Sterretjes die springen

Ze springen hoog, de jongste dichters van vandaag. Of ze ooit de sterren halen, is de vraag.

ELKE REVOLUTIE IN de poëzie, of elke poging tot vernieuwing, kijkt twee kanten op: ze oriënteert zich op de toekomst, en wikt het verleden. Elke poëtische ‘beweging’ is onderdeel van een (eeuwenlange) ontwikkeling en bezit dus altijd een erfenis: alles wat voorafging. Tegelijkertijd wil ze die erfenis loslaten, zich ontdoen van de last van het verleden en, nieuwe griffels, schone leien, volle kracht vooruit, een nieuwe tijd tegemoet, een nieuwe wereld, een nieuwe poëzie.
Voor elke avantgarde is de poëzie iets dat overwonnen moet worden. Niet simpel vergeten, of ontkend, maar overwonnen. Op de puinhopen van de 'oude’ poëzie verrijst de nieuwe. Die voedt zich onder meer met haar voorgangers, ze is per slot van rekening opgetrokken op het fundament van die verfoeide 'oude’ dichtkunst.
Zonder traditie geen vernieuwing, en het lot van elke vernieuwing is dat zij onherroepelijk traditie zal worden of daar deel van gaat uitmaken.
Maar dat is pas later. Eerst is er de oproer van het moment, eerst zijn er de manifesten, de programma’s, de polemieken, de bloemlezingen, de tijdschriften, de scheldpartijen en de emmers vol vis.
De Tachtigers rekenden af met wat zij noemden de 'domineespoëzie’ door een 'effectieve strategie’. Zo noemt Ton Anbeek, in zijn standaardachtige werk Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985, 'de manier waarop Willem Kloos en de zijnen afrekenden met voorgangers en tijdgenoten om een nieuwe opvatting over poëzie te propageren’. Die strategie is 'een schoolvoorbeeld van literaire propaganda’. Die bestond uit: 'Het verketteren van kopstukken en belachelijk maken van de kritiek, het nauwkeurig formuleren van de eigen denkbeelden en ten slotte, maar niet in de laatste plaats, de publicatie van de nieuwe poëzie in een eigen tijdschrift (…).’
De vaderlandse literatuur zuchtte tot ongeveer 1880 onder het juk van wat Busken Huet 'dichtkunst van de huiselijke haard’ noemde. Huet werd door de Tachtigers omarmd en zijn ideeën werden heel handig in de markt gezet: een stelletje jonge schrijvers, met Willem Kloos als regisseur op het middenveld, nam Huets weerzin tegen de dorre binnenkamerpoëzie integraal over. Daarbij was men slim genoeg om die te presenteren in een buitengewoon levendige, spetterende verpakking: de taal, de stijl van Tachtig.
DE VOLGENDE 'grote’ verandering in de Nederlandse literatuur werd aangesticht door de Vijftigers. Vijftig was een ware avantgarde, die een omwenteling teweegbracht zoals die hoort te zijn.
Ook de Vijftigers richtten de blik naar het verleden en naar de toekomst. Hoe het was en hoe het moest worden, de poëzie. Waarvan afscheid diende te worden genomen, en wat nieuw ge boren en grootgebracht ging worden. Wat kapot moest en wat op de puinhopen van dat kapotte ging ontluiken.
Kapot moest: 'van de buitenwereld geïsoleerde inteeltpoëzie’, poëzie die door de jonge dichters van Vijftig werd ervaren als 'uit een andere wereld, van een andere planeet, geschreven in een vreemde, archaïsche taal’, zoals Paul Rodenko, kritisch begeleider van de experimentele dichters, noteerde. Die experimentelen zochten, bij monde van Gerrit Kouwenaar, 'de nieuwe weg, ongebaand inderdaad, maar tevens onbesmet met het lijkgif van een stuiptrekkende cultuur’.
Ontluiken zou: een poëzie als 'het verslag van de proefondervindelijke (experimentele) ervaring en sensatie midden in de wereld te staan’.
In eerste instantie was de poëzie zelf object van hoon en haat. Maar de dichters legden ook expliciet het verband met ontwikkelingen in andere kunsten, met name de beeldende kunst.
Anders dan de Tachtigers hadden de Vijftigers een zwak voor het engagement. De kunstenaar mocht/moest zich maatschappelijk engageren. Dat leek voort te vloeien uit hun poëtica, die de mens wilde bevrijden van alles wat vals en leugenachtig was. Wat niet zuiver, oprecht en bijna kinderlijk optimistisch was.
Ook anders dan de Tachtigers zagen de experimentelen van Vijftig de poëzie wel in verband met de wereld. Daar veranderden dingen, en dus veranderde - noodzakelijkerwijs - de poëzie mee. Want de dichter stond midden in de werkelijkheid. Was ook gewoon een mens.
HET EERSTE exemplaar van Sprong naar de sterren werd bij de presentatie aangeboden aan Simon Vinkenoog, bijna een halve eeuw geleden samensteller van de Vijftigers-bloemlezing Atonaal. Vinkenoog was verrukt, zoals hij altijd verrukt is wanneer er iets gebeurt met jonge mensen, of wanneer jonge mensen iets proberen. (Hoe kunnen we niet van Vinkenoog houden?)
Sprong naar de sterren brengt werk bij elkaar van 'de laatste generatie dichters van de twintigste eeuw’. Samensteller en inleider is Ruben van Gogh (1967), dichter en zelfverklaard 'Man van taal’. Van Gogh zocht voor zijn bloemlezing 75 gedichten bijeen van 25 dichters, in de leeftijd van ongeveer tussen de om en nabij jong en bijna-jong. Wat hen tot een generatie maakt is niet hun leeftijd, echter, maar het feit dat zij debuteerden in de loop van de jaren negentig.
De Sprong-dichters zijn geen club. Misschien worden ze het nu; ze kennen elkaar uit het circuit van festivals en literaire avonden. (Een aantal gebloemleesden haastte zich te verklaren, in Vrij Nederland, dat ze er 'eigenlijk’ niet bijhoorden.) Als Ruben van Gogh niet een inleiding had geschreven, zou niemand de dichters in Sprong naar en met elkaar in verband hebben gebracht. Want zoek de overeenkomsten maar eens tussen pak ’m beet Hagar Peters en Mustafa Stitou.
Van Gogh zoekt de overeenkomsten tussen 'zijn’ dichters niet in de eerste plaats in hun werk. Sprong naar de sterren is dan ook 'geen bloemlezing van een programmatische generatie dichters. Om te beginnen weigeren zij zichzelf tot een generatie te laten bombarderen, pogingen met termen als rapdichters, performing poets, poetry slam-dichters en zapdichters ten spijt. Als reactie hierop lanceerden enkele dichters zelf stromingen als de Groninger School, de Utrecht Maffia en Zog-poëzie, deels spottend bedoeld, maar vaak heel serieus opgepikt. De dichters in Sprong naar de sterren zetten zich niet af tegen voorgangers, bestormen geen burchten. Inderdaad, zij laten de Olympos links liggen; zij zijn vrij.’
DICHTERS DIE ZICH niet afzetten tegen voorgangers - hebben we het dan wel over een 'beweging’, een 'generatie’ desnoods? (Van Gogh meent dat zijn dichters 'weigeren zichzelf tot een generatie te laten bombarderen’, maar waarom heeft Sprong dan de ondertitel 'de laatste generatie dichters van de twintigste eeuw’?) Nee, ze zetten zich niet af. Waarom zouden ze ook? De voorgangers zijn niet eens duidelijk te beschrijven. Alles kan, alles mag, en alles is er. Er is geen overheersende tendens in de poëzie, en er is derhalve geen gerichte aanval mogelijk.
Van Gogh zoekt, en vindt, gemeenschappelijke kenmerken bij zijn dichters: 'Hier geen gedichten vol verstilde momenten, als geschreven foto’s, of gedichten over de gedichten zelf. Geen zichzelf beschrijvende dit-gedichten dus. Nee, Sprong naar de sterren bestaat uit “gebeurende poëzie”. Gedichten die haast allemaal daadwerkelijk plaatsvinden, ergens ver weg van het papier. Deze gebeurende poëzie uit zich in gedichten met een sterk filmisch karakter, alsof het papier beeldscherm is geworden.’
Hè?
Nog een keer lezen. Dan langzaam.
O ja.
'Gebeurende poëzie.’ Dat zijn 'gedichten die haast allemaal daadwerkelijk plaatsvinden’. Waar dan? Nee, niet hier. 'Ergens ver weg van het papier.’ Desondanks 'uit’ deze gebeurende poëzie zich 'in gedichten met een sterk filmisch karakter’. En waar vinden we die gedichten dan, als we ze willen lezen? Toch op het papier! Alleen, het is 'alsof het papier beeldscherm is geworden’.
PAPIER OF beeldscherm, gebeuren of niet, de poëzie van de laatste generatie dichters van de twintigste eeuw zit vol dynamiek. De 'overvloedige hoeveelheid beweging’ valt op, vindt Ruben van Gogh: 'er wordt gelopen, gereisd, gezweefd, gedanst en gesprongen’. Beweging niet alleen als van a naar b, ook wordt 'veel beweging gecreëerd door vloeiende, bijna vanzelfsprekende perspectiefwisselingen’.
Bent u er nog?
Van Gogh redeneert naar een van zijn stokpaardjes toe: die beweging, die vloeiende wisseling van perspectief, is eigenlijk morfen, 'van gebeurtenis naar gebeurtenis, van perspectief naar perspectief’.
Daarom luidt het allereerste gedicht (van Miguel Declercq) in de bloemlezing natuurlijk als volgt: 'Het meisje dat haar vingers naar je strekt -/ ze is een sprookje dat zich afspeelt/ in je hoofd./ Haar hand haalt alles overhoop./ De melodie die je voorzag ontpopt zich/ en je ogen bloeden mee./ Met welke lekkernij heeft ze je volgestopt?// Ze wentelt als een schaduw/ op de muren om je heen/ alsof ze een belofte maakt./ Je hoeft niet op de nacht te wachten/ om te zien hoe ze bezwijkt./ Ze rafelt als een wollen sokje in je uit/ en vormt een vlek.// Je maakt haar nooit, nooit, nooit meer weg.’
Geen gebeurtenis te ontdekken. Niks 'van perspectief naar perspectief’. Morfen ho maar. Statisch, verinnerlijkt - maar daarom niet minder mooi, overigens.
Dat morfen, dat zit Van Gogh hoog. Zijn inleiding opent zo: 'De platte, snelle wereld van tv en het witte doek wordt al snel als bedreiging gezien voor de verheven wereld van de literatuur. Het ondergeschoven kindje poëzie moet het dan wel helemaal zwaar hebben. Toen ik in de bioscoop voor het eerst de vloeiende computeranimaties zag, waarin een vloeibare metalen massa naadloos al morfend transformeerde tot een schijnbaar gekleed personage van vlees en bloed, dacht ik dan ook even dat het gedaan was met de poëzie.’
Gelukkig valt dat mee. Maar ik hoop voor Van Gogh dat er niet meer van zulke voor een dichter verontrustende dingen op tv komen.
VREEMD IS DAT nergens wordt gesproken over de poëzie waar Van Gogh cum suis zich tegen zouden kunnen afzetten. Alsof ze die helemaal niet kennen.
Het woord 'hermetisch’ valt een keer, bijna per ongeluk, ergens staat 'academisch’, maar het heeft een hoog klok-maar-nergens-een-klepel-gehalte. De inleiding geeft, eerlijk gezegd, de indruk dat de samensteller van Sprong naar de sterren niet bijster veel wil weten/weet van de Nederlandse poëzie die voorafging aan die van hemzelf. Hier en daar wat klokgelui.
Klok: 'Hier geen gedichten vol verstilde momenten.’ Geen gedichten als 'geschreven foto’s’. Van Gogh citeert Lernert Engelberts, die een 'dit-gedicht’ parodieert, walgend. Het volgende werk van Engelberts in de bloemlezing is 'Verlaten terrein’: 'Het mooiste van de kermis was niet/ het schelle geluid van botsende auto’s/ het lonkende licht, de grijparm/ die het horloge miste of de zoete geur/ van de suikerspinwagen, maar// de bleke vierkanten in het gras,/ de afdruk die de kermis op de grasmat/ van het park achterliet.// En dat ik dan met mijn zusje aan de hand/ naar die plek terugkeerde en zei:/ “Kijk, daar stond de draaimolen,/ daar de schiettent, en hier de jongen/ die kaartjes verkocht voor het spookhuis.” ’
Geen verstilde momenten? De dichter mijmert hier, geïnspireerd door een vlek in het gras, over dat wat voorgoed is voorbijgegaan. Als dat geen verstild moment is, geen geschreven foto…
CENTRALE STELLING in de inleiding: de poëzie heeft er een dimensie bij gekregen, 'een dimensie die buiten de literaire wereld gezocht moet worden’. Wat dan? Van Gogh bedoelt 'elementen die meer aansluiten bij de film-, muziek- en televisiewereld dan bij literaire tradities’.
Maar niemand, verzucht hij, begrijpt dat. Niemand herkent dat, 'in ieder geval niet de poëzie-recensenten’. Neem nou Piet Gerbrandy. 'Niet alleen legt hij, waar mogelijk, meteen verbanden met Griekse mythologieën, Romeinse heersers en bijbelpassages, ook verlangt hij een zeggingskracht die zich pas na drie keer lezen laat aanvoelen. Hij staat voor de hermetische, academische poëzie.’
Ja, daar heb je niks aan. Iemand die 'zeggingskracht’ verlangt die zich pas na drie keer lezen 'laat aanvoelen’. Dus 'hermetisch’. Klokgelui. Nergens klepels.
Geen aandacht voor de 'jonge dichters’ van tegenwoordig? Er is verschrikkelijk veel aandacht voor allerlei jonge dichters, en 'nieuwe poëzie’.
Veel te veel aandacht is er besteed aan een heleboel slechte 'nieuwe’ poëzie. Het Double Talk Festival, rap-poëzie, podiumdichters, cd’s-met-boek, en ga zo maar door: een en al belangstelling voor poëzie die soms op een podium aardig klinkt maar die op papier volkomen verschrompelt tot amateuristische rijmelarij.
In Sprong naar de sterren zijn die podiumdichters ruim vertegenwoordigd: de Epibreren-groep ('hooee! Naar benee waar ferme jongens/ stoere knapen en rassa dames/ pooee! Op straten en dreven raven/ tataa! Bergt u burgers in uw buurtenbunkers/ dit is ons bloed en dit is ons vlees/ kom aan volk en eet en weet/ de era der dwazen is uitgebroken’ - Bart FM Droog), Ingmar Heytze (altijd sympathiek toen hij light verse schreef en het ook zo noemde, minder indrukwekkend naarmate hij serieuzere gedichten schrijft), Hagar Peters (die 'de poëzie dichter naar de mensen wil brengen’; misschien moet ze vooral poëzie van anderen dichter naar de mensen brengen) en vele, vele anderen.
AL MET AL maakt Sprong naar de sterren vooral een gammele indruk. De gedichten zijn bij elkaar gezocht op basis van woorden als 'kosmos’, 'komeet’, 'sterren’ en 'maan’ ('de maan de maan/ die grote fotostudio van waan/ waarop wij zilverwit beslaan// hebben wij er wel gestaan?’ - Ruben van Gogh). Alle gedichten zijn al eerder gepubliceerd, soms jaren geleden, sommige zijn 'voor deze bundel herzien’. Dat lijkt een beetje vreemd: gedichten herzien voor een bundel. Maar het klopt wel bij de algehele indruk: Sprong naar de sterren is een bij elkaar gezocht samenraapsel van toevallig op enkele punten op elkaar lijkend werk van soms talentvolle dichters (Menno Wigman, Mustafa Stitou, Miguel Declercq, Serge van Duijnhoven), maar meestal van jonge schrijvers die hun faam in de eerste plaats te danken hebben aan het podium. En het podium, dat ligt nou eenmaal 'ergens ver weg van het papier’.
Sprong naar de sterren representeert geen 'revolutie’ in de poëzie, geen 'vernieuwing’, geen 'omwenteling’. Dat het er de schijn van heeft, of zou kunnen hebben, ligt aan de literatuur zelf, die behoefte blijft hebben aan een dergelijke verandering. Net zoals we het voetbal geen dienst bewijzen door talentvolle jonge voetballertjes dood te knuffelen, zo doen we de poëzie geen groot plezier door een toevallig passerend groepje schrijvers op een veel te hoog voetstuk te plaatsen.
Sprong naar de sterren. De laatste generatie dichters van de twintigste eeuw. Samengesteld en ingeleid door Ruben van Gogh. Uitg. Kwadraat, 96 blz., 29,90