Corine Koole

Sterven als overspel

CORINE KOOLE
WAT BLIJFT IS LIEFDE
Balans, 256 blz., € 16,50

Wat doe je als je weet dat je bijna doodgaat? Die vraag moet Louise, de hoofdpersoon uit Corine Koole’s Wat blijft is liefde, beantwoorden. Koole goot het sterfverhaal van een dierbare vriendin, ruim tien jaar na haar dood, in een roman. Motor van het verhaal is de liefde, of beter, de atypische rol die de liefde toebedeeld krijgt. Louise besluit afscheid te nemen van haar geliefde en haar laatste maanden met een paar vrienden, één van hen was Koole, door te brengen in Rome. Waar Koole bij was, komt zo ongeveer overeen met wat er gebeurd is. De rest verzon ze. Zoals de scène waarin Louise en haar lief het nieuws net hebben gehoord. Op een bank in het park proberen ze de logica te ontdekken. Tevergeefs. Mooi is hoe zij dan voorstelt om Portugees te gaan eten en hij uitroept: ‘Doe jij je nieuwe Salvatores dan aan?’ Dan: ‘Hoera voor het gedachteloze doen. (…) Hoera voor haar meisjesschouders.’
De kracht van deze roman zit ’m in die gelaagde dialogen – soms net iets té theatraal – en simpele beelden die woorden als ‘meisjesschouders’ oproepen. Maar Koole begeeft zich op glibberig terrein: met de ingrediënten van dit verhaal loert constant het gevaar van sentimentaliteit. Soms dreigt het bijna mis te gaan: de geliefde zet waxinelichtjes op de badrand, schenkt wijn in. Maar wanneer hij haar op de badmat legt en uitkleedt, schiet door hem heen wat een cliché dit is. Deze ontnuchterende gedachte geeft de scène de bedoelde pijnlijkheid: hoe hij haar wanhopig ‘opnieuw in kaart probeert te brengen’ en elk stukje van haar lichaam nog beter in zich opslaat – sproeten, buik, de vorm van haar mond.
De laatste maanden zijn minder interessant: Louise takelt af, de vrienden wachten en zorgen. In de brieven die Louise schrijft aan haar geliefde klinken de wijze woorden van een stervende die tot de louterende conclusie komt dat haar streven naar perfectie haar grootste vergissing is geweest. Ook hiermee balanceert Koole op het randje, en toch komt het aan. Omdat ze een hard maar waarachtig beeld van de liefde schetst. Ze vergelijkt sterven met overspel – een ranzige en diep vernederende vorm. Het goede is dat het, net als elke andere vorm van overspel, de ‘wurgende symbiose’ die liefde óók is, opheft.
Cynisch misschien. En ook niet. Want na het grote opgeven blijft er nog maar één ding over. En dat is liefde.