Menno Hurenkamp

Stemrecht voor kinderen

In Duitsland onderzoekt het parlement de mogelijkheid om de stem van kinderen mee te laten wegen in verkiezingen. Het aantal ouderen is zo groot geworden in verhouding tot het aantal jongeren dat een gerontocratie ontstaat – waarin de volkswil verpleeghuizen veel belangrijker vindt dan scholen of speelplaatsen. Het speelt in Nederland ook. Denk aan de aow-campagne die Marcel van Dam twee jaar geleden inzette om te weten hoe militant de oudjes hun eigenbelang bewaken. Bejaarden hebben in verhouding tot hun huidige bijdrage aan dit land een veel te grote invloed. In Nederland wordt het idee om kinderen meer gewicht te geven in de politiek al een tijdje bepleit door cda-econoom Lans Bovenberg. Vergelijkbaar met het Duitse idee, stelde ook hij voor om niet kinderen zelf, maar hun ouders meer stemmen te geven.

Meewegen van de kinderstem is een goed idee, maar ouders voor hun kinderen laten stemmen betekent dat je gezinnen aan de macht helpt. En het gezin is net zoiets als de bejaarde, een species met rare voorkeuren. Dan geef je vooral een ándere belangengroep meer rechten. Het zou net zo effectief zijn gepensioneerden hun stemrecht af te nemen – aantrekkelijk om over na te denken, maar niet democratisch. Kinderen zelf laten stemmen zorgt voor betekenisvol én democratisch verschil in het aanbod van politieke geluiden.

Elke leeftijdsgrens is daarbij arbitrair – stelling geïnspireerd door de Franse publicist Pascal Emmanuel Gobry. Een tienjarig kind dat trouw het Jeugdjournaal kijkt, maakt een verstandigere afweging dan een trillend besje dat in het stemhokje al vier decennia zoekt naar Drees. Wat meer is, alle redenen die te verzinnen zijn waarom een zesjarige niet zou mogen stemmen, zijn in het verleden aangevoerd om te vertellen dat arbeiders en vrouwen niet mogen stemmen. En wie denkt dat de volwassen Nederlander met zijn uitontwikkelde verstand stemt en zich daarom onderscheidt van kinderen zit helaas ook fout. Wanneer je zegt dat Pim Fortuyn de grootste Nederlander is, zak je volgens Cito-normen voor je lagereschooldiploma, maar de miljoenen die dat desondanks volhouden, mogen wel meepraten over het landsbestuur. Sterker, hoe stommer hoe beter, lijkt de opvatting sinds steeds meer politici zich bekwamen in ‘populisme’. Dus wie in staat is te zeggen ‘ik wil stemmen’, mag meedoen. Jazeker, dan gaan sommige politici nog kinderlijker doen en campagnes gericht op kinderen starten. Maar als we de jeugd niet beschermen tegen Ronald McDonald, waarom dan wél tegen Haagse clowns?

Kinderen krijgen zakgeld, leren op school dat ze niet mogen pesten, dat ze zuinig moeten zijn op het milieu. Kinderen zijn zich goed bewust dat zij in betaalbare huizen, in een leefbaar land en tussen aangename buren willen wonen. Net zoals het ze niet moeilijk uit te leggen is dat ze nu al met politiek te maken hebben – pensioenen beschermen of geen half overspannen leerkracht voor de klas? Jonge kinderen praten in het stemhokje vermoedelijk hun ouders na en pubers gaan juist tegen hun ouders in, maar wat hen bindt is dat hun leven voor hen ligt, niet achter hen. Er zijn drieënhalf miljoen kinderen in Nederland – een politieke macht van jewelste. Er is eigenlijk geen reden om te veronderstellen dat ze niet over hun eigen prioriteiten kunnen nadenken – behalve mogelijk dat dit weer wat speelsheid uit het bestaan haalt. Maar behalve de bejaarden zou de politiek dan ook de kinderen vrezen, en dat zou zeker vooruitgang zijn.