‘sterven kan een idioot’

DE MOOISTE necrologie van Heiner Müller stond in januari 1996 in het weekblad Der Spiegel. Hij was van Wolf Biermann (1939, zanger, dichter, publicist, in 1976 uit de DDR verdreven). Hij beschrijft een samenkomst op het Dorotheenstädtischen Friedhof, het kerkhof van de ‘rode familie’ in het voormalige Oost-Berlijn, waar onder meer de schrijvers Bertolt Brecht en Heinrich Mann, de componist Hanns Eisler en de filosoof Hegel begraven liggen. Het is begin jaren negentig, de Berlijnse Muur is net gevallen. Müller en Biermann staan bij de open groeve van Hans Bunge, directeur van het Brechtarchief dat pal naast dit kerkhof ligt.

Ze zijn door de weduwe Bunge uitgenodigd om aan de groeve kort te spreken. In de herinnering van Biermann was Müller op deze naargeestige januariochtend al licht beschonken en ging zijn toespraak ongeveer aldus: ‘We staan aan de groeve van Hans Bunge. Met oude vrienden en trouwe vijanden. Die combinatie is een teken van de tijd. De dagen van de hyena’s zijn geteld. Het uur van de wolf is aangebroken. De dood is eenvoudig. Iedere idioot kan sterven.’ Op de wandeling weg van de groeve vraagt Müller of Biermann niet wat ideëen en materiaal voor hem heeft. Hij heeft last van een writer’s block. Biermann suggereert hem dat hij over Stalin moet schrijven. De dialoog die daarop volgt gaat ongeveer aldus:(Müller: 'Ik probeer het. Het is trouwens al een oud plan. Maar ik krijg Stalin niet aan de praat. Hij blijft een stom personage.’(Biermann: 'Laat hem met Hitler praten.’(Müller: 'Niet met Hitler. Nog niet. Je hoeft hier overigens niet te fluisteren. De Stasi doet op dit moment aan zelfonderzoek. Die horen überhaupt niks meer. Ze hebben nog wat dinerbonnen van me gevonden. Van een etentje waar een nogal taaie hazerug werd opgediend. Waarschijnlijk door Erich Honecker persoonlijk afgeschoten.’(Biermann: 'Je grappen gaan zienderogen achteruit.’(Müller: 'Die hebben nooit veel voorgesteld.’(Biermann: 'Ik belde laatst met Christa Wolf. Die heeft een keer tegen iemand van het centraal comité van de SED gezegd: Als jullie Heiner Müller wegpesten, dan weet ik niet meer waar schrijven in de DDR nog toe dient. Weet je wat die man toen antwoordde?’(Müller: 'Ik weet het, maar zeg jíj het me nog maar een keer.’(Biermann: 'Hij antwoordde: Heiner Müller stoort ons niet. Wat die man schrijft begrijpt toch niemand.’(Over een paar jaar is deze hele scène - want dat is het, en reken maar dat er een hoop verzonnen tekst in zit - onbegrijpelijk geworden. Wie Hitler en Stalin waren zal nog wel een tijdlang in het collectieve geheugen blijven hangen. Maar het begrip Stasi (de geheime dienst van de DDR)? De persoon Erich Honecker (laatste DDR-topman)? Christa Wolf (vooraanstaand schrijfster in de DDR)? De SED (de 'eenheidspartij’ van de DDR)?
De ironie wil dat Heiner Müller (1929-1995) begraven ligt naast de groeve waar deze scène zich afspeelt, naast de eerder genoemde Hans Bunge dus. Zijn graf is een lief en kaal grasveldje. Met een stalen zuil waarop alleen zijn naam staat. Er zou een dichtregel van Bertolt Brecht op kunnen worden gegraveerd: 'aan de haaien ontsnapte ik/ de tijgers doodde ik/ opgevreten werd ik/ door de wandluis.’
Dat laatste woord bevat trouwens een typische Heiner Müller-ironie: 'Wanze’ betekent zowel 'wandluis’ als 'verborgen microfoon’. En de provincialistische idioten die in het begin van de jaren negentig uit de opgedoekte DDR omhoog vielen, hebben Heiner Müller in zijn laatste jaren diep gekrenkt. Door met de mentaliteit van een wandluis en via verzonnen verhalen die boven water kwamen via verzonnen verborgen microfoons over verzonnen etentjes met Stasi-officials, Heiner Müller in een hem onwaardig daglicht te plaatsen. Misschien kon Müller door alle last die hij had van die 'neudeutsche Provinzialität’ in zijn laatste jaren niet meer schrijven en was hij als een krankzinnige op zoek naar stof, materiaal, ideeën. Toen hij dat uiteindelijk allemaal gevonden had (en als een bezetene weer ging schrijven) werd hij ongeneeslijk ziek. En toen hij eenmaal gestorven was, verklaarde een groot aantal domme necrofielen hem dubbel dood. Müller zou daar trouwens hartelijk om gelachen hebben. De vermenigvuldigbaarheid van de dood was een van zijn meest omarmde thema’s, de dood zelf zijn trouwste compaan. In een van zijn laatste teksten, In de spiegel, geschreven na de constatering van en de operatie aan zijn slokdarmkanker, schreef hij: 'In de spiegel mijn stukgesneden lichaam./ Doormidden gedeeld voor de operatie,/ die mijn leven heeft gered. Waarvoor?/ Voor een vrouw, een kind, een laat werk?/ Leren leven met de halve machine./ Ademen, eten. Verboden de vraag: waarvoor?/ De dood is het eenvoudigst./ Sterven kan een idioot.’
IN EEN INTERVIEW met de Duitse literatuurhistoricus Hans Mayer (afgedrukt in het Brechtnummer van het Duitse tijdschrift Theater der Zeit), vergelijkt Mayer (1907) de dood van Müller met die van Brecht: ze waren allebei óp en ze werden allebei ziek van de 'wandluizen’ waardoor ze waren omringd. Natuurlijk hadden ze zich allebei ook klemgezopen en sufgerookt. Maar wat vooral telde, zo betoogt Mayer, was dat Brecht en Müller mentaal waren gebroken door het regime waaronder ze (overigens vrijwillig) hadden verkozen te werken. Brecht was stukgetreiterd door de DDR-bureaucraten, Müller was diep geraakt door de manier waarop de voormalige DDR op een onnavolgbare wijze in de uitverkoop was gedaan. Beiden beseften dat ze dichtten en schreven aan wat Brecht 'das Abgesang des Jahrhunderts’ noemde, het einde van de strofe die deze eeuw was. Ze leefden beiden in een maatschappij waarin tevergeefs werd geprobeerd een mengvorm van een oude en een nieuwe samenleving te maken.
Mayer refereert in bovengenoemd interview aan een gesprek dat hij ooit met Brecht voerde en waarin deze hem - lichtelijk nijdig - toebitste: 'Ja luister eens, waarom hebben wij het zwaarder? Omdat we dialectici zijn.’ ('Wir haben es schwerer, wir sind Dialektiker.’) In een redevoering over Heiner Müller (afgedrukt in zijn zojuist uitgegeven bundel Zeitgenossen (uitgeverij Suhrkamp)) probeert Hans Mayer die positie van de 'Dialektiker’ uit te leggen aan de hand van een citaat van de Franse negentiende-eeuwse aristocraat en dichter Alfred de Musset. Hij geeft een diagnose van die vorige eeuw. En het citaat is mooi omdat het simpel is: 'Alles wat er ooit was, is er niet meer. Alles wat er ooit komt, is er nog niet. Ziehier de kwaal waaraan wij lijden.’
Zeker, dat is romantisch geformuleerd. Mayer en Brecht waren ook niet wars van enige romantiek. Heiner Müller was daarentegen nuchter over het niemandsland tussen 'wat was’ en 'wat ooit komen zal’. De bundel die Marcel Otten uit Müllers werk samenstelde, opent met een van Müllers eerste gedichten, dat hij schreef toen hij 22 jaar oud was, in 1951, tijdens de eerste jaren van de DDR. Het gedicht heet 'Verslag van het begin’. Dit verslag opent met de strijd om de cent: 'Levend van de cent hebben ze gevochten/ net zo voor hun leven als voor de cent. Zo/ leerde het de wereld hen, waarin voor hen/ slechts plek was diep beneden.’ Het banale gevecht om de cent werd overdekt door een berg puin - oorlogen, foute regimes. En dan vervolgt Heiner Müller:
'Toen waren de geduldigen ongeduldig Toen waren na doorwaakte nachten vroeg moe de onvermoeibaren… Zij die lang vochten zagen de zege niet door zweet dat brandde zoals de tranen eerst. De overlevenden uit grote oorlogen om de plek aan tafel, vrede, schoeisel de zege in handen maar nog niet op zak vonden, wat er te doen viel, moeilijk. Wel sprak er een stem vooraan die tot hen zei: jullie geduldigen, heb geduld! Jullie onvermoeibaren, wees onvermoeibaar! Vecht verder, zegevierenden… Wel gingen ze de weg die de stem hen duidde, want er was geen betere, maar ze wisten niet dat het was hun eigen stem die sprak.’
HEINER MüLLER schrijft, aldus Luk van den Dries in zijn inleiding bij de bundel Last voyage, 'als een koe: het verteringsproces moet een lange weg afleggen’. Die opmerking doet me denken aan een observatie van de theatercriticus Jac Heijer, opgeschreven één jaar voor de val van de Berlijnse Muur, naar aanleiding van een symposium over Müllers werk in Berlijn (1988). Heijer schrijft: 'Het is of Müller de letterkunde opeet en verteert. Het theater kan de snelheid van Müllers verbeeldingskracht ook nauwelijks bijhouden. De talloze verwijzingen naar de Griekse en christelijke mythen, naar de Duitse geschiedenis, naar zijn eigen autobiografie, naar krantenberichten, naar pornografie, naar Shakespeare, Kafka, Artaud, Beckett, Benjamin, ze zitten allemaal tegelijkertijd in Müllers hoofd en komen er als in een stroom van samengebalde zinnen en paragrafen uit, soms in hoofdletters zonder leestekens, en zonder geleerde ijdelheid.’
In het lijstje schrijvers die voor Müller inspiratiebron waren hoort ook Bertolt Brecht. Van den Dries noemt Brechts invloed op het werk van Müller 'een soort filter, een zuiveringsinstallatie die al wat overbodig was tegenhield - na Brecht is het in het drama onmogelijk geworden om naïef mee te lijden of blind weg te dromen.’ Heiner Müller is over de Himalaya die Brecht aanvankelijk voor hem was, heen geklommen, met in zijn ransel een extreme humor, humor die pijn doet, die hij zelf in een vraaggesprek ooit vergeleek met SS'ers die in een concentratiekamp diep ontroerd luisterden naar Beethoven gespeeld door joodse musici. De bundel Last voyage bevat talloze voorbeelden van Müllers inktzwarte geestigheden. De scène 'De heilige familie’ uit Germania Dood in Berlijn bijvoorbeeld, zich afspelend in de Führerbunker in 1945, tussen Hitler en Goebbels.(Hitler: 'Ik heb bevolen dat mijn mannen geschoren worden voor ik ze opeet.’(Goebbels: 'Het volk houdt van u als vegetariër. We hebben moeilijkheden met het personeel, de kapper kan het Ariërbewijs niet leveren. De vorige is overgeplaatst, hij scheert nu Stalin. De wegen der Voorzienigheid zijn wonderbaarlijk.’
Müllers humor lijkt op die van de marxist Brecht, maar dan wel de marxist die ook De Sade, Artaud en Beckett gelezen heeft.
LAST VOYAGE is een monument voor Heiner Müller, met een informatieve inleiding en een persoonlijk nawoord van de vertaler. Het boek laat zich lezen zoals het motto van Müllers erin opgenomen bewerking van Shakespeare’s Titus Andronicus: 'Voor de mensheid/ De aderen opengeslagen als een boek/ In de bloedstroom bladeren.’
Al bladerend door de bloedstroom van Heiner Müller word je de lange weg gewaar van de dichter die recht kijkend in de ogen van de dood, en in het besef dat hij zijn net geboren kind bij lange na niet zou overleven, in 1993 tijdens de voorbereidingen van een nu al legendarische operaregie, opschreef: 'Tristan 1993 Gisteren had mijn kind een vreemde blik Een gruwelbericht een reclamespot lang In de ogen van mijn kind dat te veel gezien had Las ik de vraag of de wereld Nog opweegt tegen de moeite van het leven Een ogenblik een gruwelbericht Een reclamespot lang stond ik in twijfel Of ik hem een lang leven toe zou wensen Of uit liefde een vroege dood.’
Marcel Otten heeft een belangwekkende bundel afgeleverd. Het is te hopen dat iemand op het idee komt om Heiner Müllers interviews (verzameld in de bundels Gesammelte Irrtümmer) en zijn gedichten (die nu bij Suhrkamp verschijnen - deel(I is net uit) door hem te laten vertalen. Dat zou pas een echt goed Abgesang des Jahrhunderts zijn.