Steengoede feeks

Elisabeth Schwarzkopf (1915 – 2006)

Een jaar of tien geleden interviewde ik de van oorsprong Duitse stersopraan Elisabeth Schwarzkopf (1915 – 2006), die vorige week op negentigjarige leeftijd overleed. Al hoort zo’n zeldzame ontmoeting met een ster de echte journalist in feeststemming te brengen, ze leek me geen gezelschap om naar uit te kijken. Niet alleen gold mevrouw als onhanteerbaar dominant, ze was bovendien goed fout geweest in de oorlog, waarschijnlijk precies zo fout als nodig was om in nazi-Duitsland een glanzende carrière op stoom te brengen. Lid van de nsdap, Führerin van de nsdap-studentenbeweging in het Berlijn van de jaren dertig, het opgetogen Heil Hitler! waarmee de jonge blonde blom haar brieven tekende: allemaal symptomen van licht haperende morele maatstaven, dan wel de gloeiende ambitie bij de Deutsche Oper in Berlijn zo spoedig mogelijk tot primadonna uit te groeien, wat al dan niet met steun van hooggeplaatste nazi-functionarissen uitstekend lukte.

Na twee jaar buffelen in kleine rollen glorieerde ze in het Berlijn van 1940, 25 jaar oud, al als Adele in Die Fledermaus en als Zerbinetta in Ariadne auf Naxos. Een jaar later stond ze in Parijs, geflankeerd door een keur aan hooggekwalificeerde medecollaborateurs, met Grote Kunst de culturele zegeningen van het Derde Rijk te slijten aan de Fransen. Weer als Adele in Die Fledermaus, in het Palais Garnier.

In een alleszins keurige biografie, die van de Brit Alan Jefferson, stonden de naargeestige details over haar oorlogslevenswandel zwart op wit. Toen ik haar sprak, was het boek nog maar net op de markt. Niets had als gespreksthema meer voor de hand gelegen dan de brandende kwestie hoe een van de grootste uitvoerende musici van de twintigste eeuw zich verhield tot de relatie tussen kunst en moraal. Je moet het tenslotte ergens over hebben, en over haar muziek ben je snel uitgepraat.

Grootste Strauss-vertolkster, grootste Wolf-vertolkster, groot Mozart-vertolkster, lyrische sopraan uit duizenden, ontroerend niet zozeer door haar gevoelsgehalte als haar ijzingwekkende beheersing van onwillig, onvoorspelbaar materiaal: de stem. Huilen doe je niet, wanneer je Schwarzkopf de Letzte Lieder van Strauss hoort zingen. Huilen doe je om Gundula Janowitz. Toch luister je volstrekt geobsedeerd naar die gepolitoerde, strakke klank, die onvoorstelbare afwerkingsgraad van intonatie, dictie, toonvorming en al het andere, het wezenlijke waarvoor geen woorden zijn. Koud? Wat heet. Ze is de Karajan van haar métier. Alle legitieme bezwaren ketsen af op het voldongen feit van een in alle opzichten objectieve grootheid. Ze leek op hem, met wie ze niet voor niets zo lang en vruchtbaar samenwerkte: beiden behoorden ze tot de Sonderkategorie van technocratische muziekgenieën, die op een kompas van analytisch inzicht reiken tot dezelfde hoogten als gevoelsmensen op een dieet van hart en ziel. Glenn Gould was er ook zo een.

De plaats van handeling was een intimiderend grote suite van het Amstel Hotel. Schwarzkopf was naar Nederland gekomen om een Edison voor haar complete discografie in ontvangst te nemen. Het was half twaalf ’s ochtends, maar de champagne stond al koud. Als mijn herinnering me niet bedriegt, bood ze me met haar fascinerende, verschroeiende uitbundigheid een glas aan. Op de bank zat een meegereisde vriendin van Schwarzkopf, een verschrompeld Deens kruidenvrouwtje dat ze Lili noemde. Naar haar achternaam heb ik niet durven informeren.

Ik vroeg niet naar de oorlog, niet direct. Het leek me onverstandig om een lichtgeraakte diva op de kast te jagen met een kruisverhoor. Ik vroeg haar naar die andere, even verbazingwekkende daad van collaboratie: haar huwelijk met de Britse Hugo Wolf-specialist en emi-producer Walter Legge, een briljante rotzak die haar eigenhandig tot de grootste zangeres van na de Tweede Wereldoorlog had gekneed, en die haar tot zijn dood in 1979 in zijn bekwame greep hield. Hij had haar in 1946, toen hij als talentenjager door Europa trok om met zijn feilloze instinct voor meesterschap het ene na het andere muziekgenie te contracteren voor het Columbia-label, in Wenen ontmoet en haar op een feest onmiddellijk een opnamecontract aangeboden.

Schwarzkopfs antwoord maakt met terugwerkende kracht duidelijk wat «moraal» voor deze zangeres betekende: een ijskoud eergevoel, tenminste op het artistieke territorium. Ze hapte niet, zoals in haar plaats iedere streber zou hebben gedaan. Ze gaf Legge te verstaan dat ze eerst uitvoerig voor hem wilde auditeren, totdat hij zeker wist dat hij geen «kat in de zak» zou kopen. Die auditie kwam er, in aanwezigheid van Herbert von Karajan, de andere besmette ster die Legge in het Weense voor zijn platenfirma wist te oogsten.

Als het gegaan is zoals het in de boeken staat beschreven, maakt het verslag van die gebeurtenis in één klap duidelijk wat de Wolf-kenner en de uitverkoren Wolf-zangeres voor elkaar bestemde: de absolute toewijding aan de Hogere Machten van de muze, ten koste van alles. Legge tartte zijn toekomstige echtgenote tot het uiterste. Hij liet haar eindeloos schaven aan een lied van Hugo Wolf, Wer rief dich denn? «He made her go on and on», schrijft Jefferson, «particularly with the last phrase, colouring it in different ways, encouraging her to find the best expression, not letting up himself nor allowing her to rest.» Het hoogtepunt van de scène is het moment waarop het zelfs de jonge Karajan teveel wordt: «Eventually, Karajan could bear it no longer. He accused Legge of being a sadist, adding, ‹I told you weeks ago that she is potentially the best singer in Europe›, and left in disgust.»

Niet Schwarzkopf. Die hield het nog een heel uur met hem vol, bleef even coöperatief als «marvellously responsive», gaf geen kik en demonstreerde haar volstrekte onverstoorbaarheid door na afloop van haar sessie Legges overgebleven auditiekandidaten aan de piano te begeleiden, want dat kon ze natuurlijk ook.

Na zijn dood was ze onmiddellijk met zingen opgehouden, zoals ze na de oorlog onmiddellijk was opgehouden fout te zijn. Ik vroeg waarom. Ze zei: ik ben een volgzaam iemand, ik heb altijd alleen gedaan wat men van mij verwachtte. Na afloop zei ze: «Het was een mooi gesprek. U hebt mij uitgedaagd.»

Een prachtige uitspraak, want dat had ik nu juist niet gedaan. Ik had het oorlogsthema ongezegd boven de markt laten zweven, en toch een volledige bekentenis gekregen. Een volgzaam iemand: dat was haar antwoord op de vraag die ik niet gesteld had. Ik kreeg het omdat ik zo beleefd was geweest hem niet expliciet te stellen maar hem voelbaar in het midden had gelaten. Daarom vond ze dat ik haar had uitgedaagd. Zoiets kan alleen met een operazangeres die vijftig jaar in opera’s van Richard Strauss de waarheid heeft gelogen.

Ook mooi was wat er gebeurde toen ik haar na afloop vroeg of ze het interview voor publicatie wilde lezen. Ik hechtte aan autorisatie, omdat ik voelde dat ik prachtig materiaal in handen had, en omdat ik wilde dat het foutloos zwart op wit zou staan. «Niet nodig», zei ze, met die onverschillige grandeur van grote veteranen. Pas toen ik aandrong kreeg ik haar faxadres, vooral uit waardering, denk ik, voor een vasthoudendheid die ze herkende. Ik maakte een letterlijke transcriptie van de bandopname. Drie dagen later belde ze, exact op het afgesproken tijdstip.

«Spreek ik zo slecht Duits?» vroeg ze.

Dit is een letterlijke weergave van ons gesprek, zei ik.

«Dramatisch», zei ze, «maar het is wat ik gezegd heb. Er staan geen fouten in. Ik heb twee opmerkingen.»

Die stelden niks voor, dus ik heb ze verwerkt. Dat ze «maar een instrument was», dat ze «altijd had gedaan wat men van haar verwachtte» – het mocht wat haar betreft zo naar de drukker. Niet alleen omdat het zelfverdediging was. Omdat het waar was. Een instrument: instrument van een drang en van een plichtsbesef die zich door geen moraal lieten kleineren.

Ik mocht haar. Met moraal heeft dat niks te maken. Ze was hard, maar het was hardheid met een doel: goed zingen. Het heeft iets opgeleverd, dat is uiteindelijk wat telt.

Alleen moet je zulke musici niet loslaten op mindere goden. Met haar hardheid werden Nederlandse kandidaat-zangers hardhandig geconfronteerd toen ze in 1987 in Amsterdam een van haar roemruchte meesterklassen gaf. Ze behandelde haar pupillen soms genadeloos. Dat mag, maar niet in het openbaar, ten overstaan van een publiek van betweterige zangjuffen en liedfetisjisten. Toen haatte ik haar zo dat ik me voornam nooit meer naar een plaat van haar te luisteren.

Helaas: dat ging niet. Te goed.

Zo wordt het Schwarzkopf-dilemma altijd weer beslecht door haar vertolkingskunst.

Wat zaten de bezettingsmachten in het naoorlogse Wenen met haar geval in hun maag, toen bleek dat de destijds al gevierde sopraan over haar oorlogsverleden en nsdap-lidmaatschap had gelogen; wat werden ze verscheurd door de innerlijke strijd tussen muziekliefde en rechtvaardigheidsgevoel. Niet de moraal won; de muziek. In 1947 besloten de geallieerden haar met rust te laten.

Zo zal het blijven. Wedden dat ze in het Vagevuur, waar ze in afwachting van een definitieve verblijfsstatus in het hiernamaals nu vast de sterren van de hemel kankert, de hand over het hart strijken en haar ten langen leste, ach vooruit dan maar, toch maar naar Petrus doorverwijzen?