Stelen en bestolen worden

JACQ VOGELAAR Goran Tunstrom, De dief. Uit het Zweeds vertaald door Bertie van der Meij. Uitgeverij De Bezige Bij, 344 blz., f49,50
De naam van de auteur zegt je niks, Goran Tunstrom (1937); de verzekering van de uitgever dat het hier een Zweeds auteur van wereldklasse betreft en dat De dief een van zijn bekendste romans is, compenseert dat niet meteen; en als je na een fiks aantal pagina’s nog steeds niet goed weet waar je aan begonnen bent - waarom zou je dan doorgaan?

Toch is dit zo'n boek waarbij je als lezer pas over de helft recht van spreken krijgt. En tot het einde van het eerste van de drie boeken waaruit de roman bestaat, dacht ik met een naturalistische roman te maken te hebben. Klaploper verleidt schoolmeisje, het wordt een moetje, de eerste van twaalf koters, allemaal inwonend bij de grootvader en diens zuster: ‘een hel van afstomping’.
Er loopt nog een dertiende kind rond, Johan, een verdwaald neefje dat een plat gezicht oploopt als zijn stiefmoeder hem op de grond laat vallen en daarna een rugvergroeiing in een gevecht met zijn vader. Maar deze vreemde eend in de bijt heeft oog voor tweede gezichten, voor parallelle werelden. De val heeft zijn geest wakkergeschud, voedsel vindt die in de bibliotheek van een leraar; en een geestverwant heeft Johan in Hedvig, de zesde van de twaalf kinderen.
Op het eind van het Eerste Boek bezwijkt het meisje onder haar verantwoordelijkheid in dit gekkenhuis en wordt zelf gek tijdens de begrafenis van de grootvader. Daar ook maakt zich een stem los uit dit verwarde koor van personages en Johan vertelt, in gevangenschap, zijn eigen geschiedenis. Alles wat hij daarna gedaan heeft was enerzijds bedoeld om Hedvig terug te vinden en anderzijds om te bewijzen dat hij Iemand is; hij wilde een wereld die groter is dan zijn scheve rug en ingedrukte gezicht.
De leraar heeft hem een oude brief gegeven waarin wordt gesproken over de beroemde zilveren bijbel in Uppsala, een haast volmaakte gotische bijbel. Met als doel dit boek ooit te stelen, begint hij een talenstudie die hem enkele jaren later als deskundige op het gebied van de codicologie in Ravenna doet belanden, waar de bijbel ooit vervaardigd is. Daar ontdekt hij het Ravenna-handschrift, gesteld in een onbekend gotisch alfabet. Hij gaat ermee vandoor.
Of hij Hedvig terugvindt is maar de vraag. Op het eind komt zij om in hun brandende huis, maar hun beider kind wordt gered. De rechter, zo blijkt dan, is de rechter aan wie Johan zijn levensverhaal vertelt; al schrijvend repeteert Johan 'het leven dat ik leefde terwijl ik wachtte tot ik mocht leven’. Het is dus geen onhandigheid wanneer de auteur de lezer in zijn Eerste Boek verstrikt in een wirwar van personages. 'Van al die mensen zijn er in wezen maar weinig voor Johans geschiedenis van belang geweest, maar alleen al hun aantal moet hem hebben gevormd. Al die lieden die de regels van deze vertelling in en uit lopen, die storen immers de zuivere kamers van de gedachte, en dat moet ook.’
Een gedachte met terugwerkende kracht zal zijn dat Johan niet meer dan een van de velen is die bezig zijn een gat in hun leven te dichten. Het verschil met de andere leden uit het gezin is alleen dat hij het dorp verlaat en inderdaad een ruimere wereld voor zichzelf weet te openen.
Maar is dat wel helemaal waar? In de taalkunde geldt hij als genie, maar dat is een marginaal specialisme. En kopieert hij met zijn ontcijfering van het Ravenna-handschrift niet exact het lot van de oorspronkelijke auteur, die begon in opdracht van een vorst maar op eigen kracht en voor eigen rekening verder moest omdat de besteller vergat wat hij besteld had.
Zo ook wordt het boek de dief van Johans leven - om de dubbele betekenis van de titel hier maar te verraden. Dat Johan daarmee zijn Orfeus-rol ten opzichte van de omnachtige geliefde Hedvig halverwege verzaakt, is voor de diepgang van de roman belangrijk, maar ik vond het wat te veel van het goede.
Als ik aarzelend begon, kan ik nu zeggen dat het geduld van deze lezer werd beloond. Bij herlezing wist ik waar ik het zoeken moest: 'Onder zijn gezicht bevindt zich een ander gezicht’, zoals de zin luidt die Johan vindt wanneer hij in de lettervolgorde van de Codex Argenteus een cijfercode ontdekt.