Stel je voor

Medium small potloodjesthumb

De vaste tafelheren van het tv-programma Voetbal Inside hebben zich in een uitzending vlak voor Kerst van hun beste kant getoond: een reeks homofobe uitspraken om je vingers bij af likken of om de oren te laten klapperen. Homo’s die voetballen stoppen na hun veertiende toch wel om kapper te worden, de potten vaseline vliegen in het rond, dat soort ongein. Locker room humour volgens de een, het zoveelste voorbeeld in een lange rij van ontoelaatbare uitspraken volgens de ander. Gijp en Derksen houden de gemoederen nog altijd bezig.

Sunny Bergman en Sylvana Simons (en met hen nog anderen) roepen adverteerders van het programma op om hun betrokkenheid nog eens in overweging te nemen en aan het eind van een dag actievoeren (mijn sociale media staan er sowieso bol van en ik begrijp dat ook de traditionele media zich niet onbetuigd laten) komen sponsoren Gillette en Amstel Bier met afkeurende woorden in onder meer de NRC.

Laat ik voorop stellen dat ik het eens ben met die afkeuring. Het aanspreken van sponsoren is misschien een zwaar middel, maar daar wil ik het nu niet over hebben: in de discussie die ontstaat wordt er namelijk ook een ander middel gebruikt, dat van de parabel, de vergelijking.

‘Stel je voor’, betoogt iemand online, ‘dat het aan die tafel van Voetbal Inside geen blanke heteromannen waren geweest, maar drie bebaarde moslims die die uitspraken hadden gedaan. De wereld zou dan toch te klein zijn?’ Er wordt virtueel instemmend geknikt, door iedereen. Ja, dat is wel een heel goed voorbeeld natuurlijk van hoe hypocriet we over dit soort kwesties denken.

Ik heb het voorbeeld ook vaak gebruikt, moet ik toegeven, maar nu zie ik er de absurditeit van in en tegelijkertijd ook het ergerlijke.

Ik probeer me andere voorbeelden te herinneren en hoef niet lang in mijn geheugen te graven.

Een paar voorbeelden:

Thierry Baudet spreekt vijf uur lang met de Amerikaanse racist Jared Taylor. In een artikel dat stelt dat Baudet zich bewust zou moeten zijn van met wie hij praat wordt onder meer gezegd: ‘Als Kamerleden met een islamitische achtergrond bijvoorbeeld afspreken met een imam die dubieuze uitspraken doet, komt daar ook gedonder van.’

De A7 wordt tijdens de landelijke sinterklaasintocht geblokkeerd om anti-Piet-demonstranten te weren. Ook hier: ‘Als het moslims waren geweest die de snelweg blokkeerden om een PVV-bijeenkomst te verstoren, nou dan waren de rapen gaar geweest.’

In Las Vegas schiet een man 58 mensen dood tijdens een countryfestival. In de media wordt die man ‘verward’ genoemd en al gauw gaat het over waarom hij niet het predicaat ‘terrorist’ krijgt opgeplakt. Immers, als het een moslim was geweest, dan had daar geen twijfel over bestaan.

Ik probeer me voor te stellen wat dat voor moslim is die zij aanhalen, die de A7 zou blokkeren, die bij Voetbal Inside aan tafel zou zitten, waar hij woont, hoe hij eruitziet en wat voor woorden hij zou gebruiken.

Die denkbeeldige moslim die rustig in zijn denkbeeldige huis zit en te pas en te onpas door een denkbeeldige hand in de denkbeeldige kraag wordt gevat en in de ene na de andere denkbeeldige situatie wordt gezet: hier, nu ben je tafelgast; zeg eens wat vreselijks zodat we onze hypocrisie in kunnen zien. Hier, een spandoek met antiwesterse uitspraken, ga maar op de vluchtstrook van deze snelweg staan en blokkeer er op los.

Ik snap heel goed dat het gebruik van deze vergelijking juist bedoeld is om een bepaalde bevoorrechte positie aan de kaak te stellen (noem het de onaantastbaarheid van de witte man, de partijdigheid van de media) maar tegelijkertijd zou je het ook als stigmatiserend kunnen zien. Hoezo wordt tegenwoordig de moslim als meetlat van slechtheid gebruikt? Waarom lukt het ons niet om zonder die denkbeeldige moslim als ijkpunt van slechtheid ons moreel kompas te hanteren? Hoe lang blijft het vizier op die denkbeeldige moslim gericht en kunnen mannen als Derksen en Gijp hun uitspraken afdoen als een gebbetje, plagerij?

Ik denk aan een scène uit de Amerikaanse tv-serie The Wire, waarin rechercheurs proberen een drugsdealer af te luisteren, maar op geen enkele manier krijgen ze toestemming om zijn telefoon af te tappen. Geen prioriteit, luidt het antwoord van hogerhand, alle beschikbare middelen worden aangewend in de war on terror.

Een van de rechercheurs verzucht tenslotte: ‘Als hij nou toch maar Achmed had geheten…’