Boek van de Maand: ‘Fredy Neptune’

Stemmen van een tijd

De juryleden selecteren uit het boekenaanbod ieder een persoonlijke favoriet. Deze maand koos Kees ‘t Hart voor het lange gedicht Fredy Neptune van Les Murray, Pieter van Os voor Kramp van Gao Xingjian, Jacq Vogelaar voor De Kapucijner Crypte van Joseph Roth en Solange Leibovici voor Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd van Oliver Sacks. Nadat de juryleden elkaars favorieten hadden gelezen, werd Fredy Neptune verkozen tot Boek van de maand.

Les Murray, Fredy Neptune

Vertaald door Peter Bergsma

Uitg. Meulenhoff 263 blz. € 34,03

In Nederland zijn na 1900 niet meer veel lange, zo men wil epische gedichten geschreven. Gorter publiceerde in 1913 Pan, met regels als: «Ik kom vooruit om hunne komst te zingen/ Den arbeiders te laten zien de zaligheid,/ Die daar beneden door hen wordt bereid». In 1916 gooide hij dit gedicht helemaal om, vermeerderde het tot een groots werk van 493 pagina’s met verbluffend fraaie scènes, niet alleen meer over de glorieuze opkomst van de arbeiders, maar ook met lofzangen op de moderne muziek, kunst en industrie. Het eindigt als volgt: «Eeuwig hooger brandende in elkander./ Verdwenen was de goudeenzame Geest,/ Verdwenen was Alles wat was geweest./ Zij waren ééne kracht, één macht, en één/ Wezen van leven, van ziel en van leên». Vestdijk waagde zich voor de Tweede Wereldoorlog nog wel aan lange verhalende gedichten, en ook Marsman en Nijhoff, maar die hebben niet de pretentie en de spankracht van Gorters werk.

In Nederland heeft de traditie van het lange gedicht sterk te lijden gehad onder de naoorlogse «experimentele» poëzie die het zocht in kort werk dat zich zoals dat heet «afzette tegen bestaande tradities» en uiteindelijk doodliep in poëzie over stilstand, leegte en eigen klein leed. Waar blijven de dichters die het weer groots aanpakken? Hou toch eens op met dat kleine geneuzel!

De laatste tien jaar lijkt er wel weer enige verandering te komen. Robert Anker schreef bijvoorbeeld een paar langere gedichten en recent kwam André Verbart met het lange gedicht 98. Maar voor het grotere epische werk van na de Tweede Wereldoorlog moeten we vooral in het Angelsaksische taalgebied zijn met werk van William Carlos Williams (Paterson), Wallace Stevens en Charles Reznikoff. Ook nu zijn er Engelstalige dichters die grootscheepse poëtische werken publiceren. Graig Raine bijvoorbeeld, met zijn enorm lange werk History: The Home Movie uit 1994 dat onder meer de geschiedenis van de familie Pasternak vertelt. Of Anne Carson, die in 1999 een fraai prozagedicht schreef: Biography in Red.

De vraag is natuurlijk waarom je een lang gedicht zou schrijven. Waarom geen proza? Bij Gorter is het duidelijk: hij sloot zich bewust aan bij de traditie van het epische gedicht, bij Milton, bij Vondel, omdat hij meende dat zijn onderwerp dit vereiste: de wording van een nieuwe wereld kan alleen in grootse verzen gevangen. In Paterson probeert Carlos Williams een stad empirisch vast te leggen, ook de geluiden, de geuren, de geschiedenissen van de bewoners, dus een alomvattend beeld te creëren. Alleen in poëzie is dit mogelijk, omdat poëzie meer ruimte geeft voor dwarsverbindingen, stiltes, uitweidingen en onverwachte verbanden dan proza. In proza heersen te veel de wetten van de vertelling die alles wat daar buiten dreigt te vallen, proberen op te slokken. Carlos Williams sluit zich dus niet zozeer aan bij de traditie, maar wil een eigen en nieuwe vorm van geschiedschrijving introduceren die alleen in poëzie van de grond kan komen.

Hetzelfde geldt voor het jaloersmakende, schitterende lange gedicht Fredy Neptune (ondertitel Roman in verzen) dat de Australische dichter Les Murray in 1998 publiceerde en dat kort geleden door Peter Bergsma werd vertaald. Murray probeert een nieuwe vorm van geschiedschrijving uit waarbij het hem niet gaat om een chronologie van de «belangrijkste gebeurtenissen» zoals dat gebruikelijk is in de geschiedschrijverij, maar om de uitwerking van historische gebeurtenissen op een individu. Dus niet de grote ideologieën nog eens naverteld, plus de grote namen en een samenvatting achteraf van de gebeurtenissen vanuit het perspectief van het heden. Maar een geschiedenis vanuit loopgraven, schepen, straten, kroegen en huiskamers, direct meebeleefd en niet achteraf tot glad verhaal geconstrueerd.

In Fredy Neptune kruipen we in de huid van ene Freddy Boettcher, Australiër van Duitse afkomst, die eerst in Dungog, Australië woont, die het zeegat uittrekt en toevallig belandt in de verschrikkingen van de Eerste Wereld oorlog. Hij maakt het beleg mee van Gallipoli en moet gedwongen dienen in zowel de Duitse als de Engelse legers. Hij raakt emotioneel getraumatiseerd wanneer hij de moord op een grote groep Armeense vrouwen meemaakt die bij Trabzon levend worden verbrand. Murray beschrijft het huiveringwekkend gruwelijk: «Ze scholen bijeen, doodsbang, huilend/ kruisjes slaand, te midden van allemaal schreeuwende mannen./ Hun grote wijde jurken waren drijfnat. Petroleum, je kon het ruiken./ De mannen paradeerden, zaten aan ze, porden om ze te laten dansen —/ toen zoef! Brandden ze, de vrouwen, donkere lonten van oranje steekvlammen,/ krijsend en gillend.» En een paar verzen verderop raakt hij al zijn lichamelijke gevoel kwijt: hij kan geen pijn meer lijden, geen lust opbrengen. Dit gedicht is op te vatten als een poging zintuiglijke gevoelens terug te veroveren. «Geen pijn of plezier. Alleen een zweem van dat gevoel/ dat zegt waar de delen van je zijn». Hierna leert hij net te doen alsof hij gevoelens heeft.

Boettcher trekt door de wereld, werkt als sterke man in circussen, belandt bij de film in Hollywood, maakt de opkomst van de nazi’s in Duitsland mee, werkt aan boord van zeppelins, belandt in een Amerikaans gekkenhuis, et cetera. Zo samengevat lijkt dit gedicht niet méér te zijn dan een eigentijdse schelmen roman, maar het is veel meer. Murray slaagt erin zijn verhaal te ontdoen van iedere gladde vanzelfsprekendheid die een kenmerk is van de meeste eigentijdse romans. Dit boek is een waarachtig gedicht omdat het een talig wonder is. Murray laat zijn zinnen zingen, ritselen en stampvoeten. Laat associaties meedeinen, laat stemmen horen van steenkolensjouwers, sterke mannen en onbeholpen artiesten. Hij strooit door het hele werk met de prachtigste beelden, onverwachte inkijkjes, raadselachtig heden, hilarische of verschrikkelijke gebeurtenissen en parodieën op menselijke pretenties. Kopstukken kom je bij hem nauwelijks tegen, alleen heel even Marlene Dietrich in Holly wood die hij zijn verhaal vertelt. «Is uw huid dan doof? vroeg ze./ Ik slikte Ja. Overal doof?/ Ook dat beaamde ik.»

Murray brengt mensen in beeld zonder ze te voorzien van een achteraf kloppende en verantwoorde redenering, de verschrikkingen krijgen een bijna vanzelfsprekende stem. Het heeft geen zin om nog verder fragmenten te citeren, ik weet niet wat ik uit zou moeten kiezen, je kunt wel aan de gang blijven. Murray is een taalartiest, een prachtige vertelman, een taalbarbaar. Dit gedicht dompelt je onder in de geuren, de taal, de geluiden, de verlangens en de stemmen van een tijd. Een meesterwerk. (Kees ’t Hart)

Joseph Roth, De Kapucijner Crypte

Uit het Duits vertaald door Wilfred Oranje Uitg. Atlas

175 blz. € 18,11

De naam Joseph Roth is welbekend — misschien jammer voor hem, want onbekende Midden-Europese auteurs uit het interbellum doen het goed in vertaling. De nieuwe vertaling van drie romans over Oostenrijk — Radetzky mars, Het sprookje van de 1002e nacht en De Kapucijner Crypte — is wellicht een aanleiding om hem toch maar weer eens te lezen. Roth (1894-1939), van wie vooral bekend is dat hij veel dronk en, altijd onderweg, in hotels leefde en schreef, heeft (daardoor) de naam van verteller gekregen, en meestal betekent dat: eenvoudige verteller, wat niet voor iedereen een aanbeveling is. Dan is aan De Kapucijner Crypte (1938) opmerkelijk dat de korte hoofdstukken een soort miniaturen lijken, korte vertellingen zo men wil, maar dat de roman in feite weinig vertelt en expliciet zelfs hele vertellingen uitspaart.

Roth laat zijn hoofdpersoon Franz Ferdi nand Trotta een boeklang treuren over de wereld waarin hij zich thuisvoelde en die hem ontnomen wordt waar hij bij staat — aan het verlies waarvan hij als luitenant in het Oosten rijkse leger tijdens de Grote Oorlog eigenhandig bijdraagt. Pas veel later werd die oorlog «wereldoorlog» genoemd, voor de hoofdpersoon terecht, «niet omdat de hele wereld deze oorlog voerde, maar omdat wij allen als gevolg van de oorlog een wereld, onze wereld, verloren» — het was een wereld die bijeengehouden werd door de geest van de oude monarchie.

«Ik ben geen kind van deze tijd», zegt hij op de eerste pagina. De broer van een grootvader heeft ooit het leven van keizer Franz Joseph gered; de vader van de hoofdpersoon was een rebel en patriot, die het rijk wilde hervormen en Habsburg redden, en om die reden een verdacht persoon werd en moest vluchten; diens zoon hoort nergens meer bij. In de Kapucijner Crypte liggen zijn keizers begraven. Hij ziet zijn generatie als ten dode opgeschreven, vanaf de geboorte aan de oorlog gewijd en na de oorlog rondlopend als levende doden onder de overlevenden. Op die manier blijft de hoofdpersoon een buitenstaander, ook in zijn eigen leven ten opzichte van zijn moeder en de vrouw met wie hij op de dag voordat hij de oorlog inging is getrouwd en die hij bij terugkeer in het gezelschap van een hartsvriendin aantreft.

Wat hem in de oorlog is overkomen, wordt in enkele regels afgehandeld. Dat hij bij de eerste veldslag door Russen krijgsgevangen werd gemaakt en naar Siberië gestuurd, een reis van een half jaar, doet de verteller als volgt af: «Over de omwegen en over de rechte wegen waarop we naar Siberië kwamen, vertel ik niet. Wegen en omwegen spreken voor zich.» Voor een vertelling is wat er wordt meegedeeld over de verdwenen wereld van de dubbelmonarchie, het heimwee (bij voorbaat) en het voorgevoel van de grote ineenstorting, de misplaatstheid van iemand die overal verloren loopt, nogal uitdrukkelijk, expliciet en dubbelop. Beter kun je het boek lezen als mijmeringen met als het zo uitkomt een paar herinneringen die worden opgehaald. De herhaling is dan een manier om te vertellen hoe teleurstelling en treurnis aan iemands gemoed knagen. «Wat gingen de dingen van deze wereld mij nog aan?» besluit de verteller. (Jacq Vogelaar)

Oliver Sacks, Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd

Uit het Engels vertaald door Han Visserman

Uitg. Meulenhoff 310 blz. € 19,50

Zelden schreef iemand zo'n ingetogen, introverte autobiografie: Oliver Sacks’ Oom Wolf raam en mijn chemische jeugd is in de eerste plaats een prachtig geschreven geschiedenis van de scheikunde, en van de obsessieve manier waarop een joods jongetje in het Londen van de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw daarmee kennismaakt. De liefde voor de chemie had Oliver niet van een vreemde. Zijn moeder studeerde scheikunde en op de vele vragen die het jongetje haar stelde, ging zij altijd gretig in. Maar het was vooral oom Dave die als eigenaar van een lampenfabriek — met bijbehorend laboratorium — wolfraam als zijn metaal beschouwde, die Olivers belangstelling voor de magische eigenschappen van de chemie stimuleerde. Voor oom Wolfraam was wetenschap zowel een intens menselijke als een intellectuele onderneming, en Oliver nam dit als vanzelfsprekend van hem over. Hij voelde zich verbonden met de grote scheikundigen van het eerste uur, die hij als oude vrienden beschouwde en wier levensverhaal met het zijne verweven raakte. Daarmee beleefde hij zelf de geschiedenis van de scheikunde en ontdekte hij opnieuw alle stadia die deze had doorlopen.

Tegenwoordig zouden we de jonge Oliver een nerd of een watje noemen, want dit soort intelligentie, enorme nieuwsgierigheid en honger naar kennis op alle gebieden van de natuurwetenschappen wordt doorgaans minder gewaardeerd dan het dragen van het juiste merk spijkerbroek. Hij was een intellectueel vroegrijp kind dat weinig vrienden had en het liefst alleen in zijn eigen kleine laboratorium met metalen en gassen experimenteerde. Veel van zijn jeugdherinneringen gaan over metalen, die een soort macht op hem uitoefenden omdat zij door hun hardheid en schittering afstaken bij de vormeloosheid van de wereld. De ontdekking van Mendelejevs periodiek systeem riep in hem een soort extase op, en het lezen over atomen bracht hem in verrukking. In de eigenschappen van radium ontdekte hij een vorm van poëtische schoonheid. Hij was niet verliefd op meisjes maar op cijfers, en zijn eerste erotische ervaring was het aanraken van met helium gevulde ballonnen met hun zacht opbollende, glanzende stof.

Hier en daar kondigt zich dwars door Sacks’ verhalen over grote scheikundigen de wetenschap aan waarin Sacks wereldwijd naam maakte: de neurologie. Denk aan boeken als De man die zijn vrouw voor een hoed hield, Een antropoloog op Mars en Het eiland der kleurenblinden. Wan neer hij na een verhaal over zijn kennismaking met röntgenstralen opmerkt dat schizofrenen menen dat hun gedachten met x-stralen gelezen of beïnvloed kunnen worden, herkennen we de man die het grote publiek bekendmaakte met autisme en het syndroom van Gilles de la Tourette, een ziekte waar hij volgens hemzelf bijzonder op is gesteld.

Oliver Sacks werd tot de natuurwetenschappen aangetrokken door zijn passie voor orde en voor het gevoel van stabiliteit en onveranderlijkheid van de elementen, voor de formele intellectuele schoonheid van de wereld. Wan neer er nieuwe interesses ontstaan, geven de natuurwetenschappen hem geen bevrediging meer en hunkert hij naar het menselijke en persoonlijke. Dan ontdekt hij de muziek en de poëzie, waar hij zich met evenveel enthousiasme op stort.

Sacks ging een nieuwe weg in, maar zijn hartstocht voor scheikunde verdween nooit helemaal. ’s Nachts droomt hij nog weleens dat het rastervormige periodiek systeem is omgevormd tot het rastervormige stratenplan van Manhattan, of dat hij als Hafnium naar de opera gaat en een loge deelt met zijn vrienden, de zware metalen Tantaal, Osmium, Platina, Goud en Wolfraam. (Solange Leibovici)

Gao Xingjian, Kramp

Uitg. Meulenhoff 127 blz. € 13,50

«Een oeuvre van universele waarden, bittere inzichten, en taalkundige vernuftigheid.» Aldus oordeelde in 2000 de jury van de Nobelprijs voor literatuur over het werk van winnaar Gao Xingjian, een destijds relatief onbekende Chinese schrijver wiens werk nauwelijks was vertaald. Een jaar na de uitreiking verscheen Kramp, een bundel vertaalde verhalen die voor het Nederlandse publiek een eerste kennismaking vormen met het werk van Gao.

Uit de zes verhalen blijkt vooral de laatste kwalificatie: taalkundige vernuftigheid, niet de bittere inzichten of universele waarden, of het moet zijn dat de in Zweden gezetelde oordelaars de aandacht voor taal, louter om wille van de taal, als een van die inzichten of waarden zien.

In zijn acceptatiespeech noemde de 61-jarige Gao zelf (Xingjian is zijn voornaam) zijn beste werk «koude literatuur». De verhalen in Kramp, die hij zelf voor zijn Nederlandse uitgever uitkoos, kwalificeerde hij als de «neerslag van mijn pogingen de destijds heersende opvattingen van literatuur te vernieuwen». Plot en andere narratieve elementen zijn daarbij volstrekt onbelangrijk. Sterker, taal moet volgens Gao, en dat is te lezen, van iedere ideologische connotatie worden «ontsmet». Eigenlijk zelfs van ieder idee. In associatief taalgebruik onderzoekt Gao de mogelijkheid de wereld in woorden te vangen, «zonder die van betekenis te voorzien», wat op de lange duur, al telt de bundel slechts 127 bladzijden, enigszins begint te vervelen.

Dat betekent niet dat de verhalen uit Kramp niet belangwekkend zijn. Door iedere keer te experimenteren met een andere vertelwijze, zonder concessies te doen aan zijn uitgangspunten, toont Gao zich een geraffineerd woordkunstenaar. In «Een hengel voor mijn grootvader» vermengen jeugdherinneringen, vooral die aan opa, zich met de finale van de wereldkampioenschappen voetbal in 1986; net als alle andere verhalen in de bundel kent het geen enkele beeldspraak, en schijnbaar moeiteloos wordt er overgesprongen van een aanvalssituatie voor het doel van Duitsland, gecreëerd door Diego Armando Maradona, naar een dode, verdroogde vis in een zandverstuiving op de plaats van het ouderlijk huis; dit alles in zinnen net als deze, die eindeloos, soms bladzijdenlang voortduren en waarin het wachten op een punt slechts na veel geduld wordt beloond. Punt.

Het laatste verhaal, «In een oogwenk», betreft de evocatie van een surrealistisch filmpje, met geluid en al, waarin Gao’s pogingen de werkelijkheid en droomervaringen in woorden te vangen slechts beelden zonder enig onderling verband genereren. Een veelzeggend citaat uit dit verhaal: «Begrijpen doet er niet toe, wat er toe doet is dat die vogels vol overgave door de blauwe hemel vliegen en luid krijsen, de betekenis ligt daarin besloten.»

Het beeld van de vogels is betekenis genoeg. Zonder beeldspraak moet bij Gao het beeld spreken, wat, meer dan naar nieuwe verhalen, vooral benieuwd maakt naar zijn schilderijen, die Gao vervaardigde ergens in een buitenwijk van Parijs, en die hem tot het moment dat hij de Nobelprijs ontving een bescheiden inkomen garandeerden. In elke alinea creëert Gao nieuwe beelden, maar zonder enige causaliteit lossen verwoorde beelden, ander dan geschilderde, op in het luchtledige. (Pieter van Os)