Geweld onder minderjarigen

Steken voor de status

Jongeren van vijftien die elkaar met messen te lijf gaan: in ‘de Bims’, koosnaam voor de Bijlmer, kijken ze er niet van op. Is de jeugdcultuur zich aan het verharden? En: wat is de invloed van de gewelddadige drill rap? ‘Het geweld is een infectie die zich snel verspreidt.’

Pas als je je weg hebt gevonden in Amsterdam-Zuidoost krijg je ze te zien. Filmpjes die zijn rondgegaan op sociale media. Op Snapchat, waar ze maar kort zichtbaar zijn, of op Instagram, waar ze vaak ook weer snel verdwijnen. Filmpjes opgeslagen in telefoons die pas tevoorschijn worden gehaald als het vertrouwen er is dat er geen namen zullen worden genoemd. En dat de Bijlmer, zoals Amsterdam-Zuidoost in de volksmond heet, niet zal worden neergezet als een getto. ‘Dat zijn we niet. Dit gebeurt net zo goed in Rotterdam en Breda.’

Op een van de filmpjes zijn jongens kogels in het magazijn van een pistool aan het klikken. Hilariteit als een patroon wegrolt. ‘Ze zijn vijftien’, weet degene die dit laat zien. Nog een filmpje. Een vechtpartij tussen twaalfjarige jongens. Met zijn drieën tegen één. De eenzame strijder heeft in paniek een mes getrokken. Dat had hij bete r niet kunnen doen. Twee anderen hebben hem tegen de muur gewerkt, de hand met het mes wordt strak vastgehouden. Even kijkt het jongetje in de camera, een flits van angst in zijn ogen. ‘Pak die shank, pak die shank!’ roept de jongen die filmt. Hij doelt op het mes.

Is de jeugdcultuur zich aan het verharden? Er zijn zorgen over jongerengeweld in verschillende delen van Nederland. Vooral de steekincidenten door jonge daders trekken de aandacht. Toen op 3 september vorig jaar Jay-Ronne Grootfaam (18) na een steekgevecht overleed, vlamde de discussie op. Twee jongens van negentien en twintig werden gearresteerd. Ze behoorden tot een groep uit een andere wijk, die met Jay-Ronne en zijn vrienden rivaliseerde. De worsteling werd opgenomen door een bewakingscamera. Daarop was te zien hoe de jongens elkaar aanvielen met grote kapmessen: machetes.

Na Grootfaams dood spraken Bijlmerbewoners en jongerenwerkers hun zorg uit over jongeren die met messen rondlopen – niet te beroerd om ermee te steken. Op de Amsterdamse televisiezender AT5 waarschuwde de Amsterdamse politiechef Frank Paauw dat ‘de straat- en jeugdcultuur hard aan het veranderen’ is. ‘Soms zie je jongeren onder de vijftien jaar die al met een mes rondlopen.’

In december werden incidenten gerapporteerd in Hoofddorp, Rotterdam, Krommenie en Amstelveen. Het bleef bij gewonden, totdat op 30 december een minderjarige overleed. In Drachten overleed de zestienjarige Roan aan zijn steekwonden nadat hij zich zou hebben verweerd tegen een poging tot roof. Twee jongens van veertien en vijftien jaar werden aangehouden. Sindsdien spreekt De Telegraaf van ‘een steekepidemie’ door ‘steekpubers’.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Groene-journalist Joeri Boom over het toenemend geweld onder jongeren.
Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Is er werkelijk sprake van een geweldsgolf onder jongeren? Er zijn geen landelijke cijfers. De politie houdt schiet- en steekincidenten niet afzonderlijk bij. Het gebruik of bezit van schietwapens of verboden steekwapens komt meestal in de boeken als een overtreding op de Wet wapens en munitie. Niet alle soorten messen zijn echter verboden – een steekpartij met een flink zak- of keukenmes (beide niet verboden) wordt weggeschreven onder een andere categorie.

‘Dat jongeren messen gebruiken is van alle tijden’, zegt criminoloog Henk Ferwerda. Hij adviseert scholen en hij weet: daar is al sinds eind jaren negentig veel te doen om messen. Maar dat houden de scholen liever stil. De criminaliteit onder jongeren daalt al jaren, ook als het gaat om geweldsdelicten, zegt hij. ‘De leeftijd van overvallers is stabiel en ligt al heel lang tussen de zestien en de drieëntwintig jaar. Wapengebruik door twaalf- of dertienjarigen komt voor, maar is uitzonderlijk.’ Dat daders veel jonger zullen worden, ziet hij niet gebeuren. ‘Voor tien- tot twaalfjarigen is het logischer dat ze stiekem iets uit een winkel meenemen dan dat ze met een mes rondlopen. Je moet heel veel lef hebben om dan ook nog eens iemand te bedreigen of daadwerkelijk te steken. Dat past niet in hun belevingswereld.’

De redenen om te steken zijn vaak instrumenteel: beroving, ruzie om een meisje. Ook dat is van alle tijden, weet Ferwerda. Waar het volgens hem in de discussie om zou moeten gaan, is het niet-instrumentele steken: het steken om het steken, het steken voor status. Steekpartijen zoals die waarbij Jay-Ronne Grootfaam werd gedood. Dat lijkt iets nieuws, iets dat kan wijzen op een verandering in de jeugdcultuur. ‘Maar we weten niet hoe vaak het gebeurt.’

Kelvin Kiewiet is wijkagent in Amsterdam Zuid-Buitenveldert. Hij postte begin januari foto’s op zijn politieaccount op Instagram waarop de messen waren te zien van vijf tieners die een veertienjarige jongen hadden beroofd en werden ingerekend. ‘U ziet hier het wapenarsenaal van de verdachten. Leeftijd gemiddeld 12-13 jaar. Ik heb er geen woorden voor, u wel? Dit kan zo niet langer’, schreef hij erbij. In zijn post richtte hij zich tot de ouders. ‘Weet u waar ze mee bezig zijn op de telefoon (want hoe denkt u dat ze hier aan komen?). Vraagt u uw kind wel eens wat hij/zij (voornamelijk hij) in zijn jaszak of rugtas heeft zitten?’

In een zijkamertje van het politiebureau aan de Van Leijenberghlaan vertelt hij waarom hij de foto’s plaatste. Het was een combinatie van wijkagent zijn, van burgerschap en vaderschap, zegt hij. ‘Collega’s deden de aanhouding en namen de foto’s. We hebben geen cijfers over het aantal scholieren in Zuid dat messen draagt. Maar we merken wel dat er meer berovingen zijn van jongeren onderling.’

Voor hem staat vast dat de jongens te jong zijn om de gevolgen te kunnen overzien van het dragen van zo’n wapen. Wat als opeens een dertien-, veertienjarige dreigend voor hem staat met zo’n enorm mes? ‘Dan ben ik gerechtigd mijn vuurwapen te trekken. Overdag zou je nog een schifting kunnen maken. Maar in het donker, in een steegje bijvoorbeeld, kun je niet meteen zien dat er een kind voor je staat. Over de mogelijke gevolgen wil ik niet nadenken.’

‘Vrijdag, hè. Je weet het. Be ready’, zegt Gideon Everduim quasi-streng tegen een van zijn leerlingen die hij tegenkomt op de gang. ‘Ja, meester. Tot vrijdag.’

Everduim (35) geeft les op het Bindelmeer College, een kleine middelbare school aan de rand van Amsterdam-Zuidoost. ‘Dat onder jongeren veel steekwapens zijn, is een feit’, zegt hij, als we zijn gaan zitten in een werkruimte voor docenten. Maar op het Bindelmeer College wordt niet gefouilleerd en er zijn geen detectiepoortjes. ‘Waarom zou je de kinderen criminaliseren? Je moet mensen hebben met oog voor gedrag. Die op grond daarvan, niet op grond van uiterlijk, kids eruit pikken. Hoe gaat het met je? Gaat niet goed, hè? Dan ga je ze aandacht geven, en warmte. Duidelijk maken dat ze niet bang hoeven te zijn, dat we ze hier op school veiligheid bieden.’

Hij legde het laatst nog uit aan minister van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus, die onlangs de school bezocht en wilde weten hoe je het veiliger maakt. Daarvoor heb je het onderwijs nodig, vaders en moeders, jongerenwerkers, politieagenten, onorthodoxe sleutelfiguren. Eigenlijk gewoon iedereen, had Everduim verteld. ‘Ik zie het zo’, zegt hij nu: ‘als hier een jongen wordt neergestoken voor een flatgebouw, dragen we daar als samenleving an sich – van stadsdeelvoorzitter tot schoonmaker – verantwoordelijkheid voor.’ Nederland is veel te lang top-down bestuurd, vindt hij. Met te weinig aandacht voor wat in de wijken speelt. ‘Ik heb gezien wat institutioneel racisme is. Twee banen moeten hebben om rond te komen. Ouders die daardoor niet thuis kunnen zijn, kinderen die dan voor zichzelf moeten zorgen, op straat zijn, geweld zien en getraumatiseerd raken waardoor ze ook zelf gewelddadig worden.’

Criminoloog Ferwerda ziet een concentratie van jongerengeweld op enkele hotspots. ‘Het geweld is er veelvuldiger en zwaarder, niet alleen met steek- maar ook met vuurwapens.’ Rotterdam-Zuid is zo’n hotspot. En de Bijlmer, zegt hij.

Gedist worden op Instagram – voor gek gezet worden voor het oog van je eigen volgers online – wordt met geweld beantwoord

Bijlmer-jongeren hebben een koosnaampje voor hun geliefde stadsdeel: ‘de Bims’. De meest multiculturele wijk van Amsterdam werd vanaf de jaren negentig grondig vernieuwd. Rond het fonkelnieuwe station Bijlmer-Arena verrees een uitgaanscentrum met een nieuw Ajax-stadion, twee poptempels en een boulevard met megastores. Een deel van de gigantische honingraatflats werd afgebroken en vervangen door kleinschaliger buurtjes, met meer laagbouw en een mix van sociale huur- en koopwoningen.

Toch staat de Bijlmer nog steeds op achterstand. Nog altijd is het besteedbaar jaarinkomen per huishouden er met 23.100 euro het laagste van Amsterdam (gemiddeld 30.000 euro). Het percentage bewoners met een bijstandsuitkering ligt er met 6,7 procent nog beduidend hoger dan in de overige stadsdelen: het Amsterdamse gemiddelde is 4,5 procent.

De laatste jaren neemt het geweld toe. Volgens politiecijfers steeg van 2015 tot en met 2019 het aantal straatroven van 66 naar 119, en het aantal gewapende overvallen van 22 naar 39. Het aantal keer dat de politie ‘wapenhandel’ constateerde (handel in of bezit van vuurwapens en verboden steekwapens) steeg zelfs met 146 procent (van 41 tot 101) in 2019.

Weer worden filmpjes uit telefoons getoverd. ‘Dacht je dat het beter ging in Zuidoost? Kijk hier dan maar eens naar.’ Het winkelcentrum Amsterdamse Poort, acht uur ’s avonds. Een jonge-man wordt poedelnaakt op straat gedumpt, zijn broek op zijn enkels. Hij ligt op zijn buik, met zijn armen wijd, alsof-ie gefouilleerd gaat worden. De broek wordt van zijn enkels gesjord en hij krijgt een trap tegen zijn achterhoofd, waardoor zijn gezicht op de straatstenen klapt. Zijn vader werkt bij de politie, is de uitleg. Misschien dachten ze dat hij ge-wired was. Ander filmpje: chaotische vechtpartij tussen twee groepen. Nog een: politieauto bij vrouw die bewusteloos op straat ligt. Op haar rug, haar mond hangt open.

Wat altijd is gebleven is de hiphop: in de Bims zijn rappers de vertolkers van de straat. Een rapper die al lang meedraait (hij blijft liever anoniem), wijst op het wegbezuinigen van buurtcentra. ‘Twee jongens die vroeger veel bij ons op het honk waren, zijn nu dood. Een ander heeft vijftien jaar gekregen. Ze kwamen in aanraking met verkeerde dingen toen ze op straat gingen hangen.’ Een andere rapper, Dimma (23), zegt dat de Bijlmer ten onrechte wordt neergezet als een achterbuurt. ‘De Bims zit vol talent. Je kunt hier prima over straat. Ik mis wel de kracht van het bijeenkomen, zodat we iets positiefs kunnen doen.’ Als hij hoort dat de Bijlmer vroeger buurthuizen kende met een studio is hij even stil. ‘Dat is precies wat we nodig hebben.’

Een groot verschil met eerdere onrust over jongerengeweld is de allesoverheersende invloed van sociale media. Voor het eerst groeit een generatie op die niet weet hoe een sociaal leven zonder mobiele telefoon eruitziet. Jongeren die nu zestien zijn, waren negen in 2012 toen Instagram op Android ging draaien en Snapchat een rage werd. YouTube, waar ze ook fervente gebruikers van zijn, was toen al ingeburgerd. Televisie kijken ze niet. Het vergaren van kennis, vertier en een sociaal leven verloopt vrijwel volledig via hun telefoon.

‘Het gebruik van sociale media is onder jongeren zo snel gegroeid dat je gerust kunt zeggen dat we nu in een nieuw tijdperk verkeren. Wat de consequenties zijn, weten we niet. Hoe vertalen ze hun online-leven naar de offline-werkelijkheid?’ vraagt criminoloog Ferwerda zich af. De toenemende populariteit van drill rap-video’s op sociale media zou een oorzaak van het toenemende jongerengeweld kunnen zijn, vermoedt hij. Maar, zegt hij ook: ‘We hebben behoefte aan een rustige analyse, want lang niet alle steekpartijen zijn ermee in verband te brengen.’

Drill rap of kortweg drill speelt zich voornamelijk af op internet. Vooral in het Verenigd Koninkrijk wordt drill wegens de gewelddadige teksten en het tonen van wapens verantwoordelijk gehouden voor de toename van het aantal steekincidenten. Messen heten meestal ‘shanks’ in drills. Dat het woord inmiddels wordt gebruikt door twaalfjarige Nederlandse jongetjes toont de invloed die de muziek ook hier heeft.

In Nederland kwam drill in het nieuws door ongeregeldheden in Rotterdam-Zuid en de dood van Jay-Ronne Grootfaam. Grootfaam was onder zijn rap-namen RS en Trappy Demon een van de frontmannen van de drill-groep FOG, uit de Bijlmerwijk Venserpolder. De jongens die hem neerstaken, maakten deel uit van de crew rond een rivaliserende drill-groep: KSB, met als basis de K-buurt rond metrostation Kraaiennest, eveneens in de Bijlmer.

Postcode-rivaliteit door groepen die zichzelf hebben uitgeroepen tot gang en hun gebied met geweld bewaken, heeft zich met drill verbonden. In Rotterdam-Zuid gingen jongeren uit IJsselmonde en Oud-Charlois elkaar te lijf met messen. De drillers Qlas en Blacka uit IJsselmonde verwoorden de strijd in hun drill-video’s op YouTube en in livestreams op Instagram. Net als FOG en KSB tonen ze in hun clips kapmessen en vuurwapens – echt of nep, dat is niet duidelijk. Vaak draagt de crew, of een deel daarvan, bivakmutsen.

Uit de kringen rond drillers in Amsterdam en Rotterdam stammen verhalen over vecht- en steekpartijen, die uit het niets ontstaan. Omdat iemand net iets te lang kijkt, of zich ophoudt in een buurt waar hij niet thuishoort. Gedist worden op Instagram – voor gek gezet worden voor het oog van je eigen volgers online – wordt met geweld beantwoord. Steken om de status.

Tegenover metrohalte Kraaiennest ligt een grote moskee, aan de overkant van de straat zijn marktkraampjes. Daarachter beginnen de galerijflats. Op de begane grond zijn winkels. Mensen lopen af en aan. Een man in pak is druk aan het bellen. Een rillende verslaafde vraagt om wat kleingeld. Na een paar minuten lopen maken de flats plaats voor laagbouw. Daar huist het kantoortje van Streetcornerwork, met de Church of Christ als buurman. Patrick en Jonathan zitten aan een tafel. Ze hebben hun jassen nog aan. Ze willen wel praten, in tegenstelling tot andere drillers die geen zin hebben in media-aandacht als die toch alleen maar negatief is.

Patrick en Jonathan zijn zeventien. Ze gebruiken gefingeerde namen, want ze hangen met de groep rond KSB, waarvan momenteel twee jongens vastzitten wegens de dood van Grootfaam. Ze komen uit intacte gezinnen, met altijd wel iets te eten in de koelkast. ‘Maar we kunnen niet zomaar geld vragen aan onze moeders.’ Ze volgen beide een mbo-opleiding die ze van plan zijn af te maken. Ze betwijfelen echter of ze een goede baan zullen krijgen. ‘Ze zien ons als criminele Bijlmerjongens, je weet toch?’

‘Je moet drill zien als rappen over wat je ziet en wat je leeft’, zegt Patrick. ‘Eigenlijk net als iemand die een liedje maakt over liefde en dat zijn hart gebroken is’, zegt Jonathan. Je moet het meegemaakt hebben. Je geeft uiting aan het gevoel zoals het op dat moment was. Als je toen boos was, wordt het een boos lied.’ Drill klinkt duister, met diepe, haast zwevende bassen als in techno, gelardeerd met somber klinkende piano- en synthesizertonen. Ze leggen uit hoe je erover rapt: in korte zinnen. Heel anders dan bij normale rap.

Hoe zit het met die wapens; is het steken iets nieuws? Ze schudden hun hoofd. ‘Het bestaat allang, alleen was het nog niet zo bekend’, zegt Jonathan. ‘Niet met die lange messen, daar kun je niet mee lopen. Die zijn vooral voor in de filmpjes. Zodat je een beetje eng lijkt’, zegt Patrick. Ze zeggen dat ze geen messen bij zich hebben, maar bij het weggaan is zichtbaar dat een van hen er een draagt, achter zijn riem, aan de binnenkant van zijn broek. ‘Voor vier euro heb je een mes bij de Action. Als-ie maar diep in het lichaam kan, dan is het goed.’ Een machete kost zo’n twintig tot dertig euro. Voor een pistool betaal je minimaal driehonderd euro, weten ze.

‘Je denkt: mijn kind zou het me wel vertellen als hij werd afgeperst. Maar ze schamen zich en ze zijn bang. Dus houden ze hun mond’

401 (spreek uit: veertig-één) heet hun groep. August, de straathoekwerker, heeft geregeld dat de boys hun muziek kunnen opnemen in het studiootje van een vriend. We luisteren naar de tekst die Jonathan heeft opgenomen, vol straattaal. Duidelijk is dat er wordt gedreigd en achter mannen in flats aangejaagd. ‘Het is wel weer agressief’, zegt August. ‘Ik probeer ze meer over meisjes en leuke feesten te laten rappen.’ Patrick schudt zijn hoofd. ‘Dat is niet wie we zijn. We willen geld hebben, veel geld.’

In het nieuwe Justitiegebouw aan het IJdok, naast het Amsterdamse Centraal Station, toont Job van Beekhoven (46), het prachtige uitzicht. Dit is de stad waar hij opgroeide, tussen jongens met wortels in alle windstreken. Net als hij liefhebbers van hiphop. Inmiddels is hij hoofd beleid en strategie bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. Afgelopen jaar hielp hij een viertal openbare ‘speak sessions’ te organiseren in de Bijlmer. Vertegenwoordigers van politie en justitie gingen onder meer met rappers aan tafel. Bij de laatste bijeenkomst zei de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema dat ‘het criminaliseren van rap ons niet dichterbij een oplossing brengt’.

Daar is Van Beekhoven het mee eens. ‘Er wordt met name veel gerapt in Amsterdam en Rotterdam. Sommige jongeren daar voelen zich minder thuis in de mainstream van de Nederlandse samenleving. Ze zoeken hun identiteit in de hiphop.’ Tegelijkertijd is het zo, legt hij uit, dat op plekken waar minder binding is met de samenleving meer criminaliteit voorkomt. ‘Daar rappen ze over, want rap is straatjournalistiek. Het is dus niet zo dat rap leidt tot criminaliteit. Je moet dat echt los zien van elkaar.’

De politiechefs van de grote steden maakten eind december echter duidelijk dat ze zich zorgen maken over de invloed die drill heeft op jongeren. Volgens Van Beekhoven blijkt uit onderzoek niet dat gewelddadige raps of video’s daadwerkelijk leiden tot straatgeweld. ‘Maar wij rechercheren ook in het digitale domein, laat dat duidelijk zijn.’ Wie in clips zwaait met verboden wapens heeft dus de aandacht van politie en justitie. Hij wijst erop dat artistieke vrijheid verantwoordelijkheden met zich meebrengt. ‘De meeste jongeren kijken er doorheen. Het gaat om die één procent die wél geraakt wordt door de wapens en de nagespeelde overvallen, en die dat gedrag wil kopiëren.’

Chander Peroti (44), in de hiphopwereld bekend als Kiddo Cee, maakt zich zorgen. Hij ziet vanuit zijn raam geregeld vechtpartijen in de winkelstraat achter zijn woning. Het geweld is harder dan vroeger, meent hij. ‘Als er mot was, ging het destijds met de vuisten. Of hooguit met een boksbeugel.’ Hij houdt drillers en de populaire online-hiphopplatforms die hun veel aandacht geven medeverantwoordelijk voor die verharding. ‘Drill maakt de rauwheid van de straat zichtbaar. Zelfs kids van goeden huize kennen alle teksten. Dit is de muziek waarvan je ouders niet willen dat je ernaar luistert. Maar die drillers gebruiken hun muziek niet om op te klimmen, zoals wij deden. Crimineel zijn levert streams en views op, en daarmee kunnen ze geld verdienen. Ze blijven straatdingen doen, terwijl zij de nieuwe rolmodellen zijn.’

Peroti geeft rapworkshops en is al elf jaar docent maatschappijleer op mbo-scholen. Hij kent jongens uit de drill-scene. ‘Je gaat ogen herkennen. De mensen achter de maskers. Leerlingen, ex-leerlingen of kids die je kent uit de buurt. Je gaat je toch afvragen: had ik dit kunnen voorkomen?

Balenciaga-sneakers, Louis Vuitton-schoudertassen, Canada Goose-jassen. De merken vliegen over tafel. Er hangen prijskaartjes aan waarvan je wit wegtrekt. Balenciaga’s kosten zo’n beetje zeshonderd euro, een LV-tas doet elfhonderd euro, de jas ongeveer negenhonderd. Voor de drie moeders aan tafel zijn de dure merken de hoofdoorzaak van het geweld. Hun kinderen werden afgeperst en bedreigd, soms door klasgenoten of buurjongens. Ze moesten merkkleding afstaan of geld afdragen zodat hun belagers zelf dure kleding konden kopen.

De moeders hebben zich met vaders en sympathisanten verenigd in de Zuidoost Safety Movement (zsm). Ze runnen een besloten Facebook-groep waarop reacties binnenkomen van ouders uit verschillende delen van Nederland. Ze zijn geschokt als ze ontdekken dat hun kind wordt afgeperst. Vaak voelen ze zich machteloos.

zsmwil bekendheid geven aan het straatgeweld dat in het verborgene plaatsvindt. We hebben afgesproken dat we geen namen gebruiken, anders krijgen hun kinderen nog meer problemen.

‘Het huidige justitiële systeem is niet op deze problemen berekend’, zeggen de moeders. Slachtofferhulp in zijn huidige vorm werkt niet bij stoere jongens die niet als pussy gezien willen worden. En wie aangifte doet, moet zijn persoonsgegevens verstrekken. Die komen makkelijk terecht bij de daders, en dan volgt vaak geweld. Ze vertellen over ramen die worden ingegooid en kinderen die door een groep worden opgewacht. Via sociale media worden foto’s verspreid van jongeren die ‘gesnitched’ zouden hebben, zoals praten met de politie wordt genoemd. zsmheeft voor elkaar gekregen dat jongeren in Amsterdam-Zuidoost nu anoniem aangifte kunnen doen. Dat is met voorwaarden omkleed, en het lukt niet in alle gevallen, maar het is een belangrijke stap voorwaarts.

Uit de verhalen van zsmdoemt een parallelle jeugdwereld op met eigen heersers, eigen codes en eigen represailles. Een combinatie van de straat en sociale media. Als je er niet mee geconfronteerd wordt, zie je het niet. ‘Je denkt: mijn kind zou het me wel vertellen als hij werd afgeperst. Maar ze schamen zich en ze zijn bang. Dus houden ze hun mond.’ Vaak willen ze niets met de politie te maken hebben. Die wordt in Amsterdam-Zuidoost meer gezien als vijand dan als vriend. De moeders zien hoe hun zoons keer op keer staande worden gehouden omdat ze op een scooter rijden en bepaalde kleding dragen.

‘Het is knap lastig om tegenwicht te bieden als je kind naar die rapvideo’s kijkt. Ze maken zelfs liedjes die alleen maar gaan over merken. Hoe leren we ze dat je geen status kunt verkrijgen als je iets niet zelf kunt kopen?’ Soms worden slachtoffers daders. Een jongen werd op straat onder dwang ontkleed en gefotografeerd. Hij moest geld betalen om te zorgen dat de foto niet online kwam. Om dat bijeen te krijgen, ging hij roven, met als gevolg dat niet zijn afpersers werden opgepakt, maar hijzelf. ‘Als kinderen messen dragen is dat meestal om zich te beschermen’, zeggen de moeders.

In zijn kantoor aan de Bijlmerdreef sluit Virgil Tevreden eerst de deur voordat hij zegt waar het op staat. Hij leidt de stichting Jongeren Die Het Kunnen, die jongens met gedragsproblemen helpt om verder te komen. Alles betaald uit particuliere sponsoring. Zijn boodschap: hou op met het zoeken naar cijfers. ‘Er is een dode gevallen, hier in Zuidoost. Dat is het enige cijfer dat telt. Soms moet je vertrouwen op intuïtie, en ik zeg je: als we nu niet schakelen, gaat het veertig jaar duren voordat we een oplossing hebben.’

Toen hij acht jaar geleden begon, verdiepte hij zich in de online-rapscene. Zijn jongeren vertelden hem over steekpartijen die onder de radar bleven. Twee jaar geleden werd een van zijn leerlingen gedood. ‘Hij was net achttien geworden en had afscheid van ons genomen. Klaar voor de wereld. Hij werd neergestoken door een jongen van vijftien. Om een meisje, een ruzie die begon op sociale media.’

Om het steken te stoppen, moeten we ingrijpen, vindt hij, en snel ook. ‘Er kwam ooit een beleid op tv-programma’s: de Kijkwijzer. Maar op het internet hebben jongeren vrij spel. We laten er geweld toe, maar als jij online vervalste merkkleding verkoopt, komen de merken meteen achter je aan. Dus ingrijpen kan wél.’

Wie denkt dat het slechts gaat om een kleine groep allochtone jongeren helpt hij graag uit de droom. ‘Het zijn witten, zwarten, Marokkanen, Turken, rijk en arm. Allemaal geboren en getogen in Nederland. Vroeger keken we naar afkomst, etnisch en sociaal. Maar door het internet maakt dat niet meer uit. Dit is een infectie. Geloof mij. Het is zich aan het ontwikkelen tot een gezwel. Het verspreidt zich heel snel. Ik zie het gebeuren. Niet alleen hier in Zuidoost, maar overal in het land. Dit werk is niet zonder gevaar. Laten we niet wachten totdat een hulpverlener wordt neergestoken.’


De echte namen van de anonieme bronnen in dit stuk zijn bij de redactie bekend