Stemmen of kiezen ‘een kwestie van humeur’

Inzet van de gemeenteraadsverkiezingen leken slechts twee kwesties: het opkomstcijfer en de angst voor extreem rechts. ‘Gaat u alstublieft stemmen, wat u stemt doet er niet toe, mits het geen CD is’, riepen de partijleiders in koor. Maar stemmen, dat doe je toch juist als het er wel toe doet? Over het verschil tussen stemmen en kiezen, de mythe van de zwevende kiezer, en de al te simpele gelijkstelling niet-stemmen= CD-stemmen.

De Centrumdemocraten fungeerden in de aanloop naar de verkiezingen als bindmiddel voor de democratische partijen. Hoe meer de verkiezingen naderden, hoe minder andere verschillen ertoe leken te doen er was eigenlijk maar een politieke scheidslijn: die tussen extreem rechts en de rest. ‘Gaat u alstublieft stemmen, wat u stemt doet er niet toe, mits het geen CD is’, riepen de partijleiders. Het is een mengeling van oprechte bezorgdheid en behoefte aan een bliksemafleider. Vorige week kwam daar een tweede gezamenlijke vijand bij: de te verwachten lage opkomst. 'De stabiliteit van het land staat op het spel’, en: 'De democratie is in gevaar’, zo klonk het. Maar waarom die totale somberheid over opkomstcijfers die bijvoorbeeld in de Verenigde Staten de normaalste zaak van de wereld zijn?
Cees van der Eijk, hoogleraar politicologie in Amsterdam en gespecialiseerd in kiezersonderzoek: 'Het heeft te maken met de eigen desorie"ntatie van de politiek. Het is net als wanneer je liefdesrelatie net is stukgelopen: op zo'n moment zie je de wereld ook een stuk somberder dan ze in werkelijkheid is. En ook dan hoef je als omgeving niet in die somberheid mee te gaan.’
Bij het ter perse gaan van dit weekblad was nog onbekend hoeveel mensen uiteindelijk ter stembus zouden gaan. Mochten het er toch meer zijn dan vlak van tevoren werd voorspeld, dan zal allicht de conclusie worden getrokken dat de dramatische stemoproepen van de partijleiders effect hebben gehad. Maar ook bij een tijdelijk positief effect zijn dergelijke oproepen gevaarlijk, meent Van der Eijk: 'Het prent bij de kiezers een a-politiek perspectief in: als je maar stemt, de richting doet er niet toe. Maar er is een verschil tussen stemmen en kiezen, het gaat er om dat mensen kiezen.’
De campagne 'Komt alsublieft stemmen, doet er niet toe wat’ zou bovendien wel eens averechts kunnen werken. Mensen gaan immers vooral stemmen, zo blijkt uit onderzoek en ook uit de opkomstcijfers van eerdere verkiezingen (de hoge opkomst in 1977 en in 1986), als er echt iets op het spel staat. De stem oproepen en ook de dominantie door het CD-vraagstuk versterken het beeld dat partijen (afgezien dan van de CD) 'een pot nat zijn’ en het 'door de hond of door de kat’-syndroom. En de landelijke media droegen hier forse stenen aan bij. Urenlang werden luisteraars en televisiekijkers de afgelopen dagen vergast op 'Wat te doen tegen de CD?’, met alle uitglijders van dien in de vorm van uitspraken als: 'Gemeente X zit met het probleem van 25 procent buitenlanders.’
De afgelopen dagen legden politici regelmatig een verband tussen niet-stemmen en de opkomst van extreem rechts. Hoe dat verband precies ligt, blijft echter onduidelijk: Is niet-stemmen even verwerpelijk als CD-stemmen? Of zijn beide een teken van de wankelende democratie? Of verklein je door niet te stemmen de kiesdeler waardoor extreem rechts meer kans krijgt? Ook Brinkman kwam er niet uit en stelde zaterdag dat niet-stemmen 'kansen geeft aan protest eh…’ Van der Eijk: 'Het verband tussen een lage opkomst en de opkomst van extreem rechts bestaat niet. Op dit moment doen in Nederland beide fenomenen zich misschien tegelijkertijd voor, maar niets wijst er op dat die twee samenhangen, ook niet in het buitenland. De suggestie legt een onterechte doem op het niet-stemmen, alsof de mensen die niet gaan stemmen wel ongeveer hetzelfde zullen denken als de CD-stemmers of op z'n minst erg ontevreden zijn. Er is een kleine groep mensen die en rechts-populistisch denkt, en vaak niet gaat stemmen, maar als geheel zijn de stemmers nauwelijks te onderscheiden van de niet-stemmers.’
Het is echter niet onwaarschijnlijk dat politici, gezien de op zichzelf terechte onevenredige aandacht voor 'probleemwijken’, juist met deze kleine groep ontevredenen in contact komen. In de steden wordt u"berhaupt beduidend minder gestemd dan in de rest van het land, en in de steden is bovendien de onmacht van de politiek het meest zichtbaar (werkloosheid, criminaliteit). De relatie is dan snel gelegd: het vertrouwen in de politiek of zelfs de democratie staat op het spel.
Iets te voorbarig, zo blijkt uit alle onderzoeken die werden gehouden na het massale wegblijven van de kiezer bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1990 (opkomst 61 procent). Het gros van de thuisblijvers deed dat uit tijdgebrek, 'Het is er niet van gekomen’ (te vertalen als desinteresse), of gebrek aan een partij waar men warm voor kon lopen. Slechts een heel kleine minderheid (minder dan tien procent) noemde in 1990 redenen als: 'Er wordt toch niet naar mij geluisterd.’ Zeker zo opmerkelijk zijn overigens de redenen die mensen opgeven om wel te gaan stemmen: burgerplicht, omdat het nu eenmaal zo hoort.
Van der Eijk: 'Het thuisblijven zegt wel degelijk iets over de legitimiteit van politieke partijen, die hun bestaansrecht ontlenen aan de kiezer. Maar dat is wat anders dan dat de legitimiteit van de politiek of de democratie op het spel zou staan.’ Sterker nog, Nederlanders blijken uitermate tevreden met het functioneren van het politieke systeem. Van der Eijk: 'En ook het gezag van politici en bestuurders staat niet ter discussie, al heeft men in de een natuurlijk wel meer vertrouwen dan in de ander. Lubbers en ook iemand als Van Thijn zijn mensen met algemeen aanvaard gezag. Het enige wat ter discussie staat, is het beleid. Maar dat is tegelijkertijd het wezen van de democratie.’
Van der Eijk heeft ook bezwaar tegen het begrip zwevende kiezer. 'De echte zwevende kiezer bestaat nauwelijks. Wel twijfelen veel mensen tot vlak voor de verkiezingen tussen twee partijen: wordt het PvdA of GroenLinks, wordt het CDA of VVD.
Het zijn voor politieke partijen onzekere kiezers, maar de term zwevende kiezer wekt de indruk dat mensen het helemaal niet meer weten, alsof ze volkomen losgeslagen zijn. Onzin.’
Wel valt nu al te voorspellen dat bij de verkiezingen van woensdag meer mensen zullen verklaren dat zij uit protest wegbleven. Waarschijnlijk is de onvrede over het beleid groter, maar daarnaast zullen veel mensen het 'uit protest niet stemmen’ beschouwen als het sociaal-wenselijke antwoord.
Het zijn steeds verschillende mensen die niet gaan stemmen, zo blijkt uit onderzoek. Er bestaan nauwelijks permanente niet-stemmers. 'Het zou een veeg teken zijn als er een groep was die zich systematisch niet-vertegenwoordigd en niet-gehoord voelt. Maar dat is dus niet aan de hand’, zegt Philip van Praag, politicoloog en betrokken bij het Nipo/Volkskrant-verkiezingsonderzoek. Op het moment dat de opkomst bij verkiezingen onder de vijftig procent zakt, wordt al gauw gesproken over een 'minderheid’ die over een 'meerderheid’ beslist. Maar juist omdat de niet-stemmer niet noemenswaardig verschilt van de stemmer, is dit niet aan de orde. Een gemeenteraad die is gekozen door veertig procent van de stemgerechtigden zal geen andere besluiten nemen dan een raad die door tachtig procent van de bevolking is verkozen. Wel wordt het, al was het maar in psychologische zin, moeilijker om het verzet van belangenlobby’s te negeren. Het houden van referenda is dan een goede mogelijkheid om belangrijke beslissingen alsnog aan de bevolking voor te leggen, waardoor de politiek zich niet hoeft blind te staren op een bepaalde lobby. In dat geval staat het referendum op zichzelf, en is het niet een middel om bij de volgende verkiezingen meer aldus betrokken gemaakte kiezers naar de stembus te krijgen, zoals politici het nu vaak aangrijpen. Bij referenda, ook in het typische referendumland Zwitserland, gaat vaak niet meer dan dertig procent van de mensen stemmen, maar de uitslag blijkt representatief voor de bevolking en wordt door iedereen gerespecteerd.
Waar een lage opkomst in ieder geval niet mee te maken heeft, is politieke desinteresse. De politieke betrokkenheid (gemeten naar het lezen van politiek nieuws, het praten over politiek, en politieke participatie in de brede zin des woords), bleef de afgelopen twintig jaar ongeveer gelijk of nam zelfs iets toe. Het 'politieke zelfvertrouwen’ het vertrouwen zelf iets te kunnen bewerkstelligen als dat nodig is, het gevoel serieus te worden genomen neemt zelfs fors toe. Maar tegelijkertijd daalde de afgelopen veertig jaar het aantal mensen dat lid is van een partij van vijftien naar vier procent, terwijl vrijwel alle partijen moeite hebben met het recruteren van actief kader. Het is kortom slechts de partij-politiek die steeds minder aantrekkelijk wordt gevonden.
Het Sociaal Cultureel Planbureau verdiepte zich na 1990 uitgebreid in het niet- stemmen en concludeerde: 'Als het nu eens simpelweg zo is dat mensen andere dingen aan hun hoofd hebben, geen grote lokale idealen of klachten hebben en hun eventuele politiek engagement welbewust niet wensen te associe"ren met het gemeentebestuur?’ Om vervolgens op het risico te wijzen dat een extra beroep op de potentiele thuisblijver wel eens averechts kan werken. Het wel of niet stemmen, zo stelt het SCP, 'wordt meer een kwestie van humeur en van de wisselende aantrekkingskracht van het politieke spel’. En: 'Als er al een probleem is, dan is dat niet een algehele afkeer van de politiek, of een plotseling schrijnend gebrek aan burgerzin, maar een afnemende institutionele betrokkenheid.’ Althans: betrokkenheid bij het instituut politieke partij. Het Planbureau durft: 'Allicht rijst de verdenking dat politici niet zozeer lijden onder een gebrekkige democratie, als wel onder gebrek aan aandacht voor hun macht.’
En het SCP komt met nog een aardige observatie. De politiek vraagt voortdurend begrip voor bestuurlijke beperkingen en roept burgers op zoveel mogelijk zelf hun problemen op te lossen. Is het dan gek dat mensen minder gaan stemmen? De overheid roept voortdurend dat ze zich moet terugtrekken, dat ze zo verrekte weinig in de melk te brokken heeft. Het hele circus van decentralisatie en verzelfstandiging vermindert juist de aanspreekbaarheid van de politiek.
Ook Philip van Praag begrijpt goed dat mensen minder gaan stemmen. 'De politiek, en zeker de lokale politiek, doet er alles aan om issues te depolitiseren. Ieder besluit wordt tot een technocratische afweging teruggebracht. Neem de Betuwelijn, of in Amsterdam de Noord-Zuidlijn. Er worden jarenlang technische discussies gevoerd, over een principiele afweging gaat het niet. Vrijwel alles wordt gebracht als: “Het kan nu eenmaal niet anders.” De democratie verschraalt door zo'n gebrek aan echte keuze mogelijkheden.’
Om te gaan stemmen moet je je bovendien positief met een partij identificeren. Van der Eijk: 'Politieke partijen zijn niet een pot nat, er zijn echt wel verschillen, maar de desorientatie die bij veel mensen heerst, is er ook bij de politiek. Zij putten zich uit in: “Wij weten het ook niet precies, u moet niet teveel verwachten.” Wat dat betreft hebben ze de kiezer dus weinig te bieden. Waar het om gaat, is het duidelijk maken van keuzen, het uitleggen van beleid.’
Al is een lage opkomst niet meteen een teken dat de samenleving wankelt, het is wel een teken van het falen van politieke partijen. Volgens Van Praag zit de oplossing in een hernieuwde politisering en polarisatie van de politiek. 'Partijen falen in het verwoorden van een brede visie, ze moeten weer ergens voor staan. En aan tegenstellingen herken je de politiek.’
Jurist en PvdA-kamerlid Erik Jurgens pleitte naar aanleiding van het debacle in 1990 ook al voor nieuwe partijen op basis van nieuwe tegenstellingen, omdat de oude tegenstellingen geen tegenstellingen meer zijn. Nee, meent echter Pieter Tops, politicoloog gespecialiseerd in lokale poltieke vernieuwing, politici moeten juist niet te veel een eigen mening hebben. De belangrijkste taak van de politiek is het in goede banen leiden van besluitvorming tussen verschillende belanghebbenden. Tops: 'De kiezer heeft zijn langste tijd gehad, de burger moet meer en meer co-producent van beleid worden.’ Hij noemt dat 'maatschappelijke democratie’, terwijl hij de oplossingsrichting van Van Praag 'institutionele democratie’ noemt, een terminologie die Tops’ voorkeur niet verhult.
Vooralsnog ziet het er naar uit dat politieke partijen in beide strategieen falen. Het lukt partijen niet een brede visie te formuleren en vooral ook uit te dragen, terwijl de politiek ook geen enkele behoefte lijkt te hebben aan werkelijke invloed van de burger. De veelgeroemde bestuurlijke vernieuwing bij gemeenten bestaat voor drie kwart uit het stroomlijnen van de rijbewijsafgiften of het verzelfstandigen van gemeentelijke diensten. En bij de behandeling van de voorstellen van de commissie-Deetman keerde de Tweede Kamer zich massaal tegen meer invloed van het volk. Protest wordt meer en meer afgedaan als 'eigenbelang’, en nieuwe wetgeving moet voorkomen dat burgers besluiten te lang kunnen tegenhouden.
Maar stemmen zullen we.