Nivelleren in crisistijd

Sterke schouders, eerlijk delen

Het kabinet-Den Uyl wilde al nivelleren. Dat lukte. Toch ging er iets mis. Welke lessen kan het huidige kabinet uit de in het verleden behaalde resultaten trekken?

‘Ik ben trots dat wij willen nivelleren.’ pvda-partijvoorzitter Hans Spekman zei het afgelopen zaterdag nog maar eens nadat het partij­congres had ingestemd met het regeerakkoord dat zijn partij heeft gesloten met de vvd. Nivelleren, in gewoon pvda-jargon ‘eerlijk delen’ genoemd, ook wel vertaald als ‘de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen’, zit de pvda in de genen. Sinds de beëdiging van het nieuwe kabinet-Rutte II afgelopen maandag maakt het dan ook weer deel uit van het regeringsbeleid. Het is de sociaal-democraten ‘gegund’ door de vvd.

Nog vóór de beëdiging van het kabinet zorgde de nivelleringsoperatie al voor een storm van kritiek. Niet alleen leden en kiezers van de vvd verzetten zich er heftig tegen. Ook pvda-kiezers hebben kritiek, al valt dat door het rumoer bij de liberale coalitiegenoot niet zo op. Veel van die kritiek is ingegeven door de pijn in de eigen portemonnee, maar een deel komt voort uit in het verleden behaalde resultaten.

Kijk even mee terug in de geschiedenis. Dat laat niet alleen zien hoe diep dat eerlijk delen in het dna van de sociaal-democraten zit, maar ook waar de huiver voor een herhaling van zetten vandaan komt. De Vermogensaanwas­deling zal jongere generaties niks zeggen, terwijl ouderen zich mogelijk zullen afvragen wat er ook al weer van is geworden. Het delen van de groei van het vermogen van bedrijven was een voorstel van het kabinet-Den Uyl in de jaren zeventig. Eerlijk delen was toen hét thema. Het speelde destijds een nog grotere rol dan nu. Niet alleen werd inkomen breed opgevat, de sociaal-democraten wilden ook een spreiding van kennis en macht.

In het ser-advies uit 1975 over de vad, zoals de Vermogensaanwasdeling al snel kortweg werd genoemd, staat waarom de pvda daarnaar streefde: omdat ‘het niet meer dan billijk’ is dat de overwinst van ‘de gezamenlijke inzet van de productiefactoren arbeid en kapitaal’ wordt gedeeld. Het klonk menige vvd’er toen nogal marxistisch in de oren, en dat is in de tussentijd niet veranderd. Alleen zat de vvd destijds in de oppositie. pvda-premier Den Uyl regeerde met de progressieve ppr en d66 en de confessionele kvp en arp.

De vad is er trouwens nooit gekomen. De tegenstanders in de ser droegen de argumenten aan die jaren later, toen cda-minister-president Ruud Lubbers het voorstel uiteindelijk introk, de boventoon waren gaan voeren. Zij vonden in de jaren zeventig al dat de economische omstandigheden er niet naar waren. Wat viel er te verdelen als de werkloosheid opliep en bedrijfsrendementen laag waren? Het verdelen van de overwinst zou de pot geld voor de brood­nodige bedrijfsinvesteringen nog kleiner maken dan deze toch al was geworden.

Noem het tragiek. Was de pvda onder Joop den Uyl eindelijk weer eens de grootste ­partij, slaat de oliecrisis toe en valt er ineens veel ­minder te verdelen dan in de jaren zestig toen de bomen tot in de hemel leken te groeien. Die omstandigheden weerhielden de pvda er echter niet van andere plannen om tot een eer­lijker inkomensverdeling te komen door te zetten. Ook minder welvaart is eerlijk te delen voor wie, zoals voor Den Uyl, het principe geldt dat inkomensbeleid de verantwoordelijkheid is van regering en volksvertegenwoordigers, en dus niet die van de markt. Via belasting­maatregelen gingen hogere inkomens meer afdragen van hun welvaart, terwijl uitkeringsgerechtigden daarin juist meer gingen delen. Zo werd in 1974 de koppeling van de minimumuitkering aan het minimumloon nog consequenter doorgevoerd: voortaan zouden ook bijzondere verhogingen van dat minimumloon worden doorberekend.

Maar de pvda wilde meer. Behalve de vad vond de partij ook dat de winsten die werden gemaakt op de verkoop van grond door particulieren aan projectontwikkelaars moesten worden gedeeld.

Als Mark Rutte Dagboek van een onderhandelaar van de pvda-politicus Ed van Thijn niet alleen op zijn nachtkastje had liggen tijdens de kabinetsformatie, maar dit boek ook daadwerkelijk heeft gelezen, moet hij de volgende passage zijn tegengekomen: ‘Het succesvolle beleid van het kabinet-Den Uyl op het punt van het verkleinen van de inkomensverschillen verdwijnt als sneeuw voor de zon als je kijkt hoe in diezelfde periode de vermogensverschillen zijn toegenomen. Daar moet nu paal en perk aan worden gesteld.’ Van Thijn verwees daarmee naar de winsten op grondverkopen. Het kabinet-Den Uyl viel echter over de grondpolitiek. Het tweede kabinet dat zijn naam droeg, is er nooit gekomen. Ondanks een grote verkiezingszege voor de pvda in 1977 liepen nieuwe onderhandelingen met het inmiddels gevormde cda spaak.

Van Thijn, fractievoorzitter ten tijde van het kabinet-Den Uyl, loofde het verkleinen van de inkomensverschillen, maar de bij­effecten ­daarvan bleken minder geslaagd. Als gevolg van de oliecrisis steeg de werkloosheid, waardoor ook de uitgaven voor uitkeringen omhoog gingen en dat des te meer omdat de uitkeringen ­gekoppeld waren aan de lonen. Het droeg bij aan het ­onbetaalbaar worden van de verzorgings­staat.

Midden jaren negentig concludeerde Kees van Kersbergen, momenteel hoogleraar in het Deense Aarhus, dat ten tijde van Den Uyl eigenlijk sprake was van een paradox: de pvda, de partij van de maakbare samenleving, maakte door te hechten aan de koppeling de eigen politieke speelruimte juist klein. De lasten voor de overheid stegen, maar zij kon als gevolg van de pvda-filosofie geen maatregelen nemen om die lasten te verlagen: de uitkeringen mochten niet omlaag, de ambtenarensalarissen niet op de nullijn.

Van Kersbergen verwees dan ook naar een ander effect van de toenmalige nivelleringsmaatregelen, een effect dat ook in de huidige, heftige discussie over de effecten van de inkomensafhankelijke zorgpremie te horen is: de prikkel tot werken zou erdoor worden weg­genomen. Van Kersbergen had het zelfs over een ‘extreem passieve en egalitaire verzorgingsstaat’. Nu zouden wij zeggen dat de in de loop van vele jaren opgebouwde verzorgingsstaat uitnodigde om in een uitkering te blijven hangen. De gevolgen daarvan werden pas echt duidelijk toen in de jaren zeventig de recessie intrad. Die maakte pijnlijk voelbaar dat die passiviteit de overheid geld kostte.

Inmiddels is de sociale zekerheid een stuk soberder geworden. De prikkel om te gaan werken is de drijvende kracht geweest achter menige ingreep. Dat ging niet zonder slag of stoot en was zeker niet los te zien van een andere ideologie die de overhand had gekregen: het marktdenken. Voormalig pvda-fractievoorzitter Thijs Wöltgens constateerde twintig jaar geleden dan ook in zijn boek Lof van de politiek dat de kritiek op de verzorgingsstaat niet alleen ging over het gebrekkig functioneren ervan, maar getuigde van ‘een diepergaande onvrede met staatsingrijpen dat beoogt de maatschappelijke ongelijkheid te verminderen’.

Ook het nieuwe kabinet gaat weer een stap zetten in dat versoberen van de sociale zekerheid. Ook deze keer moet het de prikkel om te gaan werken vergroten: de duur van de aan het laatste loon gerelateerde WW-uitkering gaat omlaag, evenals de hoogte van die uitkering. Voor degenen die al werk hebben, vooral voor hen die in deeltijd werken in een hogere inkomenscategorie, dreigt de prikkel om meer te gaan werken echter juist af te nemen. Dat is het gevolg van de eerlijk-delen-maatregel die er op verzoek van de pvda komt: de inmiddels door velen zo gehoonde inkomensafhankelijke zorgpremie. Niet alle kritiek daarop is eigenbelang, zij komt ook voort uit de les die getrokken kan worden uit het verleden. Dat er meer gewerkt moet worden, is volgens critici ook nu – net als in de jaren zeventig – in het belang van de overheid. De belastinginkomsten die het genereert moeten de kosten van de crisis en van een vergrijzende samenleving betaalbaar houden.

Er was door de ervaringen in de jaren zeventig veel kritiek op de toen gehanteerde nivelleringsoperatie, toch hebben ook andere kabinetten waaraan de pvda na het tijdperk Den Uyl deelnam, willen nivelleren of dat ook daadwerkelijk gedaan. Wel was de drang daartoe veel geringer. Zo wilde pvda-minister van Financiën Wim Kok in de zomer van 1990 de belastingen voor inkomens boven tachtigduizend gulden met één procent verhogen. Zijn partijgenoot Wouter Bos suggereerde jaren later eens een belastingtarief van zestig procent voor inkomens boven de 150.000 euro. Beide verhogingen kwamen er niet. Wel zijn hogere inkomens in Bos’ tijd via de belastingen meer gaan bijdragen aan de aow, wat ook nivelleren is. Zoals ook het vervangen van een deel van de kinderbijslag door een inkomensafhankelijke kindertoeslag en de hogere bijtelling van de leaseauto gezien kan worden als eerlijk delen.

Nu staat nivelleren wel weer hoog op de pvda-agenda. Maar ook dit kabinet heeft er niet voor gekozen daarvoor het hoogste belasting­tarief te verhogen. De vvd, voor wie belastingverlaging net zo belangrijk is als eerlijk delen voor de pvda, meende dat niet te kunnen verkopen aan haar achterban. Dus gaat de eerlijk-delen-operatie via de ziektekostenpremie. Het is een opvallende manier van nivelleren. Want de bovengrens voor die premie komt te liggen bij een jaarinkomen van rond de zeventigduizend euro. De echt rijken hoeven over alles wat ze meer verdienen niet extra bij te dragen. Dat zet vraagtekens bij de pvda-mantra dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. De maatregel treft daardoor juist die mensen voor wie zowel de vvd als de pvda zegt op te komen relatief het zwaarst: de hard werkende Nederlander. Waar het de inkomsten ervan voor de staat betreft, is dat niet toevallig: de middeninkomens zijn de grootste groep belasting­betalers. De groep rijkeren met een inkomen boven de zeventigduizend euro is kleiner. Daar valt relatief wel veel te halen, maar dat brengt dan toch minder op.

Nog opvallender is dat opnieuw passiviteit dreigt. Niet alleen omdat deeltijdwerkers mogelijk in deeltijd blijven werken. Ook omdat de nieuwe verdeling van de ziektekostenpremie niet bijdraagt aan het belangrijkste probleem binnen de zorg: het terugdringen van de kosten. Welke prikkel is er voor iemand met een laag inkomen die slechts twintig euro aan premie betaalt om zuinig om te gaan met de zorg? Of omgekeerd: zal iemand die toch al duizenden euro’s per jaar betaalt niet kunnen gaan denken: dan ga ik ook naar de dokter zo veel als ik wil? Die laatste paar honderd euro aan eigen risico kunnen hem dan mogelijk niks meer schelen.

zijn deze twee vormen van op de loer liggende passiviteit al opmerkelijk, evenals het ­gegeven dat de echt brede schouders worden ontzien, er zit nog een vierde opmerkelijk aspect aan de inkomensafhankelijke zorgpremie. Als eerlijk delen staat voor solidariteit, dan is de vraag of de coalitiepartners er rekening mee hebben gehouden dat mensen de zorg zien als een apart domein voor solidariteit, hetgeen nog wordt versterkt doordat men daar apart premie voor betaalt. Wie ziek is, moet zorg krijgen, dat zal iedereen beamen. Maar de vraag of wie ­ongezond leeft niet extra moet betalen, of ­omgekeerd, wie gezond leeft, juist minder, wordt al steeds vaker gesteld. Het invoeren van een inkomensafhankelijke premie kan dit nog meer uitlokken. Wat dreigt is dat deze eerlijk-delen-maatregel de solidariteit binnen de zorg daardoor juist ondermijnt.

Thijs Wöltgens schreef twintig jaar geleden niet alleen een diepergaande onvrede te bespeuren bij staatsingrijpen, waarmee hij kritiek had op onder meer de vvd, hij hield ook zijn eigen partij een spiegel voor. De sociaal-democratie moest ‘haar egalitaire uitgangspunten niet alleen toetsen aan wetten en regels, maar ook aan de maatschappelijke werkelijkheid’. Een raadgeving die nog niets aan waarde heeft ­ingeboet.