De commissie-De Wit kijkt de koe in de kont

Stemmingmakerij

De populistische toon van de commissie laat geen ruimte voor nuance. Het rapport ondermijnt zo de besluitvorming bij een toekomstige crisis.

De financiële crisis bevat behartigenswaardige lessen voor iedereen. Voor Jan de Wit, lid van de Tweede Kamer voor de Socialistische Partij, was het een beginnersles in de werking van het hedendaagse kapitalisme. In een interview met Het Financieele Dagblad bekende de voorzitter van de parlementaire enquête­commissie Financieel Stelsel: ‘Het klinkt misschien naïef, maar dat de financiële sector zo bepalend is voor hoe een land reilt en zeilt, is voor mij een open­baring geweest. (…) Wanneer mensen naar de pin­automaat lopen, is het cruciaal dat het ding het doet.’

Zo is het maar net. Toen eind september 2008 ABN Amro op het punt stond te worden meegezogen in de ondergang van de Fortis Bank dreigde er voor vijf miljoen mensen in Nederland geen geld meer uit de flappentap te komen. Dat was een van de redenen waarom het toenmalige kabinet de Nederlandse onderdelen van Fortis – ABN Amro en Fortis Nederland – tegen elke prijs uit de failliete Belgische boedel wilde halen.

Het eindrapport van de commissie-De Wit, Verloren Krediet II, geeft een kritisch oordeel over het optreden van het kabinet in de turbulente periode waarin de kredietcrisis oversloeg naar het Nederlandse financiële stelsel. Maar er is iets vreemds aan de hand met het rapport. De commissie heeft belangwekkende informatie verzameld en het rapport maakt een knappe reconstructie van complexe materie, maar de toonzetting laat geen ruimte voor nuance. Volgens de perssamenvatting luidt de belangrijkste conclusie van het rapport: ‘De Nederlandse autoriteiten hebben grote fouten gemaakt.’ Verderop: er was sprake van gebrekkige uitvoering van het reddingsplan. De prijs die Nederland met België overeenkwam voor ABN Amro stond in geen verhouding tot de bedrijfseconomische waarde van de bank. Informatie was onjuist, onvolledig en niet accuraat. Er was sprake van gebrek aan daadkracht, de onderhandelaars waren zich niet bewust van de risico’s. Nederland hanteerde een waardering die vier à vijf miljard te hoog was.

Deze toonzetting is een bedenkelijke vorm van hedendaags populisme. Want hier wordt het beeld geschetst dat ‘de autoriteiten’ – het ministerie van Financiën, het ministerie van Algemene Zaken, De Nederlandsche Bank – wat hebben aangerommeld op kosten van de belastingbetalers. Zie je wel, bestuurders zijn niet te vertrouwen. Ze hebben laten zich leiden door gevestigde belangen en denken alleen maar aan hun eigen hachje. Dit is politieke stemming­makerij met een hoog gehalte van achteraf de koe in de kont kijken. Het zal niet de bedoeling van de commissie zijn geweest, maar het rapport ondermijnt de besluitvorming van Nederland in een toekomstige financiële crisissituatie.

Tussen de regels stelt de commissie vast dat het uiteindelijke doel, de veiligstelling van het financiële stelsel in Nederland, is bereikt en dat hiervoor een prijs mag worden betaald. Bovendien blijken de fouten van de autoriteiten niet altijd onomstotelijk vast te stellen. En ook de commissie laat zaken voor wat ze zijn of trekt aanvechtbare conclusies. Bijvoorbeeld de vaststelling dat het besluit van minister van Financiën Wouter Bos en dnb-president Nout Wellink in september 2007 om een verklaring van geen bezwaar af te geven voor de verkoop en opsplitsing van ABN Amro anders genomen had kunnen en moeten worden.

Inderdaad, die opsplitsing had nooit mogen plaatsvinden. Maar de Tweede Kamer heeft daar in 2007 geen stokje voor gestoken en heeft Bos indertijd ook niet naar huis gestuurd. De Kamer verzuimde zich over de verkwanseling van het kroonjuweel van het Nederlandse bankstelsel uit te spreken – zoals overigens ook toenmalig premier Jan Peter Balkenende (cda). Wel spraken de aandeelhouders van zowel ABN Amro als van Fortis Bank zich in Noord-Koreaanse percentages uit vóór het bod van het consortium. Die van ABN Amro sprongen er met winst uit, die van Fortis hebben voor de lichtzinnigheid van hun bankbestuurders zwaar moeten bloeden.

Tweede punt: de waardering van ABN Amro die Bos, Wellink en Balkenende hanteerden bij de onderhandelingen met hun Belgische collega’s in de nacht van 2 op 3 oktober 2008 in de residentie van de Belgische premier. Die waardering was opgesteld door Wouter Han en Bas van der Vlist, bankiers van de zakenbank Lazard Frères & Co. (ondanks de Franse naam een Amerikaans bedrijf) en kwam uit op een bedrag tussen 12,8 en 20 miljard. De Belgen, geadviseerd door zakenbank Morgan Stanley, dachten eerder aan 32 miljard.

Financiën had Lazard ingehuurd voor (niet openbaar gemaakt) vijf miljoen euro voor een klus die in twee etmalen uitgevoerd moest worden. Je mag verwachten dat gespecialiseerde bankiers tegen zo’n toptarief alle beschikbare informatie meenemen in hun berekening. Ook de 2,3 miljard van de zogenoemde Z-shares, een verliesgevende restpost die was overgebleven bij de verdeling van de boedel van ABN Amro na de opsplitsing in 2007. Tijdens zijn verhoor in januari maakte onderhandelaar Bernard ter Haar duidelijk dat Lazard hiervan op de hoogte was, dat ze erover gesproken hadden en dat de bankiers vasthielden aan hun waardering. ‘Proposal is proposal’ stond in de kantlijn van het definitieve advies dat de onderhandelaars meekregen.

Wat moesten Bos, Wellink en Balkenende anders doen dan afgaan op de expertise van de zakenbank? De commissie stelt niet de vraag of de Nederlandse staat het verzuim om de Z-share van de waardering af te trekken juridisch kan verhalen op Lazard Frères. Bij de conclusies van de commissie ontbreekt dat de landsadvocaat moet overwegen een claim in te dienen bij Lazard Frères wegens wanprestatie.

In oktober 2008 kondigde Bos een kapitaalinjectie van tien miljard voor ing aan. Fout, concludeert de commissie, want enkele maanden later moest de staat een rommelportefeuille hypotheken van ing garanderen. Maar kapitaalinjecties waren in Europa op voorspraak van Gordon Brown, de Britse premier, afgesproken om de markten te kalmeren na de mislukking in de Verenigde Staten om rommelportefeuilles van banken op te kopen. Later kun je daar anders over denken, maar op dat moment was het een daadkrachtige Europese aanpak.