Componist Hendrik Andriessen geeft in november 1950 pianoles aan zijn jongste zoon, Louis © Spaarnestad Photo

Zoals verwacht zag ik Louis Andriessen uitgeluid worden als grootste Nederlandse componist sinds Sweelinck, die exact vier eeuwen eerder hemelde. Waar is dat al niet een oordeel over? Over de hele Sweelinck en de hele Andriessen, over vier eeuwen Nederlandse toonkunst. Daar is veel middelmatigs bij, want goden zijn ook hier schaars goed. Toch waren voor de Nederlandse muziek de twintigste eeuw en het eerste stuk van de onze gouden tijden dankzij meer smeden dan Louis alleen. Diepenbrock, Vermeulen, Bosmans, Pijper, Escher, Schat, Loevendie, Keuris, Kox, de geniale Theo Verbey. Nu al wat van Van der Aa en Jeths tot Hamel, Torstensson en Wagemans vloeiend en soms grensverleggend schept; alle interessante mijnheren en mevrouwen die we misschien per ongeluk over het hoofd zagen; de aanstormende jonge garde met een Jan Peter de Graaff, Karmit Fadael, Rick van Veldhuizen, Mathilde Wantenaar. Geen mens weet nog hoe groot, maar de sterren staan gunstig.

Niemand is fulltime sterk. Een componist met een lager meesterwerkengemiddelde kan asymptomatisch hoger pieken dan de meester met de brede basis. Verder zijn we nog niet toe aan de conclusie welk soort grootheid Andriessen behelsde en voor wie. Of hij een oeuvre naliet waar de toekomst iets aan heeft, dus waarvan de diepere betekenis nog moet indalen, of dat vooral bestemd was voor het heden. Ik denk aan hoe zijn ensemblestuk De staat door tijdgenoten werd ervaren als bevrijdend keerpunt in het burgerlijke toonkunstlandschap. Misschien kan het dat effect maar één keer goed hebben. En misschien was het gewoon old boys-mythologie, wie zal het zeggen.

Tenslotte komen componisten nooit uit het niets. Ze hebben vaders, geestelijke en soms biologische. Die van Louis stelde iets voor. Hendrik Andriessen (1892-1981) hoeft niet voor niets geleefd te hebben, als we hem nou eens niet verpletteren onder de grote woorden over vier eeuwen leegte. Een dubbel-cd met zijn liederen, orkestwerken en concerten komt in het grote wegingskader als geroepen.

Hendrik was katholiek en dat hoor je. De muziek heeft iets vaderlijk rechtschapens, soms iets tobberigs of halfmystiek gereserveerds. Iets beschermends ook, van God is met ons. Echt een vader waar je je als angry young man tegen afzet. Er is een foto waarop hij Louis aan de piano monstert. Hij kijkt als een leraar met het rechtschapen ronde Hendrik-hoofd dat junior kloek vorm en kunnen leende. Je voelt de hand op de schouder.

Van de concerten en de orkestrale variatiecycli zijn er meer. Maar zo zeg, die liederen uit de cyclus Miroir de peine, grandioos gezongen door Roberta Alexander. Ze dwalen door je hoofd als zware schimmen van vergeten ernst. Wat een sterke, gelovige muziek, francofoon met mooie Hollandse reserve, denkend aan Gregoriaans en de miraculeuze Duparc.

In Louis’ orkestwerk Mysteriën duiken de Roomse genen van de vader op. De schaduwen van zijn lijfboek, De imitatione Christi van Thomas a Kempis; dan een citaat uit het lied Magna res est amor, ook op deze cd. De zoon begon zich hem steeds beter te herinneren. Dat leert muziek je, als je luistert. Nu wij.

Hendrik Andriessen, Miroir de Peine: Orchestral Music & Concertos (Brilliant Classics)