Sterren

In De Groene van 14 september schrijft Govert Schilling in zijn essay ‘De sterren en de letteren’ dat de schrijvers van nu niet langer actief deelnemen in het kosmologisch debat, zoals dat vroeger wel gebeurde. Mulisch, De Winter en De Moor zouden in deze slechts volgers zijn, geen aangevers. Nee, dan Edgar Allan Poe. Die gaf ‘als eerste een correcte oplossing voor een eeuwenoud kosmologisch raadsel’: De paradox van Olbers.

Nu wil het geval dat Poe een beruchte plagiaatbestrijder was, maar zelf een nog beruchtere plagiaris. En ook de ‘oplossing’ die Poe geeft voor de paradox, heeft hij hoogstwaarschijnlijk ontleend aan verhandelingen van Johann Heinrich von Madler (1794-1874), professor in de astronomie en directeur van de sterrenwacht in Dorpat.
Poe beroept zich in zijn Eureka overigens netjes op deze geleerde, maar valt hem ook af. En voor de grote these van dat werk baseerde hij zich op de onjuiste nevelvlekhypothese van de Franse wiskundige en natuurwetenschapper Laplace, uit diens Exposition du systeme du monde (1796). Niettemin merkt Poe over Laplace fijntjes op dat diens werk vergeleken met het zijne een luchtbel was tegenover 'de oceaan waarop die drijft’. En Newton? Dat was 'maar een incident’. Poe’s bijdrage aan de wetenschap en/of de filosofie werd en wordt dan ook door niemand serieus genomen.
Ik ben geen astronoom, verre van dat, en schrijf ook niet als de heer Schilling verdienstelijke maar erg populaire boeken als Sterrenkunde voor iedereen. Maar ik geloof niet dat je kunt stellen dat Poe de paradox van Olbers oploste, wel dat hij dingen fraai verwoordde.
Amsterdam, MARC SCHOORL