Op zoek naar de verprutste tijd

Sterven voor je 37ste (level)

De 21ste-eeuwse mens ervaart een chronisch gebrek aan tijd. Maar ondertussen verspillen we wel het ene na het andere uur met zappen, games en online winkelen. Waarom?

Medium schermafbeelding 2013 08 18 om 09.32.41

Elke ochtend, voordat ik naar mijn werk ga, melk ik de koeien. Ik raap de eieren in het kippenhok, scheer de schapen en slacht, mijn vegetarisme ten spijt, een varken. ’s Avonds, als de kinderen in bed liggen, herhaalt die routine zich. Ik oogst de gewassen op mijn land: graan, maïs, soja, wortels. Ik bak quiches en leeg en passant de popcornmachine. Een enkele keer gooi ik een staaf dynamiet in de nabijgelegen mijn. Het gevonden zilver, goud of platina smelt ik om in een van mijn ovens.

Met al die noeste landarbeid sta ik in een lange familietraditie. Aan edelmetalen deden de voorouders niet, maar ook mijn oma’s dag begon steevast op de melkkruk. Er is één verschil. De koeienstal van mijn oma was echt. Net als de rest van de boerderij. Ook niet onbelangrijk: zij verdienden er hun boterham mee.

Mijn boerderij bevond zich de afgelopen twee maanden op mijn iPhone. Het is een populaire app, genaamd Hay Day. Het had overigens net zo goed Wordfeud of Quiz Battle kunnen zijn, spelletjes waar mensen om me heen aan verslingerd zijn. Want dat is het: Hay Day is gekmakend verslavend. Niet omdat het zo spannend is – dat is het niet. Ook niet omdat het zo moeilijk en uitdagend is – dat is het evenmin. Het geheim zit hem, net als bij zoveel andere games en nutteloos tijdverdrijf, in de geraffineerde manier waarop je aandacht wordt vastgehouden.

Ten eerste verloopt het spel in real time. Een uur op de echte wereld is een uur op de boerderij. Het betekent dat die altijd doordraait. Ook als ik de telefoon opzij leg om iets anders te gaan doen, werken bijvoorbeeld. Dat leidt tot onrust. Al schrijvend dwalen de gedachten af: zou die blauwe schaapswollen trui die ik aan het weven ben al klaar zijn? Zo past je dagschema zich aan je tijdverdrijf aan, in plaats van omgekeerd.

Een tweede factor is de voortdurende stroom kleine prikkels waarmee je bij de les wordt gehouden. De telefoon trilt: koeien kunnen gemolken worden! Net wanneer je daarmee klaar bent, blijken de pompoenen over twee luttele minuten rijp te zijn. Nog even wachten dan. Het resultaat is dat je er altijd meer tijd aan besteedt dan je eigenlijk zou willen. Niet dat ik uren, laat staan dagen achtereen naar het schermpje van mijn telefoon zit te staren. Hay Day is eerder een minutenvreter. Al die kleine momenten bij elkaar opgeteld vormen alsnog een forse brok verprutste tijd. In elk geval méér tijd dan ik ‘s ochtends denk te besparen door als een gek naar de trein te rennen.

Ten derde wordt er handig gebruik gemaakt van sociale druk. ‘Vrienden’ (in Facebook-­termen dan) kunnen je spullen cadeau doen, een verdorde fruitboom nieuw leven inblazen of je boerderij ‘liken’. Dat schept natuurlijk verwachtingen. Niet handig, als je net hebt besloten voor eens en altijd een punt te zetten achter je verslaving.

Ik kan kortom wel met mijn boerderij stoppen – maar stopt de boerderij ooit nog met mij?

‘Een deel van de tijd wordt ons afgenomen, een deel wordt ontvreemd en een deel stroomt weg’, schrijft Seneca in de eerste van zijn brieven aan Lucilius. Die gestolen tijd heeft alles te maken met politiek en economie. Door de hele geschiedenis heen hebben heersers geprobeerd de uren en minuten van hun onderdanen productief te maken, want tijd is geld. Het is misschien wel de meest onderschatte vorm van macht: chronopolitiek.

Die bemoeienis met andermans uren en minuten heeft altijd weerstand opgeroepen. Toen in het oude Rome de zonnewijzers hun intrede deden, klonken er alom bezwaren tegen de tirannie van de tijdsmeting. In de Middeleeuwen gingen sommige stedelingen een stap verder. Zij vernielden de klokken die op torens en kerken begonnen te verschijnen en die hun werkritme bepaalden.

Het zou slechts het voorspel blijken van de dictatuur van de tijd die op de industriële ­revolutie volgde. Wat te denken van hoedenmaakster Mary Anne Walkley, twintig jaar oud, die volgens de kranten in de zomer van 1863 stierf aan overwerk? In haar naaiatelier werden in drukke tijden diensten gedraaid van dertig uur aan één stuk. Dat werd mede mogelijk gemaakt door een gestage toestroom van koffie, port en sherry.

In onze tijd zijn het de apostelen van de vrije markt die voor een revolutie in de tijd hebben gezorgd. De moderne mens praat en loopt niet alleen sneller, hij produceert én consumeert ook in hoger tempo. Boven alles is het karakter van de tijd zelf veranderd: zij is als het ware ­samengeperst. Daardoor kan zij intensiever benut worden: we multitasken, nemen minder pauzes, zijn flexibel inzetbaar en door het ‘nieuwe werken’ bovendien steeds vaker ook buiten werktijd (onbetaald) productief bezig. Zo laat zich een politiek-economische geschiedenis van de tijd schrijven. Maar die analyse gaat gebukt onder (ten minste) één grote zwakte. Zij laat het tijdsverlies dat volgens Seneca het ‘meest gênant’ was buiten schot. Het betrof, aldus de Romeinse denker, de ‘verspilling die haar oorzaak vindt in slordigheid. Als je er eens op gaat letten, zul je zien dat een groot stuk van het leven ons ontglipt, terwijl wij het verkeerde doen, het grootste terwijl wij niets doen en het hele leven terwijl wij dingen doen die ons vreemd zijn.’

Voor de voorstanders van een meer ontspannen samenleving is het een ongemakkelijke kwestie, waar liever niet te lang bij wordt stilgestaan. Ja, natuurlijk moeten mensen zeggenschap heroveren over hun eigen leven. Baas over eigen klok! Neem de tijd! Maar dan? Voor het gemak wordt vaak aangenomen dat die extra uren ook extra nuttig besteed zullen worden. Zo schrijft de Britse denktank New Economics Foundation, in een rapport waarin een 21-urige werkweek bepleit wordt, dat ‘als we minder tijd bezig zijn met werken om onze consumptiebehoeften (…) te bevredigen, het veel makkelijker zal zijn om de dingen te doen die we belangrijk vinden maar waarvoor we onvoldoende tijd hebben: voor kinderen en andere familieleden en vrienden zorgen; tijd doorbrengen met elkaar; vrijwilligerswerk; maatschappelijk actief worden; lezen; of die vaardigheid of taal leren waarvan we altijd al zeiden dat we dat zouden doen.’

Dat klinkt fantastisch, maar ook verschrikkelijk vroom. Voor digitale schapen scheren is in dit paradijs waarschijnlijk geen plaats. En dat terwijl aanzienlijke delen van mijn vrije tijd niet neerkomen op het edele (vrij naar Kant) ‘doel­gericht bezig zijn zonder doel’. Integendeel: ik heb de afgelopen twee maanden opgeteld de nodige uren verspild met ‘doelloos bezig zijn zonder doel’.

Het is nogal een taboe in een prestatiemaatschappij, maar als ik me niet vergis zijn er veel meer mensen die hier last van hebben. Zo geven respondenten in tijdsbestedingsonderzoeken aan dat ze hun vrije uren voor een flink deel vullen met activiteiten waar ze zelf geen hoge pet van op hebben. Hét klassieke voorbeeld is televisie. In een Amerikaanse studie van halverwege de jaren negentig beoordeelden veel burgers het kijken hiernaar zelfs met een lager cijfer dan boodschappen doen en schoonmaken. Toch besteedden ze er veel meer tijd aan dan hoger gewaardeerde bezigheden als sport, muziek en seks.

Let wel: het probleem is wat mij betreft niet dat mensen urenlang tv kijken. Zolang ze dat doen vanuit een bewuste keuze, gewoon, omdat ze er zin in hebben: prima. Maar zo gaat het vaak niet. We willen het eigenlijk niet, en toch doen we het. Dát is verspilde tijd.

Ook Nederlanders zitten, van de dagelijkse vier uur die ze ter ontspanning hebben (dat lijkt veel, maar is inclusief de weekenden), bijna de helft van de tijd voor de televisie. Dat blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Op basis van de kijk­cijfers mag je aannemen dat het leeuwendeel van deze tijd niet gaat naar het Journaal of Zomergasten. En net als in de Verenigde Staten delven alle andere activiteiten het onderspit, ook al staan ze veel hoger in aanzien. Of het nou lezen is (gemiddeld 36 minuten in Nederland), hobby’s en spelletjes (20 minuten) of sport en beweging (24 minuten). Heel belangrijk hoor, maar als puntje bij paaltje komt doen we iets anders. Iets minder verheffends.

We verprutsen, kortom, massaal onze tijd. Dat zal in de nabije toekomst niet veranderen. Een nieuwe generatie tijdverprutsers staat klaar om onze vrije uren te vermalen. De televisie als bron van (inhoudsloos) vermaak ondervindt steeds meer concurrentie van computergames en sociale media. Tot voor kort was mtv met zijn eindeloze stroom aan (reality-)series en datingshows het prototype. Geen programma is zo enerverend dat je het de week erop nog zal herinneren. Maar met op het juiste moment een harde uitspraak hier en een stukje bloot daar, is het leuk genoeg om je eindeloos aan de buis te kluisteren. Nog altijd vloeit er een eindeloze stroom aan uren naar reality shows en tv-series, die nu vaak met hele seizoenen tegelijkertijd verstouwd worden. Maar de nieuwe media (hoe lang kun je iets eigenlijk nieuw blijven noemen?) zijn onmiskenbaar in opkomst. Daarbij begint de smartphone de rol van zapinstrument in te nemen van de afstandsbediening. Die heb je altijd bij je, en je kunt daarmee een extra grote claim op onze tijd leggen. Van de collega die tijdelijk voor de hongerige zombie van haar zoon moest zorgen (fooooood, jammerde haar telefoon) tot de vrienden en kennissen die grote delen van hun leven besteden aan online winkelen, whatsappen, obsessief nieuwssites bijhouden of het kijken naar huizen-die-ze-toch-nooit-zullen-kopen op Funda.nl. Of internetporno natuurlijk, maar dat geven weinigen graag toe.

Wat deze activiteiten met elkaar gemeen hebben? Stuk voor stuk is het weinig spannend vermaak zonder kop, staart of hoogtepunt (behalve misschien die internetporno) dat zich niettemin opdringt door een voortdurende stroom prikkels. Zou er iets belangrijks gebeurd zijn? Staat er een nieuw (onbetaalbaar) huis te koop in dat leuke buurtje? Is er een nieuwe niet-te-missen aanbieding online?

De vraag is hoe onvermijdelijk tijdverspilling is. En, om tot een antwoord daarop te komen, wat die verprutste tijd nou precies karakteriseert. Maar laat ik, voordat ik daar verder op in ga, eerst duidelijk maken wat het níet is.

Het gaat dus niet om luiheid. Lummelen, mits zelfverkozen, is heerlijk. Niet alleen omdat het af en toe nodig is de ‘batterij op te laden’, zoals de rustindustrie ons met regelmaat voorhoudt. Luiwammesen is ook de basis voor veel creativiteit, zelfkennis en talloze goede ideeën. Last but not least: het is gewoon lekker. Anders dan de verspilde tijd denk ik nog jaren later met genoegen terug aan de verslapen ochtenden in mijn studentenflat of de middagdutjes op verre stranden.

De verprutste tijd waar ik op doel, heeft evenmin iets met verveling te maken. Bij dat in zoveel klassieke romans verwoorde gevoel gaat het om iets anders. ‘Oblomov wilde uit zijn stoel opstaan, maar zijn voet vond niet onmiddellijk zijn slof en hij ging weer zitten’, schreef Gontsjarov. ‘Wat zalig als je arbeider kon zijn’, roept Tsjechovs Irina uit. ‘Of liever God nee, niet eens een mens, desnoods gewoon maar een trekos, of een paard, als je maar werken kunt…’ Wanneer een ander literair figuur van hem, Platonov, van een vrouw te horen krijgt dat zij bereid is alles op te offeren om met hem een nieuw leven te beginnen, merkt hij droogjes op: ‘Ik heb geen nieuw leven nodig – ik weet niet eens wat ik met het oude moet!’

Die stemming is enkele jaren geleden raak geanalyseerd door de Rotterdamse filosoof Awee Prins. De inspiratie voor zijn proefschrift hierover, Uit verveling, kwam uit zijn eigen verveelde leven, zo vertelde hij in een interview dat ik met hem had. ‘Ik merk dat ik me spoed van vergadering naar vergadering, van vermaakje naar vermaakje. En op zondag voor de tv. Eerst Buitenhof, dan uit beleefdheid zo’n film uit Iran waarin iemand met een emmer water drie uur lang over een zandvlakte loopt. Aan het eind van de avond merk ik dat ik weer die hele dag heb zitten wegzappen.’

Dat klinkt als verprutste tijd. Het verschil is dat het bij Awee Prins, net als in de talrijke door hem aangehaalde romans, begint met verveling. Pas daarop volgt het vluchtgedrag, zoals zappen. De verveling is dus een leegte. Hoe naar ook, dat biedt mogelijkheden voor plotselinge invallen, voor onvermoede creativiteit. Dát ga ik doen! Niet voor niets suggereert Prins dat we de verveling moeten ‘doorleven’. Alleen dan kunnen we er, aan de andere kant van de woestijn, beter uitkomen.

De verprutste tijd waar ik het over heb is niet leeg maar propvol. Voor creatieve invallen laat de aanhoudende stroom prikkels geen ruimte. De reden dat we telkens weer terugkeren naar het virtuele scrabblebord of boerenbedrijf, is ook niet dat we niets beters te doen hebben. Anders dan bij de Russische literatoren is er werk zat. De tijdverspilling dringt zich simpelweg prominenter op, en laat ons vervolgens niet meer los. De volgende passage van Prins komt daar nog het dichtst bij in de buurt: ‘Wanneer wij verveeld zijn met iets, houdt het vervelende ons op een eigenaardige wijze vast; het vervelende is ons niet geheel onverschillig. Het is het “Hinhaltende und doch Leerlassende”: het vervelende laat ons koud, het vervult ons niet, maar houdt ons in zekere zin ook “aan het lijntje”.’

De verprutste tijd dus. Laat ik beginnen bij de meest gangbare verklaring. Die is al in de jaren dertig treffend verwoord door Bertrand Russell. De oorzaak van het probleem, zo schreef hij in zijn essay In Praise of Idleness, was te veel en te hard werken: ‘De genietingen van stadsbewoners zijn vooral passief geworden: naar de bioscoop, voetbalwedstrijden bekijken, radio luisteren, enzovoort. Dit vloeit voort uit het feit dat hun actieve energie volledig wordt opgeslokt door werk; als ze meer vrije tijd hadden, zouden ze weer genieten van activiteiten waaraan ze actief deelnemen.’ Het fenomeen tijdverspilling zou vanzelf verdwijnen als de werkdag minder lang wordt. Russell pleitte voor een uur of vier. Die arbeidstijdverkorting moest gepaard gaan met volksverheffing, om de ‘smaken aan te dienen die een mens in staat stellen om zijn vrije tijd intelligent te gebruiken’.

Onze passieve vrije tijd is, volgens deze opvatting, het spiegelbeeld van een hyperactieve werkdag. Een kleine eeuw technologische vooruitgang heeft daar veel minder aan veranderd dan denkers als Russell hoopten. Zo schijnen werknemers in callcenters tot wel 39 handelingen tegelijk te verrichten. Aan het einde van zo’n dag ploft de werkende mens neer op de bank, doodmoe. Natuurlijk, dan hoor je te gaan sporten of een goed boek te lezen. Dat geeft immers voldoening. Maar sociologen hebben erop gewezen dat de voorkeur op dat moment uitgaat naar activiteiten met twee cruciale kenmerken: ‘lage drempelwaarde’ en ‘instant gratification’.

Denk nog één keer aan televisie kijken. Dat vergt geen voorbereiding en kost nauwelijks energie – amper meer dan slapen, naar het schijnt. Een extreem lage drempelwaarde dus. Met een druk op de afstandsbediening kun je je urenlang laten entertainen: wat je noemt instant gratification. De ergernis komt later. Wéér een in potentie prachtige avond weggezapt. Vergelijk dat met sport. Dat vereist eerst inspanning. Pas daarna volgt de ontspanning. Het verklaart waarom we ons er vaak niet toe kunnen zetten, hoezeer we ook weten dat het voldane gevoel na afloop alles goed maakt. Vanuit datzelfde principe valt te begrijpen waarom de arthousefilm het aflegt tegen The Hangover, de opera verliest van de musical of – geef toe, lieve lezer! – De Groene Amsterdammer ongelezen op de stapel blijft liggen ten gunste van het Volkskrant Magazine. De haasteconomie zorgt, kortom, voor een polarisering van de dag. Een intensievere arbeidsdag gaat hand in hand met een steeds passievere vrijetijdsbesteding. Is het niet opvallend dat mensen uitgerekend tijdens hun vakantie veel minder televisie kijken dan in de rest van het jaar?

Toch gaat die regel paradoxaal genoeg niet altijd op – en daarmee zijn we bij het tweede kenmerk van de verprutste tijd aangekomen. Behalve passief is zij ook overvloedig. Zodra we het idee hebben over zeeën van tijd te beschikken, ligt spilzucht op de loer. Dat vakanties hier een uitzondering op zijn, komt doordat zij duidelijk afgebakend zijn. Als dat niet het geval is, dreigt tijdsinflatie. We denken zoveel tijd tot onze beschikking te hebben dat we er achteloos mee omgaan. Slordig zelfs.

De overvloedige tijd is op onnavolgbare wijze beschreven door Thomas Mann in De Toverberg. Aanvankelijk komt hoofdpersoon Hans Castorp slechts op bezoek bij zijn in de bergen kurende neef, een luitenant. Later in het verhaal vat hij een verkoudheid op, reden om het vertrek eindeloos uit te stellen. Maar voor het zover is, informeert de zieke, praatgrage intellectueel Settembrini hoe lang hij voornemens is te blijven.

‘“Drie weken”, zei Hans Castorp met enigszins ijdele luchthartigheid, omdat hij merkte dat hij benijd werd. “O dio, drie weken! Hebt u dat gehoord, luitenant. Heeft het niet bijna iets impertinents te zeggen: ik kom voor drie weken hierheen en dan vertrek ik weer? Mag ik u erop wijzen, mijn waarde, dat wij de week als tijdmaat niet kennen? Onze kleinste tijdseenheid is de maand. Wij rekenen in grote stijl – dat is een voorrecht van de schimmen.’

Het ‘rekenen in grote stijl’ is niet exclusief voorbehouden aan de zieke schimmen. Zij die zich wagen aan een scriptie of een proefschrift kunnen erover meepraten. Aan het begin van de onderneming lijkt er alle tijd van de wereld te zijn. Dat werkt vluchtgedrag in de hand. Na maanden (of jaren) koffie drinken, leuke maar niet al te relevante boeken lezen en eindeloos surfen op internet blijkt de tijd ineens te tikken. Pas dan, als de uren schaarser worden, bouwt zich voldoende druk op om werkelijk aan de slag te gaan.

Zelf ervoer ik de afgelopen maanden iets soortgelijks. In afwachting van onze baby (de derde, dank u) vergooide ik zoals gezegd uur na uur met het digitale boerenbestaan. Voorafgaande aan de vorige twee geboortes verdeed ik mijn tijd met series als 24. Dat is vreemd. Je zou denken dat ik me in plaats daarvan stortte op al die dingen die ik straks, met (nog) een kleine erbij, een hele tijd niet meer kon doen, van uitgaan tot boeken schrijven. In plaats daarvan sleet ik mijn laatste ‘vrije’ weken achter de computer, de televisie of de smartphone. Ik leefde in de tussentijd. Toen het vervolgens zo ver was, kostte het geen enkele moeite met al die onzin te stoppen. Inmiddels lijkt mijn verslaving – ik zeg het voorzichtig, je weet tenslotte nooit – weggeëbd. De verklaring ligt voor de hand. De tijd is simpelweg te schaars, te waardevol geworden. En bovenal: anders dan op die vervloekte Toverberg is er weer een Doel.

Daarmee zijn we aanbeland bij wat volgens mij de derde en laatste karakteristiek is van de verprutste tijd: haar richtingloosheid. De meeste mensen hebben de behoefte om een lijn te zien in hun leven. Om te zeggen: daar kom ik vandaan, hier sta ik nu, en over tien jaar hoop ik daar te zijn. De verprutste tijd ontbeert die focus. Zij kent geen lange termijn. Zij leidt nergens naartoe. De verprutste tijd ontbeert een duidelijk begin, einde en hoogtepunten. Een goede serie of game kan je nog doen uitzien naar het slot. Maar de echt gevaarlijke tijdverdrijvers drijven op veel bescheidenere prikkels. Zoals gezegd: genoeg om je bij de les te houden, te weinig om het je de volgende dag te herinneren.

Walter Benjamin heeft eens het in dat kader treffende onderscheid gemaakt tussen ervaringen en belevenissen. In een tekst over Baudelaire beschrijft hij de opmars eind negentiende eeuw van de korte, prikkelende, staccato ‘belevenissen’. Die namen de plaats in van de meer diepgaande ‘ervaringen’ die je bijblijven en uiteindelijk zelfs onderdeel worden van wie je bent. In plaats van de grote, vormende reis komt bijvoorbeeld de vluchtige toerist, die overal foto’s van moet maken. Hij zou het immers eens vergeten.

De opmars van de belevenissen is na Benjamin flink gevorderd. Winkelcentra, dieren­tuinen, films, games – alles wordt verkocht als een ‘belevenis’. Maar wat blijft daarvan hangen? Is dat wat er straks in mijn overlijdensadvertentie moet komen te staan: hij haalde level 36 van Hay Day? Hebben die avondjes mtv of Marktplaats ook maar in één enkel opzicht bijgedragen aan ons karakter, geluk, aan wie we zijn – aan het leven dat we willen leiden?

Sinds jaar en dag is de menselijke neiging tot tijdverspilling een geliefd argument van de vijanden van ledigheid. Puriteinse dominees pleitten er al in de achttiende eeuw voor om het gewone volk meer te laten werken. Dan moesten ze vroeger opstaan, en dus ook eerder naar bed gaan. Nachtelijke uitspattingen werden zo voorkomen. Bovendien, zo beweerde een van hen: door ‘zo lang tussen de warme lakens te blijven liggen, wordt het vlees zogezegd geblancheerd, en wordt het zacht en slap’.

Nog in de vorige eeuw werd de menselijke neiging tot tijdverspilling in het geweer gebracht tegen de roep om een achturige werkdag. Hoe korter de arbeiders werkten, zo was het idee, hoe langer ze na afloop in de kroeg zouden zitten. Dat soort ‘sociale rechten’ leidden in de praktijk alleen maar tot meer drankmisbruik, schulden en seksueel geweld.

Het liep uiteraard anders. De reden ligt voor de hand. De door de vakbonden en linkse partijen gevoerde politiek-economische tijdstrijd ging samen met een culturele verandering. Al voor de daadwerkelijke invoering van de achturige werkdag had een keur aan clubs en initiatieven het voorwerk gedaan. Zangverenigingen, volkstheater, sportclubs en volwassenenonderwijs stimuleerden de mensen verantwoord om te gaan met hun vers verworven vrije tijd.

Het ligt voor de hand dat ook in de toekomst, mocht het nog eens zo ver komen, de politieke roep om zeggenschap over de eigen tijd hand in hand gaat met een culturele praktijk. Zo bezien is het pleidooi voor verheffing op dit vlak, zoals we dat al bij Russell tegenkwamen, minder naïef dan het klinkt. Onlangs betoogde Keynes-biograaf Robert Skidelsky iets soortgelijks. In het samen met zijn filosoof-zoon Edward geschreven Hoeveel is genoeg? schrijft hij over het onderwijs: ‘In de toekomst voorzien wij dat bij die opleiding wordt meegenomen dat werken voor loon een steeds geringer deel van iemands leven zal uitmaken. Een van de belangrijkste onderdelen van een opleiding dient dus te zijn om mensen voor te bereiden op een zinvol bestaan buiten het werk.’

Daar hoort ook een andere omgang met de tijd bij. We zagen dat onder invloed van de haasteconomie de verprutste tijd niet actief tegemoet wordt getreden, maar moe en passief wordt ondergaan. Daarnaast kenmerkt zij zich door zowel haar schijnbare overvloedigheid – zeeën van tijd – als een gebrek aan richting. De verprutste tijd is als een reusachtige golf waar we ons door laten overspoelen en meevoeren. Het tegendeel van dit alles – passief, overvloedig, zonder focus – is samen te vatten in twee woorden: toegewijde tijd. Toegewijde tijd, dat is tijd die bewust en vol aandacht aan iets besteed wordt. Waaraan, dat doet er minder toe. Vioolspelen en figuurzagen mag, maar je kunt ook toegewijd naar de televisie kijken. Het gaat erom dat het vanuit een weloverwogen keuze gebeurt. Niet uit achteloosheid.

Voordat de eeuwige tijdstrijd oplaait en een brede, politieke en culturele beweging helpt mijn tijdsbesteding te verheffen, concentreer ik me daar maar op. Hay Day is van de telefoon af, voor nu. Het kabelabonnement is al langer geleden opgezegd. Deze vakantie denk ik al luierend mijn nieuwe Doel verder uit. En daarna? Dan wordt het ongetwijfeld weer vallen en opstaan. Soms als vanouds tijd verprutsend, maar met een vermanende Seneca in het achterhoofd:

‘Kun je mij iemand noemen, die enige waarde aan de tijd hecht, die een dag op zijn waarde weet te schatten, die beseft dat hij elke dag dood gaat? Want onze vergissing bestaat hierin dat wij de dood als iets toekomstigs beschouwen: een groot deel ervan behoort al tot het verleden. Alles wat van ons leven achter ons ligt, is in de handen van de dood. Doe dus, mijn beste Lucilius, wat je volgens je brief al doet: grijp alle momenten met twee handen aan.’

Beeld: Jon Hick s / Corbis / HH


Van Koen Haegens verscheen vorig jaar Neem de tijd: Overleven in de to go-maatschappij (uitgeverij Ambo)