MUZIEK De liefde en de dood bij Wagner

Stel nooit vragen

In zijn muziekdrama’s verheerlijkt én ontluistert Wagner de liefde. Lohengrin zweeft op beide fronten onbehaaglijk tussen utopie en nihilisme.

IN DE DRIE rijpe Wagner-opera’s die aan het levenswerk Der Ring des Nibelungen vooraf gaan draait het om de mogelijkheid van verlossing. Twee tragische helden en één heldin - verdoemd door een vloek (Holländer), een zonde (Tannhäuser) en een onterechte beschuldiging (Elsa, in Lohengrin) - worden door hun redders uit liefde of mededogen (bij Wagner een subtiel maar essentieel verschil) voor de poorten van de hel weggesleept. Maar hun bevrijding wordt door noodlottige omstandigheden het begin van een einde waarvan de duiding problemen oplevert zolang onklaar blijft hoe Wagner zich verhoudt tot geloof, liefde en dood.
In Der fliegende Holländer is de titelheld de kapitein die door een vloek gedoemd is voor de eeuwigheid de zeeën te bevaren, tenzij hij op het vasteland, dat hij eens in de zeven jaar mag betreden, zijn geliefde weet te vinden. Hij vindt haar in de kapiteinsdochter Senta, die hem met de heerlijke onwaarschijnlijkheid van opera ter plekke eeuwige trouw belooft. Zijn geloof in haar gaat in rook op als hij per ongeluk getuige is van Senta’s twistgesprek met haar voormalige geliefde Erik. Hij neemt ontsteld de benen en gaat scheep, maar zijn schip zinkt op slag nadat Senta zich vertwijfeld in zee heeft geworpen en door haar offer, trouw tot in de dood, de vloek ongedaan maakt op een wijze die op aarde drama maar aan gene zijde blijkbaar happy end is, als we Wagners finale regie-aanwijzing goed begrijpen. ‘Der Holländer und Senta, beide in verklärter Gestalt, entsteigen dem Meere; er hält sie umschlungen.’ Een ouderwetse hemelvaart: eind goed, al goed. Maar zo klinkt het niet. De euforie van het slot gaat op lemen voeten.
Ook in Tannhäuser stelt de plaatsbepaling van de dood de analyticus voor raadsels. Wanneer in de opera blijkt dat de middeleeuwse minnezanger Heinrich Tannhäuser in de Venusberg de vrije liefde heeft geproefd en daar ondanks of dankzij diepe schuldgevoelens openlijk voor uitkomt, wordt hij door de landgraaf van Thüringen uit de katholieke gemeenschap verstoten, terwijl hij Sodom & Gomorra juist ontvlucht was om een beter mens te worden. Begrip vindt hij niet, zijn vonnis wordt geveld: hem wacht de dood, tenzij de kerk hem genade schenkt. Alleen Elisabeth, het nichtje van de landgraaf en Tannhäusers heimelijke vlam, toont erbarmen met hem, ondanks haar walging over zijn daden.
Als de kerk Tannhäuser na zijn pelgrimstocht naar Rome absolutie heeft geweigerd keert hij gedesillusioneerd terug, gebroken terugverlangend naar de schuldige maar straffeloos geschonken roes van de Venusberg. Hij roept Venus aan, die hem wél vergeeft, maar komt tot inkeer als medezanger Wolfram von Eschenbach Elisabeths naam noemt, met goede redenen: zij blijkt zich voor hem te hebben opgeofferd om hem te verlossen van zijn schuld. Bij de aanblik van de baar met haar lichaam valt hij dood neer. Mooi tragisch, maar daarom niet minder verschrikkelijk. Wat koopt de minnezanger voor een muze die de dood verkiest boven zijn triviale schuld? Wat heeft hij aan een droomvrouw die hij niet kan krijgen? Of varen de geliefden, als in Holländer, bevrijd ten hemel?
WAT IS DE DOOD bij Wagner? Een verlosser? Dan moet er een hemel zijn, anders kopen de verlosten er niks voor. Bestaat die hemel in het ondoorgrondelijk mystieke universum van de 'vroege’ Wagner, die een Christus-opera in de pen had maar het christendom als een noodzakelijk kwaad beschouwde? Gelooft hij? In Holländer en Tannhäuser is het God voor en God na, maar erg vergevingsgezind lijkt Hij niet. Hij staat toe dat boetvaardigen worden verketterd en dat onschuldigen zich offeren voor iemands zielenheil. Lohengrin wekt op papier de hoop dat Wagner klaarheid zal verschaffen. De graalridder Lohengrin, zoon van Parsifal, staat als graalhoeder tenslotte in rechtstreekse verbinding met de hoogste instanties. De redder in de nood komt er als afgezant van God, proef op de som van Wagners godsbeeld.
Lohengrin bevrijdt Elsa die, als dochter van de overleden hertog van Brabant, door haar voogd Telramund ten onrechte wordt aangeklaagd voor de moord op haar broer Gottfried, een leugen die Telramund zich heeft laten influisteren door zijn kwaadaardige vrouw Otrud. Koning Heinrich verordent een godsgericht, een duel tussen aanklager en gedaagde. Omdat Elsa als vrouw niet zelf het zwaard mag trekken, moet ze de ridder vinden die bereid is namens haar het pleit te beslechten. Ze rekent op zijn komst; ze heeft van hem gedroomd. 'In lichter Waffen Scheine/ ein Ritter nahte da/ so tugendlicher Reine/ ich keinen noch ersah/ Ein golden Hornzur Hüften/ gelehnet auf sein Schwert/ Mit züchtigem Gebaren/ gab Tröstung er mir ein; des Ritters will ich wahren/ er soll mein Streiter sein!’ Inderdaad verschijnt hij. Als een deus ex machina komt hij over de Schelde aangevaren in een door een zwaan getrokken boot, met wagneriaanse gewichtigheid vervuld van zijn missie. 'Zum Kampf für eine Magd zu stehn/ der schwere Klage angetan, bin ich gesandt./ Nun laßt mich sehn, ob ich zu Recht sie treffe an!/ So sprich denn, Elsa von Brabant: Wenn ich zum Streiter dir ernannt, willst du wohl ohne Bang’ und Graun/ dich meinem Schutze anvertraun?’
Dat laat ze zich geen twee keer zeggen. 'Mein Held! Mein Ritter! Nimm mich hin!/ Dir geb’ ich alles, was ich bin!’ Lohengrin velt Telramund, diens leven sparend: 'Durch Gottes Sieg ist jetzt dein Leben mein: Ich schenk’ es dir! Mögst du der Reu’ es weihn!’
Jubel allerwegen.
Tot zo ver is de situatie helder. Daarna wordt het lastig, als blijkt dat in Lohengrin veel hetzelfde maar nog meer anders is dan in de eerdere opera’s. Er is opnieuw een redder, maar het is een man, en hij bekoopt zijn daad niet met de dood. Hij brengt geen offer; hij vraagt het. Lohengrins liefde voor Elsa is op een tegenstrijdigheid gebouwd. Hij vraagt haar tot vrouw en belooft haar onvoorwaardelijk lief te hebben, mits zij belooft hem nooit te vragen naar zijn naam en herkomst. Als ze dat opgehitst door Ortrud toch doet, trekt hij objectief bezien genadeloos de handen van haar af. Nadat hij haar in de derde akte in het openbaar van verraad heeft beschuldigd, keert hij terug naar de Graal. Voor Elsa is het de genadeklap; ze zijgt dood neer.
Net als in Holländer heeft Wagners God, en het is in Zijn dienst dat de graalridder beweert te handelen, niet toegestaan dat misverstanden tussen de geliefden worden opgehelderd. Anders dan de eveneens uit naam van God pleitende Elisabeth, die Tannhäuser vergaf ondanks het leed dat hij haar had berokkend, is de steile Lohengrin even onvermurwbaar als de kerk van Rome; afspraak is afspraak, regels zijn regels.
In de dramaturgische context van de opera valt hem niets te verwijten; naar menselijke maat beoordeeld des te meer, en het is die maatstaf die we moeten aanleggen om menselijkerwijs iets met de opera te kunnen aanvangen. Al is dit geen brechtiaans leerstuk, uit al zijn geschriften blijkt dat Wagner zijn muziekdrama’s in de geest van de Griekse tragedie opvat als 'Ausdruck des öffentlichen Bewusstseins’, als middel om zich voor en namens de gemeenschap uit te spreken over 'allgemeine menschliche Empfindungen’ en de 'gewaltigsten Tiefen der reichsten menschlichen Natur’. Wat heeft hij daar in Lohengrin dan over willen zeggen?

HIJ HEEFT het uitgelegd. Het is helaas nogal veel. Zijn thema, schreef hij, was 'die Berührung einer übersinnlichen Erscheinung mit der menschlichen Natur und die Unmöglichkeit einer Dauer derselben. Die Lehre würde sein: der liebe Gott (Fussnote: Ich meine, der Christengott) täte klüger, uns mit Offenbarungen zu verschonen, da er doch die Gesetze der Natur nicht lösen darf: die Natur, hier die menschliche Natur, muss sich rächen und die Offenbarung zu nichte machen.’ Dat is een zure rode kaart voor de heldin die tegen beter weten in haar Lohengrin verboden vragen stelde. Elders verbindt hij zijn werk met zijn geloof in 'die Notwendigkeit der Liebe’ en haar wezenskern, het 'Verlangen nach voller sinnlicher Wirklichkeit’. Over de aard van die liefde spreekt Wagner zich uit in zijn 'brief’ eine Mitteilung an meine Freunde (1851) waar hij onder veel meer de lof zingt van de vrienden - Liszt voorop - die hem zo onbaatzuchtig hebben bijgestaan na zijn vlucht uit Dresden in 1849, waar hij door zijn betrokkenheid bij de revolutionaire opstand tegen het Saksische koningshuis persona non grata was geworden. 'Ja, ich lernte jetzt die vollste, edelste und schönste Liebe kennen, die einzig wirkliche Liebe, die nicht Bedingungen aufstellt, sondern ihren Gegenstand so umfasst, wie er ist und seiner Natur nicht anders sein kann.’ En dat lijkt weer een sneer naar Lohengrin.

ER BEGINT iets duidelijk te worden. Wagner staat dus kritisch tegenover beiden. De onvoorwaardelijke liefde is zowel de liefde van de mens voor de God die overgave eist omdat er geen geloof is zonder trouw, als de menselijke liefde voor de medemens. Hij verlangt volstrekte onbaatzuchtigheid. Maar mensen stellen nu eenmaal vragen.
Wagner erkent dat het in de liefde noodzakelijk is iets van elkaar te weten. Hij laat zien dat misverstanden tot rampen kunnen leiden; Senta heeft de Holländer niet bedrogen, Elsa zou geen vragen hebben gesteld als Ortrud haar niet had uitgedaagd haar eed te breken. Een goed gesprek van man tot vrouw had wonderen gedaan, zou je zeggen. Maar Wagner ziet ook de keerzijde van openheid; dat vragen even gevaarlijk is, omdat het de onvoorwaardelijkheid van de gevoelens over en weer noodlottig aantast. Hij laat zien dat liefde altijd in gevaar is, omdat het wonder van de onmiddellijke identificatie botst met de nieuwsgierigheid die het natuurlijke complement is van het verlangen naar elkaar.
Het is een niet geringe, onvermijdelijke vraag: hoe je compleet en zonder voorbehoud kunt bezwijken voor een vreemde. En stel dat liefde er niet het goede woord voor is, of niet het enige? Wat dan?
Het is in die toestand van verwondering, dat in het grote 'liefdesduet’ uit de derde akte in Lohengrin het goddelijke en menselijke elkaar hooggestemd bedrukt ontmoeten, het einde voorvoelend met de zekerheid van goden en mensen. 'Hoch über alles Zweifels Macht/ soll meine Liebe stehn!’ smeekt Elsa veelbetekenend. Maar het lukt niet, en helemaal niet meer als Lohengrin heeft toegegeven dat zijn liefde een offer is geweest, waarvoor hij het paradijs op de berg Montsalvat heeft verlaten. Hij zat daar vorstelijk; hij heeft het allemaal alleen voor haar gedaan. Die beoogde handreiking naar Elsa - kijk toch, wat ik voor je over heb gehad - is evenzeer verraad aan haar als haar gevraag aan hem. De onvoorwaardelijkheid is geschonden, hun prachtige geheim aan duigen; het geloof in elkaar, de liefde die maar medelijden bleek te zijn, alles is kapot. 'Nun ist all unser Glück dahin’, steunt Lohengrin. Haar rest de dood, hem een smadeloze aftocht.
Moraal: stel nooit vragen. Zwijg en vertrouw, als de liefde je lief is, anders wordt het een drama dat Wagners personages onontkoombaar met de dood bekopen, omdat we lering moeten kunnen trekken uit hun feilen. Pas de dood onthult wat een leven waard was, zou hij later schrijven. Wagner schiep een kunst die zich niet anders laat omschrijven dan als utopisch nihilisme.