gemakkelijk gehoor bij de mensen. Er is nog een reden. Als machthebbers niet zouden beweren dat het ergste achter de rug is, zouden zij hun eigen falen toegeven. Bedenk dat zij ontzaglijk veel overheidsgeld aan steun- en stimuleringsmaatregelen in hun economieën hebben gepompt. Alleen al in de Verenigde Staten gaat het alles bij elkaar om bijna twaalf biljoen dollar (Europese biljoenen: 12.000 miljard). Europese regeringen hebben hetzelfde gedaan.
Natuurlijk brengt al dat geld een zekere beweging op gang. Er is alleen een probleem. Ik noem dat het amfetamine-effect. Als je aan een uitgeput persoon een amfetaminepil geeft, herstelt hij zich. Zijn vermoeidheid verdwijnt op slag. Maar de oorzaken van zijn uitputting zijn niet verdwenen. Al die steunplannen en financiële injecties in banken, bedrijven en de consumptie zijn amfetaminepillen. Ze creëren een illusie. En tegelijk veroorzaken ze een afschuwelijke schuld. De staatsschuld van de VS is al bijna even groot als het bbp. In Japan bedraagt de staatsschuld intussen bijna tweemaal het bbp. Dat zijn monsterlijke cijfers. En vrijwel niemand die erover spreekt. Bovendien zijn die amfetaminepillen die nu rondgestrooid worden niet eens betaald. Dat gebeurt straks pas, als hun effecten grotendeels uitgewerkt zijn. Wat dan? Nog meer stimuleringsplannen? Het is niet moeilijk in te zien dat het materieel onmogelijk is om daar alsmaar mee door te gaan.’
We gaan nu dus de eindfase van het kapitalistische systeem in. Wat komt daarna?
'Als dit systeem zijn cyclus van tweehonderdvijftig jaar voltooit, zoals zijn voorgangers, eindigt het rond 2070. Wat daarna komt, weten we niet. Maar we kunnen wel een paar hoofdlijnen van het nieuwe systeem schetsen. In de kern komt het neer op een sublimatie van de wezenskenmerken van het kapitalisme, zoals het individualisme. Het kapitalistische systeem heeft spectaculaire economische groei bereikt op basis van de zoektocht van elk individu naar zijn maximale winst. Koste wat kost, geen prijs was daarvoor te hoog. Wie het goed deed, had succes, de rest zou falen - overigens ook een zeer calvinistische gedachte.
Ik denk dat dit straks niet meer zo zal zijn, onder meer omdat het duur en verkwistend is. Want voor wie succesvol is, werkt het systeem fantastisch. Maar degenen die mislukken? Al hun inspanningen en investeringen zijn zinloos geweest. Zolang de natuurlijke hulpbronnen goedkoop en onbegrensd zijn, is dat voor het systeem als zodanig geen probleem. Maar we weten nu dat dit niet zo is. Net zoals voor het kapitalisme het individualisme een wezenlijk en beslissend element was, zal in het nieuwe systeem het individu slechts van belang zijn in functie van zijn bijdrage aan de groep. Dat klinkt mooi, maar er is een probleem. Het collectief zal alleen goede individuen willen, mensen die goed functioneren, efficiënt en goed opgeleid zijn. Parasieten zal de groep niet willen.’
Dat klinkt onheilspellend voor degenen die economisch niet productief zijn.
'We gaan tijden tegemoet die een andere mentaliteit eisen. Onze huidige ethiek zegt: het is goed om het leven te koesteren en zo lang mogelijk te behouden. Wat er niet bij wordt gezegd, is dat dit goed is voor het bbp. Het genereert omzet. Een gepensioneerde verbruikt aan medische zorg gemiddeld elf maal zo veel als een twintigjarige. Zolang het geloof heerst dat de natuurlijke hulpbronnen onbegrensd zijn, en dat méér consumptie beter is - in zo'n situatie is het goed om het leven zo lang mogelijk te rekken. Het leidt immers tot economische groei.
Natuurlijk kun je dat zo niet zeggen. Dus moet je het verhaal optuigen met ethiek, met religie. Maar nu valt echt niet langer te ontkennen dat de middelen schaars worden. De vanzelfsprekendheid dat het leven koste wat kost zo lang mogelijk behouden moet blijven, gaat op de helling. Artsen zullen zeggen: hier hebben we een meneer van twintig jaar, gezond, en hij heeft zijn heup gebroken. En hier een meneer van negentig met Alzheimer, ook zijn heup gebroken. Nu zal alles in het werk worden gesteld om beiden te opereren. In de toekomst meer. Slechts een van beiden krijgt zijn operatie, en het is duidelijk wie. In Groot-Brittannië kun je iets dergelijks nu al zien gebeuren.’
Is dit een vorm van sociaal-darwinisme?
'Nee, want het uitgangspunt van het sociaal-darwinisme is het individu. Dat weet zich aan te passen aan veranderingen en zo niet, jammer dan. Met deze centrale rol van het individu is het sociaal-darwinisme een typisch product van de kapitalistische filosofie. Wanneer en waar ontstaat het sociaal-darwinisme? In de negentiende eeuw ten tijde van de tweede industriële revolutie en in de Verenigde Staten. Dat is geen toeval, het is een product van zijn tijd en omgeving.
In het nieuwe systeem gaat het om iets wezenlijk anders. Hier staat niet het individu centraal, maar een rationele verdeling van de schaarse middelen. In Groot-Brittannië heeft iemand een bypass nodig. Goed, zegt de dokter. Of nee, helemaal niet goed. Uw cholesterol is te hoog, dat moet omlaag. En u bent trouwens ook te zwaar. Er moet vijftien kilo af. Als het zo ver is, zullen we u opereren. Anders is het risico van complicaties bij de operatie te groot en zal het herstel meer tijd kosten. Dat wordt veel te duur. Komt u maar terug als uw cholesterol en gewicht in orde zijn. De patiënt zegt: ik wíl wel gezonder eten maar ik heb geen geld voor een dieet van groenten en fruit. Jammer, zegt de dokter, maar dat is niet mijn probleem.
Een of twee decennia geleden zou zo'n situatie volstrekt ondenkbaar zijn. En voor veel landen geldt dit nu nog steeds. Maar artsen zullen steeds vaker zulke afwegingen maken. Je kunt ze niet verwijten dat ze de dood van bepaalde patiënten versnellen. Wat ze doen is de schaarse middelen op een rationele wijze gebruiken.’

IN UW BOEK schrijft u dat alle economische systemen vanaf hun ontstaan de kiem met zich meedragen die hun opkomst en hun ondergang verzekert. Welke rol speelt de arbeidsproductiviteit in dit opzicht?
'Het is nu al zo dat twintig procent van de wereldbevolking tachtig procent van de wereldproductie voortbrengt. Steeds minder mensen zijn nodig om hetzelfde te produceren. Jeremy Rifkin heeft berekend dat we deze eeuw het punt zullen bereiken waarop vijf procent van de wereldbevolking de totale productie van de planeet voor zijn rekening neemt. Deze elite heeft een zeer hoge arbeidsproductiviteit. Tegelijk zal een steeds grotere massa mensen overbodig zijn voor de economie. Wat er met hen zal gebeuren? Ik heb geen idee. Het zijn volkomen nieuwe dimensies. We hebben het per slot van rekening over het nieuwe systeem.
De boodschap van het kapitalisme was altijd: iedereen is noodzakelijk. Om te consumeren, belasting te betalen, zich voort te planten et cetera. Nu zien we dat dit niet meer zo zeker is. De Soedanezen die van de honger sterven, gaan dood omdat het systeem ze niet nodig heeft. Dat is de harde werkelijkheid. Ik denk dat weinig mensen Soedan op de kaart kunnen aanwijzen. Voor veel mensen bestaat Soedan dus eigenlijk niet. Maar als we opeens niet-noodzakelijke mensen zien opduiken in Rotterdam, Stockholm, New York of Barcelona, dan krijgt het probleem een andere wending. Want iedereen kan zich bij die steden een beeld vormen.
Op regionaal niveau kun je deze ontwikkeling al zien. De regio Hamburg heeft een bbp per inwoner van 1,6 maal het Europese gemiddelde en twee maal dat van de Duitse deelstaat Brandenburg. Een inwoner van de Parijse regio Île de France produceert drie maal zo veel als iemand uit Bretagne. Nu passen we het solidariteitsbeginsel toe. De harde kantjes gaan eraf. Maar hoe lang nog? Bovendien wordt de economische geografie steeds verfijnder. Als je een stap verder gaat, kun je vaststellen dat binnen de Parijse en Hamburgse regio sommigen drie- of vijfhonderd procent van de rijkdom per inwoner voortbrengen en anderen tachtig of minder. Het wordt zo ook binnen de welvarende regio’s steeds zichtbaarder wie economisch noodzakelijk is en wie niet. Dat heeft onvoorstelbare sociale en politieke consequenties. Heel weinig mensen zullen voorbereid zijn op de keiharde overlevingsstrijd die dit in een situatie van toenemende schaarste met zich meebrengt.’