Roger Hiorns brengt, als Joseph Beuys, kunst tot leven

Steek je hand in een vriezer en verlang naar blauwe sneeuw

De jonge Brit Roger Hiorns schilderde in De Hallen Haarlem al eens met zaadcellen en kiest in zijn eerste Nederlandse solotentoonstelling opnieuw voor veel leven in de brouwerij. Betekent schilderen met hersenen het failliet van de westerse beschaving?

De wijzers van de klok bij de ingang van De Hallen Haarlem wijzen 10.10 uur aan, de tijd die horloges altijd aanwijzen in reclames, omdat de wijzers dan naar je zouden glimlachen. Maar bij De Hallen is het glas van de klok wat beslagen waardoor de wijzers en cijfers vervaagd zijn. Bij een bezoek aan een tentoonstelling van Roger Hiorns moet je op je hoede zijn. In 2009, bij de groepstentoonstelling The Knight’s Tour, liepen bezoekers nietsvermoedend onder de tl-buizen in De Hallen door, die Hiorns (1975) had ingesmeerd met sperma. Een ‘allesomvattende sculpturale aanwezigheid’, noemde curator Xander Karskens dat werk in de bijbehorende publicatie. Drie jaar later is de Britse kunstenaar uitgegroeid tot een beroemdheid. Hij werd genomineerd voor de prestigieuze Turner Prize van 2009 door negentigduizend liter koper­sulfaatoplossing in een leegstaande Londense flat te pompen (Seizure, 2008). Een chemisch wonder voltrok zich toen het kopersulfaat uitgroeide tot blauwe kristallen, die bezit namen van de wanden, de vloer en het plafond. De woning, die op het punt had gestaan gesloopt te worden, transformeerde tot een grot van Yves Klein-blauw, met dagelijks honderden mensen voor de deur voor een bezoek. De Hallen Haarlem biedt Hiorns deze winter zijn eerste solo­tentoonstelling in Nederland.

De beslagen klok is verdacht. Sperma?

Nee, hersenen, vermeldt een bordje.

De historische benedenzaal van het museum op de Haarlemse Grote Markt lijkt wel een uitdragerij. Tussen de pilaren staan plantsoenbankjes, steriele rvs-keukentafels en een auto- en vliegtuigmotor opgesteld. ‘Deze tentoonstelling bevat naaktmodellen’, waarschuwt een A4’tje op de deur. Maar voor naaktmodellen moet je wel je best doen, want alleen in het weekend vindt er eens per uur een performance plaats. Orgelmuziek zwelt dan aan en een jongeman wandelt de zaal binnen. Hij doet een hoopje vuurstenen ontvlammen op een van de bankjes, de motoren of de tafels, doet al zijn kleren uit en neemt bijvoorbeeld op de vliegtuigmotor plaats. De lijnen van zijn tenen, ruggengraat en billen lopen naadloos over in de stangen en kabels van de motor. De jongen staart in de vlammen. Het naakte, ademende lichaam wekt de machine op een geraffineerde manier tot leven, terwijl de potentiële kracht van het apparaat flirt met zijn eigen mogelijke dood. Langzaam dooft het vuur, de jongen zucht, staat op en kleedt zich aan.

Vliegtuigmotoren – dat zijn ook de machines die in de Tweede Wereldoorlog niet konden voorkomen dat Joseph Beuys in zijn bommenwerper na beschietingen in het onherbergzame landschap van de Krim stortte. Bijna dood­gevroren werd Beuys gevonden door nomadische Tataren, die zijn lichaam insmeerden met vet, in vilten dekens wikkelden en hem zo redden van de dood. Althans, dat is het verhaal dat de Duitse kunstenaar later bij zijn sculpturen van vet en vilt zou vertellen en dat door kunst­historische handboeken is overgenomen. Over het waarheidsgehalte is getwist, Beuys (1921-1986) zou zijn eigen mythe zorgvuldig uitgedacht hebben. Zijn leven lang droeg hij een vilten hoed. De Hallen toont twee van Beuys’ legendarische installaties om wat kunsthistorische context aan de werken van Hiorns te geven.

Voglio vedere le mie montagne (1971), afkomstig uit de collectie van het Van Abbemuseum, is een kamerinstallatie. Rondom een laag hangen­de lamp die een lap vilt beschijnt staan een bed en een kledingkast, verbonden door stalen platen, omringd door spiegels, een zelfportret van Beuys en een geweer aan de muur. De objecten zijn met Keltische, Duitse en Reto-Romaanse teksten beschreven en in de hoeken van de installatie staan potten met gelatine. Het wordt nog gekker. Voglio vedere le mie ­montagne betekent in al dan niet opzettelijk slecht Italiaans ‘Ik wil mijn bergen zien’, wat weer de laatste woorden van de schilder Giovanni Segantini geweest zouden zijn op zijn sterfbed in de Alpen.

Stapelkunst zou je Beuys’ installatie kunnen noemen. Letterlijk in de stapelingen van organisch en levenloos materiaal waarmee hij kwesties over dood en leven, over warmte en bescherming, wilde opgooien. De figuurlijke stapelingen zijn zonder encyclopedie helaas volledig onnavolgbaar (Segantini? Reto-Romaans?). Gelatine is in ieder geval een eiwit dat wordt getrokken uit het bindweefsel van zoogdieren, en met dit procédé houdt ook Hiorns zich in de bovenzaal van De Hallen veelvuldig bezig. Een reeks vierkante schilderijen die hier hangt blijkt Hiorns met het vocht van koeienhersenen te hebben beschilderd. Het schijnt dat Hiorns het abattoir bezoekt om tegen koeien te kunnen praten, vlak voordat ze geslacht worden, om op het laatste moment van hun leven deel van hun brein uit te maken. Hij signeert zijn schilderijen vervolgens met een onzichtbare handtekening, verwerkt in het gelige hersenvocht van de koe. Tussen deze lugubere werken staat een vriezer met een bordje ‘Dit bordje verwijderen alvorens je hand in de vriezer te steken.’ Een ijskoude hand voelt lekker gedesinfecteerd.

Twee sculpturen hangen in het midden van de zaal aan een kabel uit het plafond. Het zijn torens van keramiek en roestvrij staal die een conische wolk van badschuim ontwikkelen. Als de zeeptoren te hoog wordt vallen de schuimkoppen op de vloer. Een serie piepschuimen sculpturen (eveneens van hersenen voorzien) toont abstracte liefdesscènes, waartegen de schuimwerken als producerende fallussen afsteken. Het is nog altijd 10.10 uur, toont een besmeurde klok in een hoek van de zaal.

En zo groeit, borrelt en rot de tentoonstelling nog even door. Twee motoren, een lamp en een paar schoenen staan begroeid met koper­sulfaatkristallen blauw te schitteren. Op de grond ligt een hoopje met 165 blauwe contactlenzen. De onevenheid van het getal fascineert, hoe ziet de wereld er met één blauwe contactlens uit? Alchemist geeft zijn kunstwerken een huid, hersenen, lichaamssappen en een visie en blaast ze leven in. De vloer krijgt ogen, de motor een lichaam, de schilderijen krijgen hersenen. Na de daad trekt de kunstenaar zijn handen van de bezielde creaties af en laat ze achter voor de fantasie van de bezoeker. Deze wordt met bordjes opnieuw gewaarschuwd, nu voor ‘vallende munten’ en ‘magnetische straling’. Inderdaad vallen er muntstukken uit de lucht. Pak je een munt op ­– dit doe je alleen voordat je weet dat ze in hersenen gedrenkt zijn – dan zie je dat een deel van de koperlegering is vervangen door een doorschijnend materiaal. Hersenen dus, en hars. De Amerikaanse geldstukken die elders uit de lucht vallen zijn schoon, maar Hiorns stanste het woord ‘God’ uit de tekst op de dollars. Een god hebben deze kunstwerken niet nodig.

Ook Beuys bracht zijn kunst tot leven. Hij liet zich vijf dagen met een coyote in een New Yorkse galerie opsluiten, gewikkeld in een zware vilten deken. Zijn bekendste optreden is waarschijnlijk zijn rondgang met een dode haas door Galerie Schmela in Düsseldorf in 1965, Wie man dem toten Hasen die Bilder erklärt. Met zijn hoofd ingesmeerd met honing en bladgoud nam Beuys geduldig de schilderijen met het dode dier door. Als een ‘sociale sculptuur’ becommentarieerde hij de moderne mens. Beuys’ Fluxus-performances rekten het begrip van ‘kunst’ op en zetten een essentiële stap voor de kunstenaars van vandaag. Zonder Beuys’ verhalen aan een dode haas zou Hiorns geen blote mannen op een vliegtuigmotor of keukentafel hebben kunnen plaatsen. Maar vet en hars, vilt en kopersulfaat, een dode haas en koeienhersenen: de kunsthistorische ‘context’ die Beuys het werk van Hiorns moet geven is er een van het kaliber Georges Seurat en Damien Hirst. Omdat ze allebei zo van stippen houden. Te makkelijk, te weinig uit­gediept. De overeenkomst in liefde voor materiaal is eenvoudig gelegd, maar de vuurtjes van Hiorns houden net even minder warm dan de ontroerende dekens van Beuys.

Hiorns mag dan bijna Engelands belangrijkste kunstprijs gewonnen hebben (Richard Wright won dat jaar), zijn werk wordt op blogs ook wel als belichaming van het ‘failliet van de westerse samenleving’ afgeserveerd. Het oog wil voor vele kunstliefhebbers namelijk ook wat en krijgt van deze kunstenaar vooral viezigheid, en dan ook nog eens immer zonder titel. De beweging van kunstwerken om je heen voelen, bewust de geur van zeepsop opsnuiven, je hand in een vriezer steken en naar het gekletter van geld luisteren – dat zijn geen alledaagse ervaringen. Maar toch ook geen geestdodende. Bezoekers blijven gebiologeerd om de schuimkoppen en hersensculpturen heen dralen en fotograferen de blauwe motoren vanuit alle mogelijke hoeken. De met kristallen overgroeide sportschoenen zien eruit alsof ermee door blauwe sneeuw is gestruind, en wie verlangt daar nu niet naar?

De camera’s en de uitroepen van afschuw, die zo nu en dan door de ruimte klinken, laten de kunstwerken koud. De naakte jongen is onverstoorbaar in zijn vuur verzonken. Hiorns’ kunstwerken hebben niet alleen geen kunstenaar en geen god nodig, maar bestaan ook zonder hun toeschouwers. Hiorns voerde de werken met zeep, vuur, magneten en chemie en als zeehonden in het Dolfinarium doen ze hun trucjes.

De enige die uit zijn rol valt, is de bezoeker zelf. Die kijkt en aanschouwt niet meer alleen – die wil de blauwe kristallen aanraken, de munten in zijn zak stoppen en de naakte jongen in zijn ogen kijken. Noem dat maar failliet.


Roger Hiorns, Joseph Beuys, t/m 24 februari, De Hallen Haarlem, Grote Markt 16, dehallen.nl