‘sterf, dolle schurk!’

Vijfendertig doden vallen er in ‘Titus Andronicus’, het minst gewaardeerde werkstuk van William Shakespeare. En met die schuldeloze vlieg erbij zijn het er zesendertig. Bloeddorst en wraakgier beheersen het stuk. En een restje kannibalisme.
HET IS DE MEEST lachwekkende tragedie van het gehele toneelrepertoire, elisabethaanse grand guignol, over het voetlicht gebracht door bordpapieren karikaturen met slechts twee menselijke eigenschappen: bloeddorst en wraakgier.

Dus was het drama in Shakespeares tijd - en lang daarna - een kassakraker, een alle zintuigen mobiliserend spektakelstuk vol sex and crime. Totdat de victorianen in Groot-Brittannie de dienst begonnen uit te maken. Zij joegen Titus Andronicus de schouwburg uit en daar is hij sedertdien nooit of nauwelijks in teruggekeerd. Al vermelden de annalen wel die ene, beroemde enscenering in Stratford, Shakespeares thuishaven, die zo grandioos was geregisseerd (door Peter Brook) en zo excellent werd geacteerd (door Vivian Leigh en Laurence Oliver) dat het even leek dat het stuk meer dan een jeugdzonde van de schrijver was.
Het hoogtepunt was de scene in het derde bedrijf, waarin Titus zich bereid verklaart zijn linkerhand te offeren in ruil voor het leven van zijn twee zonen. Crunch, sprak de bijl, met aanstootgevend plezier gehanteerd door de boze Moor Aaron - waarbij off stage, bij wijze van akoestisch effect, een verse hondekluif in twee stukken werd gehakt. Een daverend succes, er werden minimaal drie flauwgevallen dames per voorstelling door de St. John’s Ambulance Brigade de zaal uitgedragen.
IK SCHETS DE inhoud, heel in het kort.
De gereputeerde krijgsman Titus Andronicus, ‘patroon der deugd en Romes beste strijder’, keert zegevierend van het slagveld terug, met in zijn zegekar Tamora, de verslagen koningin der Gothen. Zij is in het gezelschap van haar drie zonen. De oudste hunner wordt, ondanks de smeekbeden van zijn moeder, door de familie Andronicus ritueel in stukken gereten. Tamora mompelt ('Uitroeien wil ik hun geslacht en aanhang’) haar vervloekingen. Dat kan, weet zij, het beste vanuit een machtspositie. Dus trouwt zij met de Romeinse keizer Saturninus. Diens broer Bassaninus trouwt op zijn beurt met Titus’ dochter Lavinia. Tamora lokt, samen met de Moor Aaron (haar minnaar), Bassaninus en Lavinia het bos in. Daar valt het tweetal in handen van de twee zonen die Tamora resten. Bassaninus wordt door hen doorstoken. 'Thans, lieve Moor’, zegt Tamora vergenoegd, 'kan ik mij tot u wenden, en laat mijn zoons die deerne lustig schenden.’ De knapen voegen de daad bij het woord. Nadat Lavinia tweevoudig is verkracht - mind you, bovenop het lijk van haar echtgenoot - wordt haar de tong uitgerukt en de handen afgesneden, opdat zij in woord noch geschrift moge verklappen wie de daders zijn geweest. Het zijn, suggereert de Moor Aaron, de zonen van Titus! Zij worden in hechtenis genomen en zijn ongetwijfeld kinderen des doods, zegt Aaron, behalve als vader Titus zich bereid verklaart zijn linkerhand te offeren. Crunch! Het blijkt een diabolische grap te zijn, zoals die alleen maar kan worden bedacht door een element wiens ziel even zwart is als zijn gezicht. Want Titus krijgt, in ruil voor zijn afgehouwen hand, slechts de afgehouwen hoofden van zijn zonen. Titus af, gevolgd door de deerniswekkende Lavinia, haar vaders hand tussen haar tanden.
Pauze - het publiek wankelt kokhalzend in de richting van de koffiekamer. 'O, wanneer neemt die schrik'bre slaap een einde?’ verzucht Titus Andronicus. Het zal nog twee bloedovergoten bedrijven duren. Zijn wraak is zoet. Hij snijdt Tamora’s moorddadige zonen op hun beurt de hals af, met behulp van zijn dochter, die het bloed opvangt in een kom, die zij in haar gemutileerde stompjes geklemd houdt. Even is het - schijnbaar - vrede tussen de rivaliserende partijen. Keizer Saturninus en keizerin Tamora worden door Titus uitgenodigd te zijnen huize het avondmaal te gebruiken. Als iedereen is uitgegeten steekt Titus plotseling zijn dochter Lavinia overhoop - uit genade.
Waar blijven trouwens Tamora’s zonen? Dineren zij elders in de stad, deze 'wildernis vol tijgers’? Titus Andronicus triomfeert: 'Zij zijn daar beide in die pastei; hun vond hun moeder pas een lekk’re spijs; zij at, wat zij in haar schoot eens droeg, heeft liefgehad. ’t Is waar, ’t is waar, dit tuig, mijn scherpe dolk.’ (Hij doodt Tamora.) 'Sterf, dolle schurk, die vloekdaad krijg’ haar loon!’, zegt Saturninus. (Hij doodt Titus.) 'Vergt gij het zien van ’s vaders bloed den zoon? Dan hebt ge dood voor dood en loon voor loon!’ zegt Lucius. (Hij doodt Saturninus.) Lucius, Titus’ zoon, is zo ongeveer de enige overlevende. Ook Aarons uren zijn geteld. Hij wordt levend begraven en zal vijfenzeventig dichtregels later de hongerdood sterven.
De receptiegeschiedenis van Titus Andronicus is bescheiden, ook op Nederlandse bodem. Het stuk is in 1984 door de Haarlemse Toneelschuur voor het voetlicht gebracht, gesitueerd in een zwembad met veel watergeklater, zodat het gesprokene onverstaanbaar was. Vier jaar later parafraseerde Gerardjan Rijnders Shakespeares eersteling tot een pure provocatie van 'de hersenloze chique van de hoofdstedelijke yuppie-kolommen’ (Loek Zonneveld, De Groene 19 oktober 1988). Onlangs was op een der Nederlandse zenders de Britse thriller Theatre of Blood te zien, waarin een gefrustreerde acteur a la maniere de Guilleaume Shakespeare een voor een de verzamelde toneelrecensenten uitmoordt, inclusief die ene in roze gestoken afzichtelijke nicht die tot stikkens toe gedwongen wordt ('Where are my boogiewoogies?’) zijn gepommadeerde poedeltjes op te vreten. Nee, Titus Andronicus is inmiddels voornamelijk voer voor toneelhistorici. Zoals Robert H. Leek (Shakespeare in Nederland, 1988), die meldt dat het drama onder de titel Aran en Titus (1641) nota bene het meestgespeelde toneelstuk van de zeventiende eeuw is geweest. Shakespeares collega Pieter Langendijk wist precies waarom:
'Ja, ’t ging er zoo, dat ik 'er ’s nachts te metvan droom. Men stak menkaer daar dood, as katten en as hongden, Zoo dat 'er op het lest gien ener end meer stongden, As twee of drie.’
Want William Shakespeares Titus Andronicus is geen toneelstuk, maar een abattoir.
Ik doe een poging het dodental te becijferen. Het officiele aantal slachtoffers is veertien, overigens niet spectaculair veel meer dan erkende meesterwerken als Hamlet en Richard III. Behalve als men er Titus’ eenentwintig zonen bij optelt, die door hun militante vader regelrecht vanuit het looprek naar het slachtveld zijn gezonden, waar zij, te jong voor het krijgsbedrijf, allemaal zijn gesneuveld. Dit brengt het dodental op vijfendertig. Had het toneelstuk, zei een criticus, zes in plaats van de gebruikelijke vijf bedrijven geteld, dan had geen levend wezen meer op de planken gestaan en was de schrijver gedwongen geweest om gewapenderhand de complete parterre uit te roeien.
Wacht, wij zien waarachtig nog een zesendertigste slachtoffer over het hoofd. Het is de 'arme, schuldeloze vlieg’ die halverwege het derde bedrijf op de rand van het etensbord gaat zitten en daar door de geirriteerde Marcus Antonius, de broer van Titus, aan het blinkend staal wordt geregen.
Het incident leidt tot een heftige broedertwist:
'Foei, schaam u, moord'naar!’ zegt Titus. 'Mij doodt gij ’t hart. Mijn oogen zijn verzaad van ’t zien van gruw'len. Een moord, op een onschuldige volbracht, Staat Titus’ broeder slecht. Neen, ga van hier. Ik zie, wij passen voor elkander niet.’
'Ach Titus’, zegt Marcus, “t was een vlieg slechts, die ik doodde.’ 'Maar stel’, repliceert Titus, 'zij had een vader en een moeder, Hoe lieten die de gouden wiekjens hangen En gonsden in de lucht hun klaag'lijk doen! Die arme schuldelooze vlieg! Zij kwam om ons een aardig lied te gonzen, Ons te verheugen; en nu doodt gij haar!’
Is het niet lachwekkend? Titus Andronicus, krijgsman te Rome, de man die zijn eigen kinderen doorsteekt met de routine waarmee men naar de kapper gaat, begint, op een torenhoge berg lijken gezeten, te lamenteren over een dooie vlieg! Dat is toch niet serieus te nemen? De hemel moge weten wat Shakespeare bezielde. Ik kan niets beters bedenken dan dat het wellicht een poging is geweest enige ironische afstand van zijn eigen farce te nemen, een parodie binnen een parodie op zijn toneelschrijvende tijdgenoten.
VANUIT DIT gezichtspunt gezien is Titus Andronicus, toneeldramatisch gezien, eigenlijk zo beroerd nog niet. Zoals vaker bij Shakespeare is de slechtste de beste, in dit geval die dekselse Moor Aaron, een kruising van Jago en Richard III. De nachtzwarte Aaron, Jago, Richard III, het diabolische drietal representeert Shakespeare op zijn geinspireerdst, het zijn kleurrijke karakters-zonder-geweten, en met veel onvervalste Britse humor. Stoken, intrigeren, dat zijn Aarons specialiteiten. Tussen de kwaaien is hij uiteindelijk de kwaaiste niet: hij heeft eigenlijk slechts een dode op zijn geweten: de voedster ('Queek, queek! - zo schreeuwt een big, voor ’t spit gekeeld’), de onwelkome getuige van het 'vreugd'loos, aak'lig, zwart en droevig wicht’, door hem verwekt bij keizerin Tamora, een kind dat hij - het zij te zijner verdediging opgemerkt - tot zijn laatste snik verdedigt, hoe graag zijn vele vijanden dit 'zwarte basterdkind’ ook aan het rapier willen rijgen.
Aaron was de man die Titus, every inch een stompzinnige, fantasieloze militair, ertoe wist te bewegen zijn linkerhand op het hakblok te leggen, in afwachting van de vrijlating van diens gedetineerde zonen. Weg hand, weg de heren Andronicus jr., een geslaagde practical joke, het moet worden toegegeven. Via een spleet in de muur zag Aaron hoe de arme Titus in ruil voor zijn hand de afgesneden hoofden van zijn kinderen kreeg aangeboden.
De Moor kreeg een lachbui 'die mij ’t hart schier berstte’ - 'en toen ik Tamora de grap beschreef, viel zij van louter pret bijna in zwijm, en gaf mij voor ’t verhaal wel twintig kussen.’
Zijn einde is ellendig. Lucius, Titus’ enige, nog overlevende zoon, kent geen genade:
'Begraaft hem tot de borst om te verhong'ren; Zoo sta hij vast, en woede, en schreeuwe om spijs; Zoo iemand hem verkwikt, hem deernis toont, Die sterft voor deze schuld.’
Aan Lucius zijn de contemporaine penitentiaire rechtstheorieen niet besteed. Dood moet Aaron - en een ieder die mededogen toont met het slachtoffer wordt rechtstreeks naar het schavot geleid. Ook met Aarons minnares, wijlen keizerin Tamora, heeft Lucius weinig mededogen. Haar wordt uitvaart, rouwgewaad noch 'klokgebrom’ gegund. Integendeel, het stoffelijk overschot wordt het 'wild gedierte’ voorgeworpen, vergelijkbaar met het lot van de oudtestamentische koningin Jezebel, wier lijk in 2 Kon. 9:30-37 door de honden wordt verscheurd.
'Beestachtig was haar leven, zonder deernis; Zij vinde na den dood bij niemand deernis’, luidt, bij monde van Lucius, het vonnis. Lezende en herlezende merk ik, tot mijn lichte schaamte, dat ik Titus Andronicus eigenlijk een steeds beter toneelstuk begin te vinden. Een drama hoort, zei Julius Caesar Scaliger (1561), de volgende ingredienten te bevatten: grote prestaties, geweld, koninklijke decreten, vadermoord, verkrachting, brandstichting, veldslagen, geween en knersinghe der tanden, een begrafenis en de bijbehorende lijkrede. Aan deze voorwaarden getoetst is Titus Andronicus een geslaagder kunstwerk dan Macbeth en King Lear, Troilus & Cressida en Anthony & Cleopatra te zamen.
Tja, heksen en halfgare Trojanen kan iedereen verzinnen.
Maar Titus Andronicus is niet alleen de optelsom van moord en doodslag, het drama heeft nog een extra attractie: het is bovendien het magnum opus van het kannibalisme. Dat is een hebbelijkheid die, leert ons Sigmund Freud, onder de louterende invloed van het christendom, enigszins in onbruik is geraakt, maar de Romein Titus Andronicus noch zijn elisabethaanse chroniqueur hadden daarmee iets te schaften. De gifbeker, het schavot, de ultieme doodklap, zij waren - en zijn - ongetwijfeld ten dieptste bevredigend voor ons rechtsgevoel. Wij graven diep in ons onderbewustzijn en constateren, niet zonder schaamte: nog bevredigender is de gedachte iemand datgene te laten opvreten dat hij of zij bij leven en welzijn ten diepste heeft liefgehad.
Seneca wist het, aan wie Shakespeare zijn kannibalistische tafelscene heeft ontleend. Evenzo de zeventiende-eeuwer Jan Vos, met een vorstin die weeklagend over de restanten van diezelfde kinderen gebogen zit, die even eerderd 'zo gierig’ door de moeder zijn 'ingeslokt’. Lees daarnaast, als uw maag het kan verdragen, de anoniem verschenen ballade (1801) over de koopmansvrouw uit Hamburg, die de met haar echtgenoot boelerende dienstmeid tot 'pate seduction du marriage a trois’ verwerkte. 'Daar hebt ge uw geile hartsvriendin!’ sprak de moordenares triomferend, terwijl haar man de laatste kruimels van de schotel schraapte.
En navenant triomferend sprak Titus Andronicus, zijn deeg bereidend uit het bloed en het tot stof gemalen gebeente van de kinderen van Tamora, tot zijn keizerlijke aartsvijandin:
'En uit dit deeg maak ik pasteiendeksels, En bak van uwe hoofden twee pasteien; Dan zal die slet, uw godvergeten moeder, Als de aarde doen, verslindend wat zij voortbracht. Dit is het feestmaal, waar ik haar op noodde, Dit het gerecht, waaraan zij smullen zal.’
Hoe verzin je het? Zo'n scene kan, zeggen wij in onze twintigste-eeuwse hoogmoed, slechts door het brein van een perverse, sensatiebeluste elisabethaan worden bedacht, ook al heette die toevallig William Shakespeare.
Dan ploft de krant in de brievenbus. De meest recente zomerzotheid van het kunstenaarscollectief Artporn behelst een programma met brandmerk-acts en rituele scarifaction. Zegt de woordvoerder: 'Een vriendin loopt al een tijdje met het idee haar kleine tenen te laten amputeren. Zij heeft mij gevraagd die vervolgens in een salade te verwerken. Dat lijkt me wel leuk.’
Titus Andronicus revisited. Johan Doesburg, de regisseur die het drama in opdracht van het Nationale Toneel in studie heeft, moet zijn collega-kunstenaars van Artporn straks, bij de premiere, beslist een vrijkaartje geven.