Tweederangs verkiezingen

‘Stem. Kèjje lachen’

Verkiezingen voor de Provinciale Staten hebben zelden historische betekenis. Van de 25 die er geweest zijn, waren er maar drie echt opzienbarend: 1935 (NSB), 1966 (Boerenpartij) en 1995 (bolkemania, vrij naar taboedoorbreker Frits Bolkestein).

Medium statenv3

De uitslagen zijn binnen, de analyses gedaan. De vraag is nu of deze Provinciale-Statenverkiezingen inderdaad, zoals de afgelopen weken steeds werd verkondigd, van groot nationaal belang zullen zijn. Mocht dat het geval zijn, dan kunnen het met recht historische verkiezingen worden genoemd, want in het verleden zijn de meeste Provinciale-Statenverkiezingen weinig meer geweest dan een rimpeling in de vijver. Ze verdwenen meestal even snel uit het geheugen als de verkiezingsposters van de gemeenteborden. Van de 25 maal dat in de afgelopen honderd jaar verkiezingen voor de Provinciale Staten zijn gehouden, zijn er eigenlijk maar drie aan te wijzen die een plaats in de geschiedenisboekjes hebben gekregen.

De eerste keer dat Provinciale-Statenverkiezingen werkelijk invloed hadden, was in 1935. In dat jaar woedde de grote economische crisis van de jaren dertig in alle hevigheid. Bijna zeshonderdduizend volwassenen waren werkloos, bijna een vierde van de beroepsbevolking. De Centrale Inlichtingendienst, de aivd van die dagen, hield nauwgezet de stemming onder de bevolking bij en was vooral bezorgd over een ‘neiging tot opstandigheid’ onder middenstanders en jongeren die in het Derde Rijk van Adolf Hitler het nieuwe beloofde land zagen. In Nederland beloofde Anton Mussert met zijn Nationaal Socialistische Beweging een soortgelijke wederopstanding.

Uit later vrijgekomen bronnen blijkt hoe verontrust het toenmalige kabinet onder leiding van Hendrik Colijn was over de aantrekkingskracht van de nsb onder jongeren. ‘Met jongelui en jonge meisjes valt er eenvoudig niet over te praten. Die zijn rabiaat nazi’s. Hitler is hun ideaal en Mussert is zijn profeet’, zo verzuchtte minister van Buitenlandse Zaken A.C.D. de Graeff in een brief aan de Nederlandse gezant in Berlijn. ‘Waarheen dit alles nog leiden zal, valt niet te zeggen, maar dat er gevaar bestaat dat Mussert, als hij zich daartoe voldoende krachtig gevoelt, een poging zal doen om naar de macht te grijpen, valt niet te ontkennen.’

Hoe sterk de nsb in electorale zin was, viel in deze jaren echter niet te zeggen. De nsb had nog niet deelgenomen aan verkiezingen en opiniepeilingen bestonden nog niet. Zeker was wel dat de beweging vooral in de steden zeer zichtbaar aanwezig was met haar kringhuizen, colporteurs met partijblad Volk en Vaderland en, tot de afkondiging van het uniformverbod, ook met de in zwart uniform marcherende weermachtafdeling. Het aantal leden was inmiddels de veertigduizend gepasseerd.

De Provinciale-Statenverkiezingen van april 1935 moesten uitwijzen hoe groot de partij echt was. Trots verklaarde de nsb het gehele volk te vertegenwoordigen omdat op haar kandidatenlijsten zowel katholieken als protestanten en zowel boeren als mijnwerkers en zakenmannen stonden. Alleen joden ontbraken op de kandidatenlijsten, hoewel de nsb in deze jaren nog wel joodse leden telde. Formeel nam de nsb weliswaar afstand van de radicale rassenleer van de Duitse zusterpartij, maar in de praktijk was de partij al sterk antisemitisch, zo bleek ook tijdens deze campagne. Een van de slachtoffers van dit antisemitisme was Abraham Asscher, lijsttrekker van de Liberale Staatspartij in de provincie Noord-Holland en overgrootvader van de huidige vice-premier. Asscher was een volksvreemde regent die alles vertegenwoordigde ‘behalve dit Christelijke Nederlandsche Volk, waarvoor wij vechten’, aldus Volk en Vaderland.

Medium statenv

Het resultaat dat de nsb boekte, was vanuit hedendaags perspectief bekeken niet eens zo spectaculair. De nsb behaalde uiteindelijk 7,94 procent van de stemmen en werd daarmee de vijfde partij van het land. Uitschieters waren er in de provincies Limburg (11,7 procent) en Drenthe (11,2 procent), maar ook in veel steden boekte de beweging opmerkelijke resultaten, zoals in Den Haag (12 procent), Utrecht (10 procent) en Amsterdam (11 procent), waar vooral in de grachtengordel en de Apollobuurt veel nsb-kiezers woonden. Grootste verliezers waren de liberalen en de Rooms-Katholieke Staatspartij, die vooral in Limburg een flinke veer had moeten laten.

In het Nederland van de jaren dertig werd deze uitslag als een regelrechte schok ervaren. Met een achteraf gezien opmerkelijk te noemen vooruitziendheid zagen velen in de winst van de nsb indirect ook een gevaar voor de onafhankelijkheid van Nederland. Door de gekozen naam, stijl en standpunten had de nsb veel weg van een Nederlands filiaal van Hitlers nsdap. ‘Landverraders’, zo betitelde Asscher de nsb’ers reeds in 1935 en met hem veel anderen.

Na de verkiezingen van 1935 werd met man en macht gepoogd dit volksvreemd geachte element uit het Nederlandse politieke leven te verwijderen of op z’n minst te isoleren. Er kwamen tegen de nsb gerichte bewegingen zoals Eenheid Door Democratie en het mede door Menno ter Braak opgerichte Comité van Waakzaamheid. De rooms-katholieke kerk verbood katholieken de partij te steunen, net zoals de gereformeerde kerken deden. In politiek Den Haag leidde de zege van de nsb bij de Provinciale Staten tot grote angst voor nieuwe Tweede-Kamerverkiezingen. Tegelijk stond de zittende coalitie onder leiding van Colijn bol van de spanningen en ze viel dan ook in de zomer van 1935. Nieuwe verkiezingen kwamen er echter niet, wel een nieuw kabinet, wederom onder leiding van Colijn, die zich steeds meer als sterke man ging opstellen.

Partijleider Koekoek was met zijn norse blik en morsige kleren allesbehalve een charismatisch leider

Die Tweede-Kamerverkiezingen kwamen er pas in 1937. Toen bleek de bestrijdingsactie zijn vruchten te hebben afgeworpen. Ondanks de sterke slogan ‘Mussert of Moskou’ verloor de nsb bijna de helft van haar aanhang. Veel katholieke kiezers verkozen de heilige sacramenten boven de nsb, terwijl de meer deftige burgerij waarschijnlijk terugschrok van een stem op een gecriminaliseerde en door het isolement gevulgariseerde beweging.

Het zou ruim dertig jaar duren voordat de uitslag van de Provinciale-Statenverkiezingen zoveel opzien zou baren. In de jaren vijftig viel vooral de enorme stabiliteit op: veel kiezers leken zich voor het leven aan bepaalde partijen verbonden te hebben, in goede en in slechte tijden. Zoals het Afrikaanse continent eind negentiende eeuw was verdeeld door enkele grootmachten, zo leek het Nederlandse electoraat gekoloniseerd door enkele gevestigde partijen en bijbehorende zuilorganisaties. De jaren zestig gelden als het tijdperk waarin dit schijnbaar zo stabiele maatschappelijke en politieke landschap drastisch op de schop ging en de burger in de woorden van H.J.A. Hofland ‘gedekoloniseerd’ raakte.

Het is bij zulk soort processen altijd lastig om een beginpunt aan te wijzen, maar in electoraal opzicht zijn de Provinciale-Statenverkiezingen van 23 maart 1966 een goede kandidaat. Net als in 1935 was de uitslag niet eens zo spectaculair, althans vanuit hedendaags perspectief geredeneerd. De pvda, die voor het eerst sinds zeven jaar weer aan een coalitie deelnam (het in 1965 aangetreden kabinet-Cals), verloor ruim een vijfde van haar electoraat, een uitslag die tegenwoordig met gejuich zou worden ontvangen op het partijkantoor. In 1966 heerste grote verslagenheid; de partij had nog nooit zoveel stemmen verloren.

Medium statenv2

De kvp verloor nog minder (een tiende van de stemmen), maar ook daar heerste een grafstemming. ’s Avonds verscheen de oude kvp-mastodont professor C.P.M. Romme op televisie om zijn grote zorgen uit te spreken over het oprukken van ’antidemocratische krachten’. ‘Het doet denken aan de toestand vóór de oorlog’, aldus de kvp-leider van de jaren vijftig. In een toespraak herinnerde pvda-kopstuk Joop den Uyl zijn partijgenoten eraan dat het ‘democratisch socialisme zich altijd tegen totalitaire tendensen en de belagers van de democratie’ had gekeerd. ‘Wij moeten nu alle krachten verenigen’, aldus de toenmalige minister van Economische Zaken. De dag na de verkiezingen verweet de Nieuwe Rotterdamse Courant veel kiezers ‘een belabberde mentaliteit, wat levensgevaarlijk voor de democratie is’ en stelde het Algemeen Dagblad onomwonden: ‘De kiezer is met een brevet van onvermogen uit de bus gekomen.’

De directe aanleiding voor al deze grote woorden was het verrassende resultaat dat de Boerenpartij had geboekt bij deze verkiezingen. De in 1958 door Hendrik Koekoek opgerichte beweging had 6,75 procent van de stemmen behaald, goed voor 44 Statenzetels. Twee dingen vielen in het bijzonder op. In tegenstelling tot wat de naam deed vermoeden was de Boerenpartij ook succesvol in de steden; zelfs in Amsterdam haalde de partij rond de tien procent van de stemmen. Behalve de pvda leek vooral de cpn nogal wat stemmen te zijn kwijtgeraakt aan Koekoek, zo bleek uit analyses. Daarnaast boekte Koekoek ook opvallende successen op het katholieke platteland, dat voorheen zo verknocht leek aan de Katholieke Volkspartij.

Maar misschien wel het meest bijzondere aan het succes van de Boerenpartij was de uitermate amateuristische en weinig doordachte indruk die zij maakte. Feitelijk was zij de politieke arm van een al in 1946 opgerichte protestbeweging van boeren tegen de overheidsbemoeienis met de landbouw en het ontstaan van het zogenaamde Landbouwschap. Haar programma was een curieus mengsel van sociaal-cultureel conservatisme, economisch liberalisme, ‘groot-Nederlands’ nationalisme en agrarisch populisme. Partijleider Hendrik Koekoek was met zijn norse blik, morsige kleren en met zijn in Drentse tongval gedebiteerde wijsheden allesbehalve een charismatisch leider. Hij zat sinds 1963 in de Tweede Kamer en maakte daar vooral indruk door zijn slechte dossierkennis en vaak nogal irrelevante bijdragen. Toch bleek hij in verschillende enquêtes een van de populairste politici op het Binnenhof te zijn. Journalist H.J. Meijer zocht de verklaring in de behoefte van veel media (en hun lezers) aan ‘kostelijke, kosteloze entertainers, die een goedkoop en levensecht stukje amusement bieden’. Daarmee paste Hendrik Koekoek in hetzelfde rijtje als schrijver Jan Cremer, antirookmagiër Robert Jasper Grootveld en sekteleider Lou de Palingboer.

Veel kiezers zijn bereid om in het kieshokje ‘eens lekker gek te doen’ en af te wijken van het normale kiesgedrag

Toch kwamen de zorgen van Romme en Den Uyl over het democratisch karakter van de Boerenpartij niet geheel uit de lucht vallen. Niet alleen had Koekoek meermaals zijn waardering voor het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime uitgesproken, bovendien waren in de Boerenpartij nogal wat oud-nsb’ers actief. Zo ontstond bij de beëdiging van de Eerste Kamer een handgemeen omdat een vvd-senator in een van de nieuwe senatoren van de Boerenpartij een oud-collaborateur herkende. In de herfst van 1966 volgden meer onthullingen over voormalige nsb’ers in de partij, waardoor de Boerenpartij electoraal enigszins terugviel. Het succes van de Boerenpartij viel bovendien in een periode dat de gemoederen in Nederland algeheel nogal verhit waren. Twee weken voor de Provinciale-Statenverkiezingen was de huwelijksvoltrekking tussen Beatrix en Claus uitgelopen op rellen. De door de anarchistische protestbeweging Provo naar de huwelijksstoet geworpen rookbom stond wereldwijd op de voorpagina’s.

Rustig zou het niet meer worden in 1966, ook niet na de Provinciale-Statenverkiezingen. De gemeenteraadsverkiezingen van juni 1966 leverden wederom een zege op voor de Boerenpartij, maar ook voor Provo die in Amsterdam campagne voerde met de bekende leus ‘Stem Provo kèjje lachen’. Het rooms-rode kabinet-Cals viel in oktober 1966 na de nacht van Schmelzer. Nog in dezelfde maand werd d’66 opgericht, terwijl Nieuw Links, een groep jonge pvda-leden, het manifest Tien over rood presenteerde. De Tweede-Kamerverkiezingen van 1967 bevestigden de in 1966 ingezette trend: sterk verlies voor de kvp en pvda en relatief veel stemmen voor buitenstaanders. De tijd van stabiliteit was ten einde.

Medium statenvvd

Wederom duurde het bijna dertig jaar voordat Provinciale-Statenverkiezingen meer dan een rimpeling in de vijver waren. In 1995 werd de vvd bij de Provinciale-Statenverkiezingen voor de eerste keer in de geschiedenis de grootste partij met een stemmenpercentage (27,8) dat ze nadien ook nooit meer heeft overtroffen. Die uitslag was niet te danken aan de verrichtingen van de liberale provinciale fracties (daar gaan provinciale verkiezingen zelden over) maar aan Frits Bolkestein.

In 1990 was Bolkestein leider geworden op een moment dat de liberalen een aantal roerige jaren vol interne conflicten en stemmenverlies achter de rug hadden. Het bleek de vvd moeite te kosten om de stap te maken van de kleine, tamelijk amateuristische partij voor deftige burgers en middenstanders die ze in de jaren vijftig en zestig was geweest naar een echte volkspartij die voor alle gezindten en inkomensgroepen aantrekkelijk was. Onder Hans Wiegel was de vvd vooral heel erg tegen de pvda van ‘sinterklaas’ Joop den Uyl geweest, terwijl opvolger Ed Nijpels zich liet leiden door een tamelijk inhoudsloos liberalisme waarin ‘gewoon jezelf zijn’ het hoogste goed was. In de praktijk voer de vvd vrijwel volledig op het kompas van coalitiegenoot cda dat onder leiding van no-nonsense premier Ruud Lubbers veel vvd-kiezers aantrok. Toen het cda in 1989 besloot verder te regeren met de pvda had de vvd dan ook nauwelijks een eigen politieke agenda en stijl.

Voor beide zou Bolkestein in de daaropvolgende jaren zorgen. Met korte en heldere zinnen drukte hij tegenstanders in het defensief en doorbrak hij allerlei door hem zelf gesignaleerde taboes, zoals het nut van ontwikkelingssamenwerking en de Europese integratie, het gebrekkige spijtbetoon van veel voormalige communisten en de noodzaak van nationalisme. Het meeste opzien baarde Bolkestein ongetwijfeld door als een van de eersten ‘de drie i’s’ te politiseren: immigratie, integratie en islam. Ook nadat de vvd in 1994 was toegetreden tot de paarse coalitie bleef Bolkestein het debat domineren met zijn dwarse standpunten omdat hij als fractievoorzitter in de Tweede Kamer had besloten ‘oppositioneel mee te regeren’.

De campagne voor de Provinciale-Statenverkiezingen van 1995 stond dan ook vrijwel geheel in het teken van Bolkestein en zijn omstreden uitspraken over tal van zaken. Onder anderen de cda-europarlementariërs Hanja Maij-Weggen en Arie Oostlander verweten Bolkestein extreem-rechtse stemmingmakerij tegen immigranten en asielzoekers. ‘Nog meer van dit soort uitlatingen en de brandbommen vliegen door de ruiten’, schreef Oostlander. Voor het eerst werd vervolgens een mechanisme zichtbaar waarmee Nederland later vaker te maken kreeg: de bekritiseerde Bolkestein kon zich door de kritiek niet alleen als klokkenluider maar ook als martelaar presenteren en spon daar electoraal garen bij. Ondanks alle tegenstand durfde hij toch maar mooi te zeggen wat iedereen al lang wist. Met ferme standpunten over immigratie, integratie en islam bleek de vvd-leider een electorale goudmijn te hebben aangeboord (die kiezersonderzoekers overigens al jaren eerder hadden gevonden). Die kennis zou een van zijn naaste medewerkers, een jonge, opvallend geblondeerde Limburger, later goed van pas komen.

Achteraf waren de Provinciale-Statenverkiezingen van 1995 misschien wel het hoogtepunt van wat Trouw-columnist Willem Breedveld ‘bolkemania’ doopte. Weliswaar deed de vvd-leider ook nadien op gezette tijden een ferme uitspraak, maar al snel bleek dat hij zelden bereid was door te bijten. De paarse coalitie bleef stevig in het zadel, geholpen door een na 1995 sterk inzettende economische groei. Een algehele juichstemming overspoelde het land en de door Bolkestein aangesneden thema’s verdwenen weer naar de achtergrond. In 1998 vertrok Frits Bolkestein naar Brussel om eurocommissaris te worden en zou de vvd met Hans Dijkstal verder naar het midden opschuiven. Pas in 2002 zouden ‘de drie i’s’ terugkeren als centrale thema’s, maar nu dankzij Bolkestein-fan Pim Fortuyn.

Provinciale-Statenverkiezingen kunnen kortom wel degelijk een historische betekenis hebben, zij het dat dit nooit te maken heeft gehad met waar ze voor zijn bedoeld, namelijk het kiezen van provinciale vertegenwoordigers en indirect de Eerste Kamer. Wat Provinciale-Statenverkiezingen interessant kan maken is juist het feit dat het ‘tweederangsverkiezingen’ zijn, oftewel verkiezingen waarvan de relevantie voor veel kiezers (en media) minder groot is.

Daardoor zijn de kiezers eerder geneigd om met hun hart te stemmen of om eens een electoraal gokje te wagen. De machtsvraag speelt een minder belangrijke rol en daarmee ook strategische overwegingen. Veel kiezers zijn daarom bereid om in het kieshokje ‘eens lekker gek te doen’ en af te wijken van het normale kiesgedrag. In sommige gevallen zal dit electorale vreemdgaan tot één keer beperkt blijven, maar niet zelden smaakt het naar meer.


Koen Vossen is historicus en auteur van Rondom Wilders: Portret van de PVV


Beeld: Boer Koekoek interrumpeert tijdens een verkiezingsvergadering, maart 1966