Stemming

Het werk van Wilhelm Lehmbruck draait om de uitdrukking van een stemming, iets ongrijpbaars. Zijn beelden zijn eigenlijk niet visueel te begrijpen. Wel met intuïtie.

In Duitse catalogi van de kunst van Wilhelm Lehmbruck worden de verschillende versies van het dromerige vrouwenkopje uit 1910 genoemd als geneigter Frauenkopf – ook wel gesenkter. Dat zijn empathische benamingen die de beeldhouwer zelf ook gebruikte. Bij het maken van zo’n kopje ging het hem om de uitdrukking van ingetogen stemmigheid door het hoofd zo teer gebogen op hals en nek te plaatsen en in die zachte buiging te laten draaien. Ook zijn haar oogleden geloken. Het beeld is dus niet een portret, want dan maak je een gezicht dat je kan aankijken. Wel heeft Lehmbruck zeker bij het observeren van hoe de schouders het hoofd dragen met een model gewerkt. Wat hij gezien heeft, is concreet geworden – niet in naturalistische details van de kop maar wel in de vloeiende, zachtaardige plastiek ervan.

Van dit motief, dat in zichzelf verzonken kopje, bestaan dus meerdere versies waarvan deze nog de meest schetsmatige is. Het kopje is gemaakt van zachte terracotta. De soepele kneedbaarheid van die klei paste precies bij Lehmbrucks behoedzaam tastende manier van vormgeven. De huid van het kopje laat sporen zien van de vingers (en de spatel) waarmee de beeldhouwer knedend en smerend en strijkend het volume adem en leven heeft gegeven en, letterlijk, een zichtbare, onderhuidse spanning. Onderweg, denk ik, raakte het levende model geleidelijk uit zicht. Zijn kijken verschoof naar een expressieve vorm die hij onder de zachte druk van zijn vingers zag groeien. Ik bedoel: het zo geheimzinnige, ontroerende gebogen zijn van het kopje werd het eigenlijke motief. Dat was niet ontworpen, het werd gevonden. Ook was toen logisch dat een beweeglijk kapsel om dit hoofd het effect van in-zich-verzonken-zijn, dat de kunstenaar nu wilde uitdrukken, zou verstoren. Lehmbruck was, anders dan zijn oudere tijdgenoot Brancusi, nog te veel een realist om die krulligheid helemaal weg te laten. Die werd, zoals we zien, tot een ingehouden patroon – sierlijk als in Jugendstil tot zelfs het kleine knotje in de nek. Heel discreet konden daar ook de oren mee bedekt worden. De lijnen waarmee ogen, lippen en neus getekend werden liet hij als lichte rimpelingen verschijnen, wazig en sfumato. Op die manier vervloeiden ze met de omfloerste omtrek van heel het lieftallige kopje.

Lehmbruck, zien we, heeft de tijd genomen. Dat geduld voelen we ook in hoe hij, in andere versies, de effecten uitprobeert van andere plastische matrialen. Een is er bijvoorbeeld in Steinguss, dat is een soort pasta gemaakt uit gemalen natuursteen dat je net als klei kunt kneden. Maar het droogt harder op dan terracotta. Je kunt het daardoor slijpen of politoeren zodat het kan glanzen als gietijzer. Ook is er een versie in gips: die glimt niet, maar heeft een matte glans (doffer ook dan terracotta), ook dun bijgekleurd met waterverf. Deze varianten (gietsels) van dezelfde plastische vorm laten zien hoe de kunstenaar, met het geduld van de handwerksman, in de weer was met geheimzinnige effecten van huid, glans en lichtval, contour. Die moest hij zien om ze te beoordelen. Want uiteindelijk blijkt dit gebogen hoofd een deelstuk te zijn waarvan de houding terugkomt in de grote vrouwenfiguur uit 1910: Grosse Stehende. Uit de intimiteit van de verzonken vrouwenkop groeit zo de bedachtzame statigheid van een levensgrote gestalte.

Uiteindelijk draait het werk van Lehmbruck, sowieso niet omvangrijk, om stemmingsuitdruk of, in het Duits dan maar: seelischer Ausdruck – maar dan in algemene zin, vrij bewegend en niet zozeer de uitdrukking van iets precies. Zo is die onbepaalde stemming in een ander kopje, ook een geneigter, wat dat aangaat nog expressiever en zwevender. Dat komt doordat in deze buste nek en hals langer zijn en ranker. Tegelijkertijd is de schouderpartij wat zwaarder. Daardoor ontstaat er een effect van grote fragiliteit: het is alsof het hoofd, op die hals, een beetje wiebelt en wankelt. Aan zulke kleine dingen ligt het in grote kunstwerken: de hals iets langer en het hoofd iets schever. Zulke beheerste effecten beroeren ons omdat iedereen die zijn eigen humeur onder ogen ziet, weet wat dat is: seelischer Ausdruck of, voor de seculieren onder ons, ongrijpbare stemmingen op drift. In zijn gedenkwaardige dankzegging aan Lehmbruck zei Joseph Beuys over de kunstenaar die hij als eerste inspiratie en leidsman beschouwde dat je diens beelden eigenlijk niet visueel kunt begrijpen – dat gaat alleen met einer Intuition en ganz andere Sinnesorgane en daaronder vooral das Hörende, das Sinnende, das Wollende. Daar moeten we maar eens over nadenken. Als Beuys dat zegt zal het wel zo zijn.


PS. De Grosse Stehende staat in het Kröller-Müller Museum nu in de collectie opgesteld. Het kopje in het Stedelijk helaas niet. Lehmbruck vrijwel compleet en varianten is in het Lehmbruckmuseum in Duisburg te zien. Verder: Joseph Beuys, Mein Dank an Lehmbruck. Eine Rede, München Schirmer/Mosel, 2006