Essay De actualiteit van Wiardi Beckman

‘Steeds zwaarder drukt de last’

De opkomst van politici als Geert Wilders maakt duidelijk dat het samenbindende vermogen van de traditionele politieke partijen is afgenomen. Nieuw is dit niet. In de jaren dertig worstelde de historicus Herman Wiardi Beckman met hetzelfde verschijnsel.

HOE ZULLEN WE over tien jaar terugkijken op de turbulentie die Nederland sinds de eeuwwisseling in zijn greep heeft? Het is moeilijk te zeggen of er sprake is van een overgangstijd of van een langere periode van stagnatie, misschien zelfs verval. Toch zijn er voorlopig redenen genoeg om te denken dat de democratie zich kan vernieuwen, zoals de historicus Niek van Sas schreef: ‘Nederland is bezig zichzelf andermaal uit te vinden. Net als in eerdere kritieke perioden, zoals rond 1800 en 1900, voltrekt die heruitvinding zich in een karakteristieke dialectiek van eigenheid en openheid.’
Hoe we er later ook naar zullen kijken, vast staat dat de opkomst van het populisme meer is dan een incident. Een aanwijzing daarvoor vormt de herhaling die we nu meemaken. De situatie na de verkiezingen van 2010 lijkt wel erg veel op die van 2002, toen de partij van de vermoorde Pim Fortuyn de tweede partij van het land werd en kortstondig aan de regering deelnam. Maar is er een belangrijk verschil: het gevoel dat we in de tussentijd te weinig zijn opgeschoten laat zich niet meer wegredeneren.
Een andere aanwijzing voor een dieper liggende verandering is dat de Nederlandse ontwikkelingen passen in een Europees patroon: kijk maar naar landen als België, Zwitserland, Oostenrijk, Denemarken, Italië, Frankrijk, Zweden, Polen en Hongarije. Overal zien we partijen die het 'eigene’ en het 'vreemde’ als onverzoenlijk tegenover elkaar plaatsen. Weerstand tegen de eenwording van Europa en tegen de immigratie zijn daar uitingen van. Vergelijkbare populistische bewegingen zien we in Amerika en Australië - de Tea Party en de partij One Nation.
De opkomst van politici als Geert Wilders maakt iets duidelijk: het samenbindende vermogen van de traditionele politieke partijen - christen-democraten, sociaal-democraten en liberalen - is afgenomen. Het electorale aandeel van deze partijen - vooral christen-democraten en sociaal-democraten - brokkelt gestaag af. Sinds 1918 lag het kiezersaandeel van de drie hoofdstromen ergens tussen de tachtig en negentig procent. Waren ze in 1986 nog goed voor 133 van de 150 zetels, daarna ging het bergafwaarts. Bij de laatste verkiezingen resteerde een krappe meerderheid van 82 zetels. Dat het niet meer mogelijk is gebleken om een meerderheidsregering te vormen is geen toeval.
We staan op het snijvlak van twee ontwikkelingen: de sociale en culturele spanningen zijn toegenomen en het vermogen van de klassieke volkspartijen om deze tegenstellingen te overbruggen neemt af. Je zou kunnen zeggen dat de maatschappelijke turbulentie lijkt op die van de jaren zestig, met een groot verschil: de opstandigheid van toen stond in het teken van een zoektocht naar meer vrijheid, nu is het onbehagen vooral een uiting van een verlangen naar meer veiligheid.
Het populisme kan worden gezien als een vorm van protectionisme: een aanmerkelijk deel van de bevolking zoekt naar zekerheid. Veel mensen hebben het gevoel dat een vertrouwde wereld verloren gaat en dat het er niet beter op wordt. Dat vertaalt zich in een conservatieve onderstroom. Het gaat om behoud van sociale verworvenheden van vooral oudere generaties. De vrees voor sociale daling is natuurlijk het sterkst bij degenen die zich net een positie in de middenklasse hebben verworven.
Naast dat sociale protectionisme speelt een cultureel protectionisme. Daarbij gaat het om behoud van wat wordt gezien als een 'nationale identiteit’. En dat laatste is blijkens veel onderzoek een sterker motief om te kiezen voor populistische partijen dan de vrees voor sociale daling. In de woorden van de socioloog Manuel Castells: 'Tegenover elkaar staan een kosmopolitische elite, die in dagelijkse verbinding staat met de gehele wereld, en lokale gemeenschappen die zich terugtrekken in hun eigen ruimte als een laatste verweer tegen de macrokrachten die buiten hun greep hun leven bepalen.’
Terug naar het oude bestel kan niet meer, alle linkse en rechtse retoriek ten spijt. Vooruit is onzeker tasten, waarbij we ons moeten realiseren dat de meerderheid van de bevolking niet bestaat uit ontspannen wereldburgers, maar uit mensen die een plaatsgebonden leven leiden. Dat is de grote kwestie van deze tijd, want het is niet goed wanneer de samenleving steeds verder verdeeld raakt tussen wereldburgers en kleinburgers en tegelijk de kloof tussen laag- en hoogopgeleiden zich verder verdiept.

VEEL VAN WAT WE NU MEEMAKEN is nieuw, maar minder nieuw dan vaak wordt gedacht. Het is opvallend hoezeer de vragen waarmee Herman Wiardi Beckman worstelde betekenisvol zijn voor ons. Natuurlijk, de jaren dertig van de vorige eeuw zijn geheel anders dan het achter ons liggende decennium. En toch. Ook hij schreef in een tijd dat een slecht functionerend politiek bestel leidde tot de opkomst van extreme stemmen. En hij schreef in een tijd waarin opnieuw moest worden nagedacht over de betekenis van de natiestaat, of zoals hij het noemde 'de nationale gedachte’.
Laten we langs deze twee lijnen - het politieke bestel en de natiestaat - de draad van zijn denken volgen. Een beschouwing over vijf en twintig jaar staatkundig leven (1938) vat op een fraaie manier alle problemen van het politieke bestel in Nederland samen. Om te beginnen klaagt hij dat dit bestel steeds minder in staat is 'om politieke vorm te geven aan de veranderingen in de volksovertuiging en aan de snelle sociaal-economische ontwikkeling van onze dagen (…) Steeds zwaarder drukt de last van de onzuivere partij-indeling op de politieke ontwikkeling van ons land.’ Zijn slotsom: 'Ons politieke leven is verstard.’
Daarbij denkt hij allereerst aan de christelijke partijen, die door hun middenpositie een heldere keuze tussen 'links’ en 'rechts’ bemoeilijken. Beckman beschrijft eind jaren dertig de uitputting van deze partijvorming op christelijke grondslag: 'Ze bleven voortleven, toen de schoolstrijd was gewonnen, toen zij hun algemene taak ten aanzien van de plaats van de christelijke volksgroepen in de Nederlandse volksgemeenschap hadden vervuld.’ Dat is een klacht die tot in onze tijd voortduurt, maar lange tijd door de duurzame kiezersaanhang van deze confessionele partijen ook merkwaardig aandeed.
Interessant - en ook in onze tijd relevant - is zijn duiding van de strijd tussen de meer vooruitstrevende en behoudende krachten in de katholieke partij. Zijn stelling luidt: 'Zonder ruggegraat, zonder doorzettingsvermogen toont zich telkenmale de sociaal-vooruitstrevende vleugel van de katholieke beweging.’ En inderdaad kan worden gezegd - uitzonderingen daargelaten - dat de natuurlijke voorkeur van de confessionelen altijd lag bij de liberalen.
Over de liberale partij is hij kort, maar sprekend over de antidemocratische krachten die zich ter rechterzijde hebben geopenbaard in de NSB schrijft hij: 'Door in veel gevallen puur-reactionair te sturen, heeft zij velen van haar kiezers rijp gemaakt voor een overgang naar de NSB.’ Hier zij onmiddellijk gezegd dat de PVV niet de hedendaagse uitgave van de NSB is - Wilders is werkelijk geen Mussert - maar we herkennen het liberale dilemma. Interessant is ook Beckmans vaststelling: 'Zonder de internationale gebeurtenissen zou de NSB als partij in Nederland weinig aanhang hebben gekregen.’
Verder verwijt hij de links-liberalen van zijn tijd - verenigd onder de noemer 'vrijzinnig democraten’ - dat ze zich hebben laten gebruiken voor het rigoureuze financieel-economische beleid onder Colijn: 'Ze hebben zich laten aanmonsteren op de schuit van Colijn en vier jaar lang waren zij gewillige medewerkers onder Colijns bemanning. In 1937 wel zeer slecht voor de goede diensten beloond, zijn zij noodgedwongen tot de oppositie teruggekeerd.’ Over de partij van Van Mierlo en de zijnen zou na de eeuwwisseling ongeveer hetzelfde kunnen worden gezegd.
Ten slotte hebben zijn waarnemingen over de sociaal-democratie ook voor ons een bijzondere betekenis. 'Nog is de sociaal-democratie op meer dan één punt in het defensief; nog duurt het wachten voort, het wachten op een kans.’ Hier hadden kritische kanttekeningen Beckman verder geholpen, want hij legt de verantwoordelijkheid voor de impasse wel erg bij anderen. Maar goed, de diagnose over de defensieve opstelling van de sociaal-democraten is pijnlijk actueel.
Onder deze schets van de partijpolitieke verhoudingen ligt een kritiek op het functioneren van het bestel, dat in de jaren dertig aan kracht won. Eerst schermt Beckman zich af tegen de meer extreme stemmen: 'Laten wij de antidemocraten van rechts en links, die op de grofste wijze op de algemene ontevredenheid speculeren, terzijde, dan moeten wij vaststellen, dat de onrust over deze toestand ook leeft onder de besten van ons volk.’
Onder die besten rekent hij zijn leermeester Johan Huizinga, maar ook een andere historicus, Jan Romein. De laatste had gesproken over het gegeven dat de partijen steeds meer vervreemden van 'de behoeften der massa’. Huizinga op zijn beurt slaat een scherpere toon aan: 'Feitelijk werkt dit partijstel reeds lang niet meer. (…) De volkswil kan zich evenmin spontaan vormen als uitspreken of doorzetten.’ Een deel van zijn grieven geldt het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging en Beckman valt hem bij.
Zo herkennen we de configuratie van onze tijd, waarbij niet alleen de verhoudingen tussen de drie grote stromingen niet echt zijn gewijzigd, maar ook de klachten over het bestel als geheel ons vertrouwd in de oren klinken. Daarmee is allereerst gezegd dat de klaagzang over de democratie onderdeel is van een levendig bestel dat in weerwil van alle problemen toch bijna een eeuw lang een vreedzame en welvarende samenleving mede heeft vorm gegeven.
Tegelijk zien we in onze tijd dat het aandeel van de drie hoofdstromen sinds de invoering van het algemeen kiesrecht nog nooit zo klein is geweest. De ontzuiling heeft zijn beslag gekregen, en zoals Beckman in de jaren dertig de moderne sociaal-democratie uitvond, is nu een nieuwe doorbraak onontkoombaar geworden. De klassieke sociaal-democratie moet opgaan in wat omschreven kan worden als een ontzuilde hervormingspartij.
Vasthouden aan oude vormen en gedachten helpt niet, maar de zorg is dat het einde van het driestromenland de ruimte biedt aan een modern populisme. Dat kan ook op een andere manier worden gezegd: misschien is de natiestaat wel de laatste zuil. Het risico is aanwezig dat na de ontzuiling een nationale identificatie de sterkste oriëntatie zal blijken te zijn. De gedachte dat we in een postnationale tijd leven schiet alleen al om die reden te kort. Vooralsnog ligt het zwaartepunt van het democratische leven binnen de landsgrenzen.
Wie die grenzen wil overschrijden - en daar is natuurlijk alle reden voor - doet er goed aan te beseffen dat er grenzen zijn. Het vermogen om de integratie binnen Europa verder vorm te geven is mede afhankelijk van het vermogen tot integratie binnen de afzonderlijke lidstaten. Telkens opnieuw blijkt dat burgers die weinig vertrouwen hebben in hun eigen democratie ook met wantrouwen kijken naar Europa.

BEHALVE IN ZIJN HELDERE waarnemingen over de problemen van ons politieke bestel ligt de actualiteit van Beckman dan ook in zijn beschouwingen over wat hij omschreef als 'de nationale gedachte’. Ook hier geldt natuurlijk: andere tijden, andere woorden. En toch, wat hij in De sociaal-democratie en de nationale gedachte (1935) en in twee beschouwingen in bezettingstijd - Onszelf blijven (1940) en Geschiedenis als opdracht (1941) - schreef, is betekenisvol voor deze tijd. Dat heeft vooral te maken met de wijze waarop hij twee verleidingen weet te vermijden: de verwerping van de natiestaat uit naam van een ondoordacht internationalisme en tegelijk de kritiekloze omarming van de nationale gedachte.
Interessant is zijn verweer tegen de ook nu vaak gehoorde opvatting dat nationale grenzen de uitkomst zijn van toevallige omstandigheden en daarom geen politieke of morele betekenis horen te hebben. 'Moge dan al aan de oorsprong van onze nationale grenzen een element van willekeurigheid niet vreemd zijn (…) Deze grenzen zijn daarom niet minder een realiteit; zij hebben nadien een dwingende betekenis verkregen, omdat binnen deze begrenzing het leven van het Nederlandse volk zich heeft afgespeeld, de historische lotsgemeenschap is gegroeid.’
Het gevoel voor verhoudingen dat Beckman aan de dag legt blijkt vooral uit zijn beschouwingen in bezettingstijd. Waar zwart en wit voor de hand ligt, blijft hij zijn woorden zorgvuldig kiezen. Hij bouwt verder op zijn ideeën van de jaren dertig wanneer hij zich bekent tot 'de hechte verbondenheid tussen de zonen van één vaderland’. Maar kenmerkend zijn de zinnen die hij er onmiddellijk op laat volgen: 'Er waren er in ons land, die de beslissende betekenis van de nationale verbondenheid niet voldoende erkenden; er waren anderen, die zo vaak en zo gemakkelijk met de vaderlandsliefde verkeerden, dat de diepere zin schuil ging onder al te vlot herhaalde woorden.’
Daarmee is de kern van zijn houding gegeven. Beckman gaat terug in de geschiedenis en stelt vast dat de geestes- en gewetensvrijheid in de republiek verhoudingsgewijs goed gewaarborgd was. Maar hij stelt direct vast dat deze vrijheidszin altijd 'eenheid-in-verscheidenheid’ met zich meebrengt. 'Deze geestesgesteldheid moge op vele gebieden de uiterlijke verdeeldheid in de hand werken, zij is tenslotte het bindende element.’ Dat werkt hij niet verder uit, maar de vrijheid staat voorop: 'Het zou volstrekt onmogelijk zijn, alle Nederlanders te dwingen in één geestelijk uniform.’
Hij karakteriseert dit pluralisme als de botsing van erasmiaanse en calvinistische houdingen: 'Zij beiden, de “rekkelijken” en de “preciesen”, zij hebben gezamenlijk de Republiek groot gemaakt en het Nederlandse volkskarakter gevormd.’ Nu zijn termen als 'volkskarakter’ achterhaald en ook over 'nationale identiteit’ is het beter om met de nodige relativering te spreken. Wie terugkijkt in de geschiedenis ziet natuurlijk hoezeer Nederland alleen al de laatste vijftig jaar is veranderd. Ook Beckman stelt vast dat 'wie met het begrip verdraagzaamheid van de twintigste eeuw gaat werken’ al snel tot de slotsom komt dat 'het op het Holland van de zeventiende eeuw niet past’.
Deze toe-eigening van het nationale erfgoed en vooral ook de bezettingstijd waarin deze woorden zijn geschreven maken een werkelijk kritische houding ten opzichte van de geschiedenis moeilijk. Zo missen we de koloniale tijd en alles wat dat voor de vereenzelviging van het verleden met vrijheidsdrang betekent. Toch ontbreekt de kritische zelfbespiegeling niet: 'Bij de Nederlandse vrijheidszin behoort de verdraagzaamheid. En opnieuw wil ik grif toegeven, dat in onze geschiedenis de verdraagzaamheid maar al te vaak met voeten is getreden.’
Beckman verzet zich tegen de gedachte dat zijn gehechtheid aan de 'nationale gedachte’ een conservatieve houding zou zijn. Beter nog, hij draait het verwijt om: 'Goed, dan zijn miljoenen Nederlanders “conservatief”, en dan stellen wij daar een eer in.’ Maar daar schuilt wel een levensgroot probleem achter. De vereenzelviging van de arbeidersbeweging met de natie is de geschiedenis van een emancipatie die uiteindelijk later in de twintigste eeuw zo geslaagd is dat daarmee de historische rol van de sociaal-democratie voltooid lijkt te zijn. En inderdaad: de behoudzucht loopt inmiddels dwars door de partijpolitieke verschillen heen.
Midden jaren dertig vindt hij de woorden om de sociaal-democratie te verzoenen met de nationale gedachte: 'De arbeiders hebben verovering op verovering gemaakt; zij hebben politieke rechten verkregen; zij hebben het levenspeil een stuk beter weten te maken dan het in de jaren van het ongebreidelde kapitalisme was.’ Dat heeft gevolgen: 'Zij zijn daarmee ingegroeid in de natie. Met iedere nieuwe verovering en met iedere hervorming, die zij bereikten, ging dit proces verder.’
En nu, meer dan zeventig jaar later, kunnen we zeggen dat deze verheffing goeddeels is geslaagd. Daarop loopt het werk van Beckman vooruit. Maar wat zijn de gevolgen van deze 'ingroei in de natie’? Het valt op dat het populisme sterk is in de landen waar de belofte van gelijkheid het meest is verwerkelijkt. En daarom blijft de vraag actueel: is de geslaagde emancipatie niet omgeslagen in een nationale behoudzucht, die geen goed antwoord vormt op een wereld waar landen steeds meer vervlochten raken?

ZOALS GEZEGD staan we - net als in de tijd waarin Beckman schreef - op het snijvlak van twee ontwikkelingen: groeiende maatschappelijke tegenstellingen en een afnemend vermogen tot integratie van de traditionele parijen. Beide ontwikkelingen versterken elkaar. We maken het einde mee van het partijenbestel zoals we dat kenden, juist omdat de klassieke emancipatoire doelstellingen goeddeels zijn verwerkelijkt. Het dalende peil van het driestromenland kan niemand ontgaan.
De grote maatschappelijke vragen van deze tijd passen niet meer in de ideologische tegenstellingen van eind negentiende eeuw. De hele links/rechts-deling is door elkaar gehusseld. Voorbeelden zijn er genoeg: is het links of rechts om tegen de Europese grondwet te stemmen? Dat is moeilijk te zeggen, voor- en tegenstanders zijn op alle vleugels van de politiek te vinden. Ander voorbeeld: bij de verhoging van de pensioenleeftijd kan het gebeuren dat populisten en de vakbeweging ineens aan dezelfde kant staan. Dat geldt ook voor het immigratiebeleid, want de ondernemers willen graag meer immigratie van laaggeschoolden, en ook de Groenen zijn voor een minder selectief beleid. Het geeft toch te denken dat de werkgevers bezorgd zijn over Wilders (en dat ook luidkeels kenbaar maken), terwijl de vakbonden zwijgen uit angst voor ledenverlies.
We maken het einde mee van het traditionele partijenbestel. En dus heeft de voormalige links-liberale leider, Hans van Mierlo, zijn grote gelijk gekregen. We beleven een langzame, maar wel zekere erosie van het bestel. Dat is niet het hele verhaal. We moeten ook de achterkant van zijn gelijk zien, want niet het pragmatisme zet nu de toon maar het populisme. Van Mierlo was een voorloper die vooralsnog het nakijken heeft.
De links/rechts-deling klopte in Nederland al nooit helemaal door de eigen positie van de confessionele partijen, maar nu moeten we op z'n minst spreken van een vierhoek: liberaal rechts en conservatief rechts, liberaal links en conservatief links. En het is lang niet zeker of de gelijkgestemdheid ter linker- en rechterzijde groter is dan die van conservatieven en liberalen aan beide kanten. En ook die vierhoek beschrijft niet werkelijk het gefragmenteerde politieke landschap, want zeker binnen alle gevestigde partijen zien we deze tegenstellingen terug.
Links is niet meer links, rechts is niet meer rechts en daarom is het midden de weg kwijt. Het gaat er niet om vast te houden aan de klassieke volkspartijen, maar wat ervoor in de plaats lijkt te komen zijn vooral eenpersoonspartijen of one-issuepartijen. Misschien is dat nog de enige manier om na de ontzuiling enige samenhang te suggereren. Die partijen hebben natuurlijk hun plaats in een levendige democratie, maar de kwestie is of ze ook kunnen bijdragen tot een maatschappelijke integratie. Anders gezegd: kunnen ze de functie van de volkspartijen op een nieuwe manier voortzetten of gaat er iets wezenlijks verloren?
In landen als Italië, maar ook in Vlaanderen is het vacuüm dat is getrokken door het verval van de sociaal- en christen-democraten vooral gevuld door regionaal of nationaal egoïsme. Laten we vooral kijken naar Italië. Dat land is geen exotische afwijking, maar misschien wel het voorland van de Europese democratie. In de vrolijke anarchie van Italië staan democratie en rechtsstaat verregaand onder druk.
Net zoals Wiardi Beckman in de jaren dertig zocht naar een nieuw politiek bestel en naar een nieuwe verhouding tot de natiestaat staan we nu opnieuw voor een paradigmawisseling. Het is een open vraag of zo'n heroriëntatie zal lukken binnen de oude partijen. Waarschijnlijk is dat niet. De nieuwe breuklijnen in de samenleving brengen andere partijen voort die nu al bijna de helft van de kiezers aanspreken. Het ligt in de verwachting dat op den duur een ontzuild partijenlandschap zal ontstaan zonder de klassieke volkspartijen.
Hoe het ook zij, de kwestie blijft hoe kan worden voorkomen dat de samenleving steeds verder verdeeld raakt tussen laag- en hoogopgeleiden, tussen zelfverklaarde wereldburgers en kleinburgers. We zien de hang naar afsluiting en weten niet goed hoe daarop moet worden gereageerd. Voorbeelden zijn er genoeg: er bestaat geen overtuigend idee over de immigratie als onderdeel van de samenleving. Wat ook ontbreekt is een verhaal over Europese integratie als bescherming van de nationale democratie. Behoefte bestaat aan een beeld van Nederland - om het in de woorden van Beckman te zeggen - dat op een eigentijdse manier de 'historische lotsgemeenschap’ vormgeeft. Daarbij staat een vrijheidsideaal voorop: 'Het zou volstrekt onmogelijk zijn, alle Nederlanders te dwingen in één geestelijk uniform.’
Nederland heeft zich door de eeuwen heen als open economie ontwikkeld. Ook in cultureel opzicht valt weinig te winnen door met de rug naar de buitenwereld te gaan staan, als zoiets al mogelijk zou zijn. Maar die vaststelling voldoet niet: de globalisering vraagt om openheid én bescherming. Te vaak wordt gezegd: als we niet meegaan in de vaart der volkeren dan worden we een 'museum’. Eigenlijk hebben we niets te kiezen. Mocht dat waar zijn, dan kan het niemand verbazen dat de democratie in diskrediet raakt.
De vertrouwensvraag is gesteld. Antwoord moet worden gegeven op de behoefte aan sociale bescherming. Dat vraagt niet om vasthouden aan het bestaande, maar om een hervorming van de verzorgingsstaat die betrouwbaar en voorspelbaar is. Er is te weinig een stabiel beeld aan mensen voorgehouden. De gevolgen van de vergrijzing zijn bekend en vragen om duurzame antwoorden. Gebruiken we de crisis om tot een werkelijke heroverweging te komen? Hoe kan de sociale zekerheid meer dan nu het geval is de emancipatie bevorderen?
Verder moet de hang naar culturele afsluiting worden beantwoord. Ook hier is behoudzucht nooit het enige antwoord. Verhalen zijn nodig waarin erfgoed en openheid samengaan. De verbeelding van een gemeenschap van burgers - met inbegrip van één op de vijf inwoners die hun wortels elders hebben - is een dringende opgave. Wil de groeiende vervreemding worden tegengegaan, dan moet de nadruk niet alleen liggen op het hier en nu, maar juist op wat er aan ons vooraf is gegaan en wat er na ons komt. Burgerschap heeft namelijk alles te maken met het gevoel deel uit te maken van een doorgaande geschiedenis, een geschiedenis die natuurlijk op uiteenlopende manieren kan en moet worden uitgelegd.
Zonder Europese eenwording zijn deze vragen niet meer te beantwoorden. Maar over welk Europa spreken we dan? Als het goed is vormt het de beschermende buffer waarmee we de schokken van de globalisering kunnen temperen om greep te houden op de inrichting van de eigen samenleving. Integratie in Europa is per saldo soevereiniteitswinst. Dat was al vanaf de oorlog zichtbaar: de nationale staten hebben zich juist door de integratie en de gezamenlijke markt versterkt.
De democratieën dreigen uitgeput te raken en daarom moet de Europese eenwording de levensvatbaarheid van de nationale staten vergroten. Die dragen immers het geheel. Alleen wanneer duidelijk is dat bovennationale samenwerking uiteindelijk het streven naar zelfbeschikking dient, zal de integratie duurzaam op publieke steun kunnen rekenen. Anders gezegd: waneer duidelijk is dat de Unie ten dienste staat van de lidstaten zal het unieke proces van toenadering en vervlechting in Europa burgers motiveren. Vooralsnog fungeert de Unie onvoldoende als zo'n beschermende laag en ook daarom is de onzekerheid zo groot.
Het politieke en maatschappelijke midden is te veel meegegaan met de gedachte dat de maatschappij een marktplaats is. Zeker, de samenleving is minder maakbaar dan in de jaren van de wederopbouw werd gedacht, maar is veel meer maakbaar dan in de jaren van de privatisering werd aangenomen. Die conclusie kunnen we wel trekken uit de kredietcrisis. Dat is een heilzame ervaring wanneer de schok van de globalisering wordt gebruikt om de samenleving te verbeteren. Meer nog dan om hoe we de boel bij elkaar houden, gaat het erom hoe we de boel bij elkaar brengen. Zo'n heroriëntatie - waarbij 'eigenheid’ en 'openheid’ op een nieuwe manier worden verbonden - is dringend nodig. Anders is het niet uitgesloten dat we ons deze jaren niet zullen herinneren als een overgangstijd maar als een periode van verval.


Herman Bernard Wiardi Beckman (1904-1945) was in de jaren dertig een van de belangrijkste sociaal-democraten die het Nederlandse socialisme een nieuwe richting gaven. Hij kwam uit een artsengezin, maar werd vooral door zijn moeder wel met een groot sociaal plichtsgevoel opgevoed. Al in zijn gymnasiumtijd was hij een overtuigd aanhanger van Troelstra’s SDAP. Hij studeerde geschiedenis in Leiden bij Johan Huizinga. Intussen stond hij Troelstra bij in het schrijven van diens gedenkschriften. Na zijn studie koos hij voor de politiek. Eerst als jong assistent-hoofdredacteur van Het Vrije Volk (en de andere bladen van De Arbeiderspers), vanaf 1937 als hoofdredacteur en lid van de Eerste Kamer. Wiardi Beckman was de belangrijkste auteur van het in 1937 aanvaarde nieuwe Beginselprogramma van de SDAP. In het partijbestuur was hij, samen met Vorrink en Banning, de man van radicale ideologische vernieuwing.
Tijdens de Duitse bezetting was hij nauw betrokken bij het verzet en de illegale pers. In 1942 werd hij door de Duitsers gearresteerd en kwam hij, via Natzweiler, in Dachau terecht, waar hij overleed.


Dit is een voorpublicatie uit Onszelf blijven: H.B. Wiardi Beckman, baanbreker van de moderne sociaaldemocratie, Frans Becker, Menno Hurenkamp en Paul Scheffer (red.), Bert Bakker, € 18,95. Onszelf blijven wordt op 18 februari om 16.00 uur gepresenteerd in café Dudok in Den Haag, met onder anderen Paul Scheffer en Jolande Withuis