Een republikeinse coup dreigt

Sterfhuis Oranje

Het sprookje van de monarchie is uit. De populariteit van het koningshuis daalt. Een republikeinse coup dreigt.

Het twintigjarige ambtsjubileum van Beatrix gaat gepaard met ongekend hevig oplaaiende republikeinse sentimenten. Als de monarchie in dit huidige tempo blijft afbladderen, zit de familie van Oranje nog voor het eind van het jaar op de boot naar Engeland. Naar verluidt bestaan er bij het cda al vergevorderde plannen om op het Malieveld de ´spontane aanhankelijkheidsbetuigingª te herhalen waarmee in 1918 het spook van Troelstra’s antimonarchale novembercoup werd verdreven. Daarbij zouden Jaap de Hoop Scheffer en Hans Hillen reeds de bereidheid hebben uitgesproken de koninklijke koets eigenhandig voort te trekken.

Het komt allemaal rijkelijk laat. Voor het eerst in zijn carrière als fractieleider van d66 is Thom de Graaf erin geslaagd iets op tijd te zeggen. Drie jaar geleden stelde De Graaf ook al voor om de koningin voortaan te weren uit de regering, maar toen reageerde niemand. Nu is de tijd duidelijk rijp voor een historische ommezwaai. Wie had gedacht dat de politieke beeldenstorm van 1989 precies zou ophouden bij de Oder-Neisse-grens komt bedrogen uit: ook West-Europa staat klaar om het laatste anachronisme – de monarchie – te verwijderen uit haar politieke hart. Engeland, België en Nederland, de thuislanden van het ´levende koningschapª, staan ieder op hun eigen wijze klaar om het laatste fatale zetje te geven aan een instituut dat zichzelf hopeloos heeft overleefd. In de pvda gelooft alleen Wim Kok nog in het sprookje van de monarchie. In de populariteitspolls, waar Beatrix tot voor kort op Oud-Roemeense wijze placht te scoren, is de monarchie in een vrije val beland, met als voorlopig dieptepunt een enquête van het Historisch Nieuwsblad, waaruit blijkt dat de vorstin in de publieke opinie is geëvolueerd tot ´een haaibaaiª. Voor Koninginnedag, dit jaar gevierd op 29 april, staat zelfs een ´Mars op Oranjeª op de agenda, te houden in Leiden, alwaar de vorstin dit jaar zal voorgaan in het koekhappen en zaklopen.

De commentatoren maken overuren om deze abrupte wending te interpreteren. In NRC Handelsblad van 15 april jongstleden ziet Hubert Smeets in de ontwikkelingen vooral de hand van het illustere Republikeins Genootschap onder leiding van Pierre Vinken. Smeets spreekt van ´een gecodificeerde revolutieª, die de leden van het genootschap zouden hebben uitgestippeld in hun hoofdkwartier in het Delftse Prinsenhof, slechts een steenworp verwijderd van de plek waar Balthazar Gerards in 1584 een einde maakte aan de aspiraties van Willem de Zwijger. Het gaat, aldus Smeets, om ´een opstand der eliteª, die traditioneel al niet overloopt van ´Oranje-warmteª maar zich tegenwoordig, anders dan bijvoorbeeld Joan Derk van der Capellen tot den Pol, Johan van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en de gebroeders De Witt, niet meer bedreigd weet door de furie der Oranje-minnende massa’s. Het volk heeft in de visie van Smeets na twintig jaar Beatrix alle smaak voor de monarchie verloren. Dat zou grotendeels de fout van Beatrix zelf zijn. Zij heeft, zo lezen we in de spreekbuis van liberaal Nederland, namelijk ´haar volk verwaarloosdª. ´Zij besteedt te veel tijd aan fijne artistiek-intellectuele soirees en te weinig aan haar primaire reden van bestaan: als bruggenbouwer.ª



Niet te ontkennen valt dat de typische regeerstijl van Beatrix heeft bijgedragen aan de teloorgang van de monarchie. Maar populariteit is een vluchtig goed in dit mediagestuurde tijdperk. Als straks Máxima naar Nederland komt, met een paar tankers vol Argentijnse biefstuk als huwelijksgeschenk van pa Zorreguieta, zou er wel eens zomaar uit het niets een nieuwe Oranje-cult kunnen ontstaan. Voor het republikeinse kamp is het nu dan ook zaak snel te handelen, dat wil zeggen: de monarchie zodanig onklaar te maken dat ze bij het aantreden van Willem-Alexander onbruikbaar is voor wat dan ook.

Op zich is dat niet eens zo’n grote klus. In feite hoeft men niet meer te doen dan voort te borduren op de grondwetswijziging van 1983. Toen werd al besloten dat de koning geen uitvoerende macht heeft. Ook werd voortaan geen recht meer gesproken ´in naam der koningª. Het probleem van diezelfde grondwetswijziging, die haar wortels had in het kabinet-Den Uyl maar aan het eind nog een flinke lubberiaanse tik meekreeg, was dat in dezelfde vaart werd besloten dat de koning deel uitmaakt van de regering. Dat stond er voordien niet in. Zo ontstond de hybride positie van de hedendaagse poldermonarch: een soort klopgeest aan de regeringstafel, een premiddeleeuws staatsorakel met een spreekverbod genaamd ´ministeriële verantwoordelijkheidª.

Het is evident dat de houdbaarheidsdatum van dit staatsrechtelijke dogma reeds lang is overschreden. Er is in de Tweede Kamer inmiddels een brede meerderheid te vinden die aan dit stukje absurdistisch totaaltheater in een klap een einde kan maken. Zelfs bij het cda is het niet altijd ´Oranje bovenª. Alleen al de aanwezigheid van Sjeng Kremers, de gewezen gouverneur van Limburg, in de gelederen van het Republikeins Genootschap toont aan dat het katholieke volksdeel nog steeds niet met hart en ziel aan het huis van Oranje is verknocht (daar heeft het op zich ook weinig reden toe).

Om te voorkomen dat bij de aanstaande revisie van de grondwet niet weer dezelfde halfslachtigheid het proces insluipt als in 1983, zou het raadzaam zijn nu een open republikeins front te vormen dat voor het oog van het publiek overgaat tot het opstellen van een stervensbegeleidingsplan voor de monarchie.

Belangrijker is echter in dezelfde vaart tot een constitutioneel Deltaplan te komen, teneinde de snel om zich heen slaande angst voor een Nederland zonder Oranje te bestrijden. Het probleem is dat Nederland weliswaar de buik vol heeft van de monarchie, maar dat er niettemin neerdrukkende krachten in het spel zijn. Bij het ontbreken van zekerheid over de toekomstige inrichting van de Nederlandse staat, heeft het Oranje-kamp nog altijd munitie voor het voeren van een campagne van de angst. Men hoort uit deze contreien al de wildste complottheorieën over de werkelijke motieven van de aanstaande republikeinse coup. Het klassieke wantrouwen van het volk tegen de regenten is zoals gezegd altijd een ideale voedingsbodem geweest voor de orangistische propaganda, en ook nu kan men daar nog altijd munt uitslaan. In het verleden is het Republikeins Genootschap meer dan eens beschreven als een mantelorganisatie voor corporatistische coupplegers en neo-autoritaire romantici. Door deze postmonarchale paranoia te stimuleren zou de Rijksvoorlichtingsdienst nog heel wat roet in het eten kunnen gooien.



Tijd voor actie dus. De angel moet eruit. Wat nodig is, is een breed gesteund republikeins renovatieplan, met roestvrijstalen garanties voor de verdere uitbouw van Nederland tot een echte democratie, waar geen onderdanen meer wonen maar vrije burgers, zoals Gerrit Paape dat al in 1798 voorzag in zijn boek De Bataafsche Republiek, onlangs weer op de markt gebracht op initiatief van republikeinenleider Vinken. Allerlei waandenkbeelden over de mogelijke verschrikkingen van een republiek moeten zo snel mogelijk worden ontkracht. Over hoe het echt moet in een democratie hoeft men niet lang te studeren. Men hoeft slechts te kijken naar de wijze waarop de oosterburen het sinds de Bondsrepubliek keurig hebben geregeld: een elder statesman, boven de partijen staand, als ceremonieel president en

nationaal geweten, een waarborg voor rust en stabiliteit. Zo’n man/vrouw kost een fractie van het budget dat aan zo’n grote koninklijke familie wordt besteed, heeft geen enorme landerijen nodig voor de zwijnenjacht, heeft geen reuzenpakket aandelen en mag gewoon vrijuit spreken, zonder dat het hele parlement gelijk op de achterste benen staat. Kortom: een verademing, waar Nederland na bijna twee eeuwen zelfbedrog en emancipatoir masochisme nu zeer dringend aan toe is.