Manifest voor een nieuwe politiek De Franse oud-premier Michel Rocard

‘Stem kapitalistisch en u hebt recht op rijkdom’

De sociaal-democratie van morgen moet een antwoord op het obsessieve winstbejag formuleren. En handen en voeten geven aan het idee dat waardigheid zich niet uitdrukt in geld.

Parijs - ‘Ik heb een strijd verloren’, zegt Michel Rocard enigszins gelaten. 'Gedurende mijn hele politieke leven heb ik consequent gesproken over l'État de bien-être en niet over l'État providence, zoals dat in Frankrijk gebruikelijk is. Het woord “providence” veronderstelt dat zo'n staat uit de hemel komt vallen en dat het volstaat te bidden. Maar dat is dodelijk! Een welvaartsstaat is door mensenhanden gemaakt en wordt daar ook door afgebroken als je niet oppast.’ De linguïstische coup d'état van Rocard redde het niet. Het bleef l'État providence en dat, zo zal tijdens het gesprek blijken, zegt veel over de positie van de sociaal-democratie in Frankrijk.
Le Parrain (de peetvader), wordt Rocard in Frankrijk genoemd. Niet zozeer vanwege de donkere maatpakken die hij draagt of de Gauloises zonder filter die hij achter elkaar opsteekt. De oud-premier en voormalig leider van de Parti Socialiste dankt die bijnaam aan het stempel dat hij op bijna tachtigjarige leeftijd nog altijd op het Franse politieke leven drukt. In 2009 leidde hij samen met oud-premier Alain Juppé de commissie die adviseerde over de besteding van een door de regering uitgeschreven staatslening van 35 miljard euro. Datzelfde jaar zat hij de commissie voor die op verzoek van president Sarkozy studeerde op maatregelen die de co2-uitstoot konden beperken. Oók een verloren strijd trouwens, want de regering wist zijn aanbevelingen behendig onder het tapijt te schuiven - een actie die Rocard kwalificeerde als een 'misdaad tegen de menselijkheid’.
De man die zich in de jaren zeventig ontpopte als de grote rivaal van partijgenoot François Mitterrand heeft de rede die Tony Judt in 2009 hield aan New York University - en die de basis vormde voor zijn boek over de toekomst van de sociaal-democratie Ill Fares the Land - met meer dan gemiddelde aandacht gelezen. Rocard is tenslotte de historische leider van La deuxième gauche, de sociaal-democratische stroming binnen de Parti Socialiste die markt als leidend economisch principe accepteert en zich afzet tegen het marxisme en het jacobinisme, waarvan de partij zich nooit helemaal heeft weten los te maken. Zo bleek in 2002, toen Lionel Jospin na de nederlaag bij de presidentsverkiezingen vanuit de partij het verwijt kreeg 'te veel deuxième gauche’ geweest te zijn. Met andere woorden: niet links genoeg.
Het tekent de onderontwikkelde positie van de sociaal-democratie in Frankrijk. Maar het is belangrijk dat te nuanceren, zegt Rocard, want achter het woord 'sociaal-democratie’ gaan heel verschillende zaken schuil: 'Het eerste is het sociaal-democratische oeuvre: een intellectueel corpus, een serie verworvenheden en de welvaartsstaat. Wat dat betreft heeft Frankrijk het goed gedaan, want die welvaartsstaat hebben we tot stand gebracht. Ons sociale-zeker
heidstelsel is genereus en geheel in overeenstemming met de sociaal-democratische uitgangspunten. Judt onderstreept dat terecht. Maar sociaal-democratie is ook een wijze van regeren die berust op de diep gedeelde overtuiging van zowel politieke partijen als de vakbonden om invloed op de samenleving uit te oefenen en zo hervormingen af te dwingen. Jullie hebben dat traditioneel in Nederland, maar zoiets is in Frankrijk onmogelijk, want de vakbondsleiders zijn decennialang voor onze neus weggekaapt door de machtige Parti Communiste. Een derde element van de sociaal-democratie vormen de politieke partijen en ook wat dat betreft wringt het hier. De Parti Socialiste is ontstaan op het moment dat de strijd voor het algemeen kiesrecht reeds gewonnen was. Mede daarom is de partij sociologisch gezien altijd heel klein gebleven: 130.000 leden, terwijl het aantal sociaal-democraten in een land als Duitsland daarvan een veelvoud is - al meer dan een eeuw is dat het geval.’
Rocard wil maar zeggen: de welvaartsstaat kwam er in Frankrijk niet omdat een krachtige sociaal-democratische partij er gemene zaak maakte met de vakbonden, maar dankzij de inspanningen van het parlement en de zegen van De Gaulle. 'Nederland is het beste voorbeeld van een land waar salarisakkoorden tot stand zijn gekomen dankzij het verbond tussen partijen en vakbonden. In Frankrijk was het de staat die werkgevers tot salarisverhogingen verplichtte met als doel de consumptie te stimuleren.’
L'État, dat is natuurlijk die andere grote Franse uitzondering. Waar de overheid onder invloed van het neoliberalisme vanaf de jaren tachtig elders inboette, daar bleef het geloof in staatsdirigisme in Frankrijk steeds onverminderd groot, gesymboliseerd door de verkiezing van Mitterrand op een programma van nationalisaties, terwijl in Groot-Brittannië en de VS op dat moment respectievelijk Margaret Thatcher en Ronald Reagan werden gekozen. Het geloof in privatisering en de zelfregulatie van de markt vond in Frankrijk ook bij rechts nauwelijks weerklank, onderstreept Rocard: 'Het bleef bij een paar slogans. Over de gehele linie heerste consensus over de rol die de overheid zou moeten spelen en die maakte dat Frankrijk nooit Thatcher of Reagan heeft gevolgd.’
Rocard ziet de twintigste eeuw als het strijdtoneel tussen vier majeure krachten: het fascisme, het communisme, het kapitalisme (de uiteindelijke winnaar) en de sociaal-democratie (de kleinste en dus de minst hoorbare). 'Na afloop van de Tweede Wereldoorlog koos de sociaal-democratie voor een bondgenootschap met het kapitalisme. Dat deed zij omdat ze de vrijheid wilde veiligstellen, want die vond ze niet terug bij het communisme, hoewel dat, net als de sociaal-democratie, een gelijkheidsideaal voor ogen had. Maar wat Judt terecht zegt is: wees op je hoede! Het kapitalisme is zeer efficiënt, maar ook in hoge mate instabiel. De crisis van 1929 was daarvan het meest sprekende bewijs. Het kapitalisme is niet zelfregulerend, je moet het beteugelen. In dat opzicht zijn wij de politieke stroming die zich het minst heeft vergist. Het kapitalisme van na de periode 1945-1975 was uitzonderlijk: er waren geen financiële crises, er was een stabiele groei van vijf procent per jaar en een lage werkloosheid.’

drie factoren zijn daar volgens Rocard debet aan. In de eerste plaats: de sociale zekerheid die het kapitalisme van een menselijk gezicht voorzag, maar die ook stabiliserend werkte. Tweede: het op Keynes geïnspireerde overheidsbeleid. En ten slotte de dialoog tussen de sociale partners, waarvan het idee volgens Rocard opmerkelijk genoeg is te herleiden tot de autofabrikant Henry Ford: 'Ford stelde: ik betaal mijn werknemers salarissen zodat ze mijn auto’s kunnen kopen. Cynisch? Wellicht, maar het werkte!’
De jaren 1945-1975 zijn de gouden jaren van de sociaal-democratie, stelt ook Tony Judt, om daar direct aan toe te voegen dat we daar niet naar terug kunnen en dat sociaal-democraten iets nieuws moeten verzinnen. Michel Rocard: 'Laat me u iets opmerkelijks vertellen. Het inkomen van de helft van de Amerikaanse werknemers bestaat voor vijftig procent uit koersstijgingen van aandelen. Zelfs in Frankrijk speculeert tegenwoordig meer dan een kwart van de bevolking op de beurs. De aandeelhouders die steeds meer geld willen, de derivatenhandel die is losgekoppeld van de reële economie, dat heeft allemaal een oorzaak en die is dat het kapitalisme de ethische referenties van weleer heeft losgelaten. Kapitalistisch stemmen, dat wilde anderhalve eeuw lang zeggen: wij beschermen jouw vrijheden tegenover al diegenen die deze willen afpakken, zodat je een redelijke kans maakt om door te werken je te verzekeren van een comfortabel bestaan. Zo'n slogan irriteert de captains of industry en de managers van tegenwoordig. Ford stelde dat een krachtige ethiek vereist is aangezien het kapitalisme niet te veel regels wil. Ook van Ford: “Het is een slechte zaak als een topman zich meer dan veertig keer het salaris van zijn gemiddelde werknemer laat betalen.” Nu is dat gemakkelijk vierhonderd keer. Wat ik wil zeggen is dat het “stem kapitalistisch en je kunt door te werken fortuin vergaren” is vervangen door een “stem kapitalistisch en u hebt recht op rijkdom”. Tony Judt biedt daar een antwoord op, want hij bepleit een terugkeer naar de vraag van ethiek, in ieder geval naar die van Henry Ford en eventueel naar die van de Amerikaanse puriteinen, die stelden dat er met geld verdienen niets mis is, mits je de opbrengst maar ten dienste stelt van God, dat wil zeggen: van de gemeenschap.’
Zo'n terugkeer begint wat Rocard betreft door vaart te maken met de regulatie van het internationale financiële systeem. Het belangrijkste daarbij is volgens hem dat banken wordt verboden om te speculeren met geld van spaarders, zoals dat in Amerika in 1933 werd vastgelegd in de zogeheten Glass-Steagall Act.
Volgens Rocard laat Judt een belangrijk aspect onderbelicht. Hij wijst op de laatste Europese verkiezingen, waarbij alle rechtse partijen in het zadel bleven. Zelfs nadat de financiële crisis huisgehouden had. 'Het publiek vraagt nu weliswaar om reguleringen, maar wenst tegelijk zijn “recht op rijkdom” te behouden. De sociaal-democratie van morgen zal in elk geval een antwoord op dat obsessieve winstbejag moeten formuleren. Zij moet handen en voeten geven aan het idee dat waardigheid zich niet uitdrukt in geld, maar in talenten, in creatieve vermogens, in inventiviteit, in artistieke en sportieve prestaties, in de kwaliteit van familiale en intermenselijke banden en vooral in het vermogen feest te vieren. Dat is allemaal niet in geld uit te drukken en beetje bij beetje pakt het doorgeslagen marktdenken ons dat af.’
Volgens Judt hebben politici zich laten verleiden door het vertoog van economen als Milton Friedman met zijn nadruk op efficiëntie, privatisering en winstmaximalisatie. Nóg zorgelijker volgens Judt: politici die het marktdenken van toepassing hebben verklaard op de openbare dienstverlening. Een nieuwe politieke taal is nodig, zegt hij daarom. Maar welke? Rocard: 'Ik deel deze analyse, maar een nieuw politiek vocabulaire? Daarvoor is het veel te vroeg, zoiets duurt minstens dertig jaar om te ontwikkelen. Sowieso is het belangrijk te beseffen dat het debat de laatste jaren veel verder vooruit is gebracht door economen dan door politici. De verantwoordelijken voor de crisis zwijgen. Wie horen we nu? Mensen als Joseph Stiglitz, Amartya Sen en in Frankrijk iemand als Patrick Artus, auteur van Le Capitalisme est en train de s'autodétruire ('Het kapitalisme is bezig zichzelf te vernietigen’, 2005). Onlangs kwamen er tweehonderd economen in Cambridge bijeen om op uitnodiging van Georges Soros na te denken over nieuwe perspectieven, een goed teken, al vind je die natuurlijk niet van de ene op de andere dag.’
Van politici valt sowieso niet veel te verwachten, meent Rocard. Politici die de naam waardig zijn bestaan volgens hem niet meer en zullen ook niet meer bestaan, simpelweg omdat ze niet langer kunnen bestaan. 'De politici die het tegenwoordig voor het zeggen hebben, danken hun macht niet aan hun competentie maar aan hun charisma en de theatrale talenten die noodzakelijk zijn om in het mediacircus overeind te blijven. In termen van krachtsverhoudingen heeft de klassieke politicus die de tijd nam om een boek te lezen of een eigen visie te vormen het volledig afgelegd. Zo'n nieuw politiek vocabulaire kán dus niet komen van de politici zelf. Je kunt je daarom beter op de kiezers richten. De politiek zal dan vanzelf volgen. Het is zaak het publiek uit te leggen dat we minder competitie moeten nastreven, zuinig moeten zijn met grondstoffen en het broeikaseffect moeten terugdringen. Oftewel: dat we minder consumenten van onze aarde moeten zijn en meer van onze vrije tijd. Dat zal de sociaal-democratie van de toekomst zijn.’


Dit is, na het interview met Felix Rottenberg vorige week, het tweede gesprek in een serie over Tony Judts manifest voor een nieuwe politiek. Zijn boek Het land is moe is samen met een exclusieve dvd van zijn rede in New York te koop via www.groene.nl/webwinkel