Steil en stijl

De opwinding over het feit dat wij na lange tijd een ruggengraat bleken te hebben in plaats van een ruggegraat is zo langzamerhand enigszins geluwd, maar waarom wij paardebloem moeten schrijven en dan toch weer eendenei blijft behoorlijk raadselachtig. En dat geldt des te meer wanneer je een kind bent en je nog het hoofd breekt over ik word versus hij wordt, of antwoorden in plaats van antwoordden, en geen verschil ziet tussen steil en stijl.

Ten behoeve van die zwoegende schrijvers verscheen onder de passend halsbrekende titel de Juniorspellingwijzer. De auteur Wim Daniëls staat met twee heel verschillende benen stevig op de taalgrond. Hij is medeauteur van onder andere Spellingwijzer Onze Taal en hij schreef verschillende jongerenromans met een zeer luchtig karakter en een hoge meligheidsgraad. Dat laatste wordt mede bepaald door het uit het puberleven gegrepen taalgebruik: ‘Ik ramde er een frontale clash uit’ (= ik kuste haar). Met de combinatie van deskundigheid en een op een jeugdig publiek gerichte toon gaat hij nu onze spelling te lijf. Net als in de spellingwijzer voor volwassenen bestaat het grootste gedeelte van het handzame en overzichtelijk ingedeelde boekje uit alfabetisch geordende woorden, die allemaal tot taak hebben een spellingsregel of -moeilijkheid te illustreren. Zo gaat het over Kerstmis en nieuwjaar, oma’s, tantes dan wel Inez’ fiets, over blindedarm en blindenschrift, dommeriken en krentenmikken en natuurlijk over de hottentottententententoonstelling en het przewalskipaard. Ingewikkelde regels keren steeds terug met verschillende voorbeelden en met regelmaat duikt er een ezelsbrug, anekdote of (soms nogal flauw) grapje op. Bij helikopter: 'Dat zou mooi zijn, een voetballer die Heli heet en die er tijdens een wedstrijd eentje in kopt: Heli kopt er een in.’ Moet een affiche niet eigenlijk een 'opfiche’ heten en bestaat er naast de abonnee ook een 'abonja’? Door een woord even in zo'n onverwacht licht te zetten haakt het zich hopelijk qua spelling makkelijker vast in het geheugen. In kaders worden meer algemene wetenswaardigheden over de taal verteld, zoals over alfabet, leestekens en ontleden, over grappen ten gevolge van afbreking (slap-lantjes en ijscow-agentje) en over de ontwikkeling van de spelling met historische voorbeelden: 'Het schip sprongh aen hondert duysent stucken’ (1619). Achterin het boek staan de belangrijkste regels vermeld, maar als één ding duidelijk wordt dan is het de ingewikkeldheid en ook de willekeur van de hele regelgeving. Regelmatig krijgt de lezer te horen dat hij dit domweg uit zijn hoofd dient te leren, dat iets nu eenmaal zo is, of 'heel consequent is dat niet, maar dat geldt voor meer spellingkwesties’. Sommige uitleg is ook absoluut onvoldoende en vraagt om een aanvullende volwassene met taalverstand in de buurt. De Juniorspellingwijzer verheldert veel zaken (vast ook voor ex-junioren), maar lijkt me bij buitenschools gebruik vooral geschikt als een soort taalspeeltuin. Daniëls geeft het zelf min of meer aan onder zijn laatste woord: 'zwerven’. Dat is alleen prettig als je het vrijwillig doet, bijvoorbeeld door de taal: 'Je ziet een grappig woord, je leert een dwaze spelling, je hoort een vreemde taal, je leest een komisch verhaal, en je denkt misschien: wat leuk die taal.’