Film

Sterke verhalen

Film: ‹Big Fish› van Tim Burton is een ode aan fictie (vanaf 26 februari)

«Het is voldoende dat bij de weergave van dit verhaal geen duimbreed van de waarheid wordt afgeweken.» Dat belooft de verteller in Cervantes’ Don Quichot en dat is ook het uitgangspunt van Edward Bloom, verhalen verteller in Tim Burtons nieuwe film Big Fish. Ed (Albert Finney) heeft veel meegemaakt: een sexy tweehoofdige zangeres, een reus die een scheefstaand huis rechttrekt en een circusdirecteur die een weerwolf is. De vraag is of Ed, die stervende is, dermate de weg kwijt is in de wereld van zijn verhalen dat hij, net als de edelman van La Mancha, kampt met «uitgedroogde hersens».

Ed is in navolging van Don Quichot een man die de wereld aandurft met sterke verhalen, letterlijk. Zonder fictie is hij als een vis op het droge. Hij leeft voor het vertellen, en zijn vertelde leven is in de vorm van Big Fish een onweerstaanbare, gedroomde werkelijkheid. Het is een van de beste films van regisseur Burton. Het is een ode aan fictie, aan de gave van de luisteraar/lezer/kijker ten volle te kunnen geloven in een verhaalwerkelijkheid. Burtons verhaal, gebaseerd op de gelijknamige roman van Daniel Wallace, «droogt geen hersens uit», integendeel, het laaft de ziel.

Geloven in de «leugen» van fictie betekent bij Tim Burton identificatie met de grillige figuren die zijn oeuvre bevolken. Burton is geobsedeerd door de dunne scheidslijn tussen normaal en abnormaal: in Planet of the Apes (2001), waarin de apen de moderne mens een abject wezen vinden; in Edward Scissorhands (1990), waarin niet de jongen met de scharenhanden weerzinwekkend is, maar de «gewone» inwoners van Suburbia; en in Ed Wood (1994), waarin een angorawolfetisj normaal is.

En nu Big Fish, een film die begint met een geboorte, waarbij de baby zo enthousiast is over het zien van het eerste levenslicht dat hij als een kogel uit het moederlichaam schiet, de wijde wereld in. Dat je hier als kijker niet van opkijkt, komt door het magisch realisme en de hieraan gelieerde gotische traditie van het Amerikaanse Zuiden, waar het verhaal gesitueerd is. De suggestie is dat er iets donkers, iets wat alle regels van de werkelijkheid tart, schuilt achter de waas van stomende moerassen en groene gazons.

Met dit gegeven speelt Burton in Big Fish — op satirische wijze. In een van Eds verhalen belandt de held in een dorp ergens in het Zuiden. De dorpelingen, die dankzij de schitterende gazons geen schoenen nodig hebben, zijn zo aardig dat ze nauwelijks te vertrouwen zijn. Maar hier schuilen geen monsters. Wel heerst er een soort verveling die alle creativiteit tegenwerkt.

En daar moet Ed niet zijn. Burton ook niet. Voor hem draait het leven juist om de kracht van kunst, om de mogelijkheid een verhaal te vertellen of ernaar te luisteren. Wie sceptisch is — de verteller in Cervantes’ verhaal, de zoon van Ed in Big Fish, of Ichabod Crane in Sleepy Hollow — is de vijand van fictie. Maar aan het einde van alle Burton-films zijn de vijanden bekeerd. Hoofdloze ruiters? Vliegende schotels? Intelligente apen? Een stervende verteller die verandert in een grote vis? Geen duimbreed van de waarheid…