Sterren aan een zwarte hemel

Loit Sôls en Gert Vlok Nel - beiden staan in Komrij’s bloemlezing van de Afrikaanse poëzie. Beiden hebben de Zuid-Afrikaanse poëzie verrijkt met een Afrikaans dat niet besmet is met apartheid. Een gesprek met een uitbundige Kaapse straatpoëet en een straatarme zachtgeaarde jongen uit de Karoo.

TWEE VERSCHILLENDE levens, twee verschillende verhalen, twee verschillende dichters. ‘Verschillend’ was een kernbegrip in Zuid-Afrika tijdens de apartheid, en Loit Sôls (42) en Gert Vlok Nel (35) groeiden in verschillende werelden op. Wanneer ze over hun werk spreken, lijken ze ook qua karakter elkaars tegenpolen. 'Taal als levensuiting’, zegt Loit Sols dramatisch, met gespreide armen. Terwijl Gert Vlok Nel mijmerend, bijna verontschuldigend constateert: 'Het is maar mijn eigen taaltje dat ik altijd zal liefhebben.’ Toch zijn de twee Zuid-Afrikanen juist door de taal en de poëzie onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Met hun debuutbundels hebben ze de Zuid-Afrikaanse poëziewereld op z'n kop gezet: Loit Sols omdat hij met zijn Goema, zoals hij zijn eigen variant van het Kaapse Afrikaans noemt, miljoenen mensen een stem gaf die tijdens de apartheid monddood werden gemaakt, en Gert Vlok Nel omdat hij met zijn eenvoudige achtergrond volkomen onverwacht doorbrak met een aantal, in hippe spreektaal geschreven gedichten die meteen weerklank vonden bij de jonge Afrikaners.
HUN POEZIE is verre van standaard-Afrikaans, het Afrikaans van de apartheidsmeesters, maar verschilt ook van grote dichters als N.P. van Wyk Louw, D.J. Opperman, Elisabeth Eybers, Wilma Stockenström en Antjie Krog. Bijvoorbeeld Sols’ gedicht 'Die taal’ (uit: My straat en anne praat poems, 1998): 'Kyk mooi na dié Taal/ hoe haal sy asem?/ Noemmit Patois of Pidgin/ djy waste jou wasem/ en djy hoonie raai beatie.’
Taal wordt hier op een originele en subversieve manier gebruikt. Dat daar negatieve kritieken op zouden komen, was voorspelbaar. Zo vroeg een Afrikaner academicus zich in zijn recensie van Sols’ bundel vertwijfeld af of deze gedichten nu betekenden dat iedereen maar van het Afrikaans kon maken wat hij wilde. Kennelijk wel, want Sols en Vlok Nel werden nationale bekendheden - mede doordat ze allebei ook optreden: Sols als straatmuzikant in Kaapstad en Gert Vlok Nel als gewilde performer tijdens alternatieve muziekfestivals.
Al gauw moest de uitgever Vlok Nels bundel om te lewe is onnatuurlik (1993), waarvoor hij de Ingrid Jonker-prijs kreeg, herdrukken. Vorig jaar kwam Sols’ bundel My straat en anne praat poems vanuit het niets de bestsellerslijst binnen. Samen met Vlok Nel kreeg Sôls ook in Nederland bekendheid; hun poëzie werd vertaald en verscheen in de bloemlezing O wye en droewe land van samenstellers Robert Dorsman en Adriaan van Dis. Van Vlok Nel koos Gerrit Komrij niet minder dan acht gedichten voor zijn bloemlezing De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten, die nu verschijnt.
TIJDENS HET afgelopen Winternachten-festival ontmoetten de twee dichters uit twee verschillende Zuid-Afrikaanse werelden elkaar voor het eerst.
Loit Sols: 'Mijn vader was wit. Ik heb hem nauwelijks gekend. “Coetzee” - ik weet niet eens wat zijn volledige naam is - was getrouwd en had een gezin. Mijn moeder was werkster bij hem - in feite een slaaf. Ze hadden een buitenechtlijke verhouding waaruit vier kinderen werden geboren, waaronder ik. Ik heb een vrij grote witte familie maar ik ken ze niet!
Ik ben getekend door die vroege jaren. Op een gegeven moment heeft een welzijnsorganisatie besloten dat mijn moeder niet in staat was ons op te voeden. Mijn broer en zuster werden in pleeggezinnen geplaatst maar ik belandde in het St. Francis-kindertehuis in Athlone (op de Kaapse Vlakte, een met misdaad doordrenkt gebied). Dat kindertehuis is een verhaal apart. Kindertehuizen voor kleurlingkinderen zijn al jaren een gigantische industrie in Zuid-Afrika. Waarom denk je dat er zo veel gekleurde kindertehuizen in Zuid-Afrika zijn? En zo weinig tehuizen voor witte, zwarte en Indiase kinderen? Antwoord: wij moesten koste wat kost ergens verstopt worden. Wij, gekleurden, illegalen! Op het eerste gezicht lijkt alles bij die kindertehuizen koek en ei. Maar ik weet uit eigen ervaring dat daarbinnen een totaal andere realiteit heerst. Dat zijn zware dingen… Ik wil er niet zomaar hier over praten, maar pas toen ik zesendertig jaar oud was, kreeg ik datgene wat ik in het kindertehuis meemaakte voor het eerst een beetje onder controle. Ik heb altijd het gevoel dat ik vijftien jaar van mijn leven kwijt ben geraakt.
De welzijnsorganisatie kon mijn moeder niet opsporen. Op mijn vijftiende kwam er een vrouw naar het kindertehuis. Iemand die door de organisatie geschikt werd bevonden om mij op te voeden. Zij kwam mij bevrijden, en ik vond het schitterend. Mammie! (Hij lacht en strekt zijn armen dramatisch voor zich uit.) Ik kende die vrouw van geen kant, maar zij werd mijn voogdes. En ik zal het nooit vergeten: zij stonk naar goedkope wijn. Kon het mij schelen - ik was vrij! Wij gingen naar een huis waar geen eletriciteit was. Kort daarna drong het tot mij door dat ik in een sjebeen Illegale kroeg) terecht was gekomen. Ik ging er vandoor.’
GERT VLOK NELS autobiografische gedichten en zijn muziek zorgen ervoor dat je geïnteresseerd raakt in zijn stadje Beaufort-West in de Karoo. Maar zegt de dichter: 'Dat hoeft niet. Ik heb het allemaal bij elkaar gelogen. Eigenlijk bestaat het niet meer.
We kwamen er wonen toen ik zes jaar oud was. Mijn vader ging bij de spoorwegen werken. Dat overheerste mijn kinderjaren. Ik herinner me nog die gigantische spoorwegwerf waar treinen werden gerepareerd. Het was nog de tijd van stoomtreinen, en ik werd erdoor betoverd. De treinen waren overal hoorbaar: de fluiten en het geluid van de wielen op het spoor wanneer de treinen voorbijkwamen. Toentertijd reden er veel treinen door de stad. Nu misschien maar één of twee per dag. Dat komt doordat men een snelweg door het dorp heeft aangelegd. Nu heb je vrachtauto’s.
We waren met acht kinderen en woonden vlak naast het spoor in de spoorwegbuurt, een buurt voor de arme blanken. We waren dus qua stand net iets hoger dan Loit, maar lager dan de rest van de blanken in Beaufort-West.’
Vlok Nel schreef de gedichten uit om te lewe is onnatuurlik toen hij vijfentwintig jaar was. Voordat ze in 1993 werden gepubliceerd was hij drie jaar lang op zoek naar een uitgever. Zijn succes kwam voor hem als een verrassing. Dat is ook ongeveer hoe hij zichzelf als dichter ontdekte - per ongeluk. Hij was een brief aan het schrijven en begon om de een of andere reden met een deel van de tekst te spelen. 'Voor ik het wist had ik een gedicht op papier.’ Het werd 'Oproep’, het openingsgedicht van zijn bundel: 'Goegie was veraf vandag/ vandag toe ik hom bel/ en vanuit die kruik vertel/ heel godse dag gesit en paint se hy/ toe in die kar geklim, toe berg toe gefokkenry.’
Het zijn persoonlijke gedichten, geschreven in spreektaal. Vlok Nel denkt weinig mensen in Zuid-Afrika hiermee te raken. 'Ik ben te vreemd voor de algemene smaak en te onaantrekkelijk voor de elite. Ik hoor nergens bij.’
Opvallend in zijn gedichten is het gebruik van de letter i in plaats van de Afrikaanse lidwoorden 'n en die. Vlok Nel noemt dit een bewuste stijlgreep die met zijn mislukte studie aan de universiteit van Stellenbosch te maken heeft. Op Zuid-Afrikaanse universiteiten kon je Afrikaanse letterkunde alleen in combinatie met Nederlandse letterkunde studeren, met als gevolg een sterke nadruk op de Nederlandse wortels van het Afrikaans. De Maleise invloeden op het Afrikaans werden slechts terloops erkend.
Vlok Nel: 'Door in mijn gedichten de letter i te gebruiken wil ik de Nederlandse invloeden op het Afrikaans verminderen. Ik vind het Nederlands trouwens zeer moeilijk; ik versta de taal nauwelijks en ik lees het moeilijk. Ik wil de Nederlandse wortels van het Afrikaans niet ontkennen, maar ik wil meer schrijven zoals mensen praten. De meeste mensen zeggen nooit “die hond”, maar “i hond”. Voor mij is dat ook een techniek om vervreemding in mijn gedichten te bewerkstelligen, om ze poëtisch te maken. Er zijn dichters in Zuid-Afrika die jaloers zijn op mijn i.’
LOIT SOLS’ gedichten lijken het tegenovergestelde van die van Gert Vlok Nel. Meer maatschappelijk betrokkken, minder intens persoonlijk. 'Die gesig van God’ bijvoorbeeld: 'Life has many lessons,/ “een kleine beetje geduld”/ (soos osse Dutch voovaares geserit)/ is only part of the essence from which this language spilt.’
Toch heeft Sols geen missie met zijn poëzie. 'De dominosteentjes begonnen op mijn achtendertigste te vallen. Toen vroeg ik mezelf af: “Wie ben ik eigenlijk?” Ik besefde pas laat dat ik het antwoord niet wist. Poëzie gaat voor mij over relaties. Tussen van alles: mensen, dingen, dieren, natuur. Poëzie is voor mij een manier om zin te geven aan het leven. Door middel van woorden of muzieknoten. Poëzie is ook muziek. En kleuren, vorm, beweging.’
Vlok Nel interrumpeert: 'Poëzie is niet alleen woorden op papier. Ik kan een dichter zijn zonder een enkel woord te schrijven. (Sols: 'Ja! Precies.’) Het gaat erom hoe je je tegenover anderen opstelt, om wat voor mens je bent. Helaas ben ik een betere dichter op papier dan in het leven zelf.’
Sols ziet zichzelf niet als politiek dichter. 'Ik schrijf geen poëzie - ik schrijf alleen maar. Vaak zit ik voor de computer, en dan hoef ik niet eens te denken, het komt gewoon uit me en op een gegeven moment staat het op het scherm: één groot stuk proza. Dan begin ik daar de poëzie uit te halen. De dichtregels springen te voorschijn als sterren aan een zwarte hemel.’
GERT VLOK NEL stelde, zo vertelt hij met zichtbaar plezier, om precies te zijn één daad tegen de apartheid. 'In 1986 stapte ik uit de Nederduits Gereformeerde Kerk! Officieel! Per brief!’ Ernstiger: 'Toen ik achttien werd en in het leger terechtkwam, ging er een wereld voor mij open. Onder de militairen maakte ik voor het eerst homoseksuele vrienden. Ook hoorde ik Bob Dylan zingen. Ik voelde me thuis in de alternatieve Afrikaner scene, jonge mensen die walgden van een stadje als Beaufort-West waar je nooit folk- of jazzmuziek hoorde. Ik heb nog steeds een haat-liefdeverhouding met die plek. Terwyl ek hom soen, wil ek hom klap. Tijdens de apartheid was ik geen publieke figuur. Toen ik begon te dichten ging mijn poëzie vooral over mijn eigen woede.
Apartheid vormt nog steeds een probleem in mijn familie. Mijn moeder kan bijvoorbeeld tot op heden niets fout vinden aan de apartheid. Terwijl wij witte Afrikaners toch genetisch schuldig zijn. Dit heeft verregaande gevolgen, want daar sta je dan: witte Afrikaner. En je kunt niets anders doen dan ineenkrimpen.
Probleem is dat er meer mensen als mijn moeder zijn dan als ik; weinig witte mensen voelen zich schuldig over de apartheid. De commissie van waarheid en verzoening kon dat schuldgevoel niet zuiveren - in ieder geval niet bij mij. De commissie was nuttig doordat de families van de slachtoffers van de apartheid nu weten wat met hun kinderen is gebeurd; er is een begin gemaakt met het blootleggen van de waarheid.’
De apartheid en de trieste omstandigdheden waaronder Loit Sols opgroeide, waren de redenen voor zijn late debuut. 'Op een gegeven moment vroeg ik mezelf af: Waarom moest dat allemaal juist met mij gebeuren? Waarom werd ik niet in een ander gezin geboren? Onder andere omstandigdheden? Waarom was alles niet anders? Het antwoord dat ik kreeg was dat ikzelf alles anders moest doen. En dat is precies wat ik deed - ik begon te schrijven. Opeens zag ik dat ik door het schrijven mezelf kon zuiveren.’
VOORDAT HIJ in 1986 in het Goema begon te dichten probeerde Sols het ook in het Engels en het standaard-Afrikaans - zonder succes. 'Die gedichten waren als brak water. Nee, om gedichten te schrijven had ik niet genoeg aan het gewone Afrikaans.’
Een gevolg van het einde van de apartheid is dat andere vormen van het Afrikaans, zoals het Kaaps, het Goema waarin Sols schrijft, veel meer aandacht krijgen.
Vlok Nel: 'In het verleden waren mensen als Loit alleen maar voetnoten in lezingen van de academici.’ Zelf zal hij niet vervuld zijn van'pijn en leed’ als, zoals velen in Zuid-Afrika vrezen, het Afrikaans in de toekomst ten onder gaat.
Sols: 'Ik luister vaker naar mensen die Afrikaans spreken dan dat ik het zelf spreek. Er ge beurt iets vreemds met mijn mond wanneer ik Afrikaans spreek. Met mijn mond, met mijn tanden, met mijn tong die aan mijn verhemelte vastplakt. Vaak willen de woorden er gewoon niet uitkomen. Tijdens een gesprek kan ik “zuiver Afrikaans” misschien vijf minuten volhouden, daarna gaat het mis.’
'Kijk’, zegt Gert Vlok Nel op fluistertoon, 'ik spreek eigenlijk iets wat erg op Loits Afrikaans lijkt. Mijn Afrikaans is helemaal onzuiver…’
Sols: 'O ja, daar heb je het Goema! Zie je, Goema is veel groter dan alleen maar het Kaapse Goema.’
Vlok Nel valt hem in de rede door erop te wijzen dat hij die laatste zin niet veel anders zou hebben uitgesproken dan zijn gesprekspartner.
Sols (triomfantelijk): 'Dát is wat ik wil zeggen: we spreken allemaal Goema!’
Vlok Nel: 'Wanneer ik iemand tegenkom die zuiver Afrikaans spreekt, kijk ik altijd verbaasd op. Zulke mensen zijn er vooral in het noorden. Onder de rijken. Alsof het oerdieren zijn.’
Sols lacht luid.
Ze hebben elkaar gevonden: twee dichters die vreugdevol hun vrijheid als dichters, als vrije gebruikers van taal, vieren. In een land waar jarenlang getracht werd de taal 'zuiver’ te houden. Aan het einde van het gesprek leunt Gert Vlok Nel naar voren in zijn stoel in het hotelrestaurant, kijkt om zich heen, naar het tafeltje waar Breyten Breytenbach een interview geeft, en zegt alsof het om een grote waarheid gaat: 'In deze ruimte heb ik een relatie met de Afrikaans-sprekenden, een link dankzij de herkenning die de taal geeft. Door de taal heb je de mogelijkheid elkaar te begrijpen.’