Fotograaf Zed Nelson ontleedt de westerse schoonheidscultuur

Sterven zonder rimpels

‘Hou van mij!’ roepen we, en we laten onze rimpels volspuiten, dat slappe vel liften en de schaamstreek waxen (au!). Maar op de lange duur kun je alleen maar verliezen als je in de ijzeren greep bent van het huidige schoonheidsideaal.

WIE DE ZIN ‘U heeft de tweede prijs in een schoonheidswedstrijd gewonnen’ uitsluitend met een spelletje Monopoly associeert, heeft de afgelopen jaren weinig media bekeken. Overspoeld met Topmodel-afvalraces en andere beelden van jonge mooie mensen in gemanipuleerde mode-, reclame- en tijdschriftfotografie hebben wij een ideaalbeeld voorgeschoteld gekregen van een perfect, jong en nastreefbaar uiterlijk. Gemeten naar het toenemend aantal cosmetische operaties is het steeds meer geaccepteerd dat ons uiterlijk maakbaar is.
Hoe sterker onze denkbeelden worden gestuurd richting acceptatie van een kunstmatig uiterlijk, hoe meer de cosmetische industrie floreert. De Britse fotograaf Zed Nelson (Groot-Brittannië, 1965) stelde zich zo’n zes jaar geleden de vraag wie er eigenlijk verantwoordelijk is voor deze cultuur. Na een vijf jaar lange zoektocht door zeventien landen in vele continenten heeft Nelson met zijn boek Love Me een imposant fotografisch document afgeleverd waarmee hij hier antwoord op wil geven.
Nelsons documentaire aanpak vormt een welkome pendant voor de fotografie van vakbroeders die zorgen voor de gephotoshopte perfectie in glossy’s en advertenties. Maar vooral ontvouwt zich in Love Me een sociaal mondiaal tijdsbeeld in negentig beelden dat blijft verbazen en tot nadenken stemt.
Nelson maakt ons deelgenoot van zijn observaties omtrent een curieuze vorm van globalisering: het westerse schoonheidsideaal als figuurlijk exportproduct. Niet alleen in het Westen wil men op Barbie lijken, maar ook in landen als Japan, Brazilië, China, Senegal en Iran. In laatstgenoemd land worden naar verluidt meer neuscorrecties uitgevoerd dan in enig ander land ter wereld.
Klinisch in beeld gebracht laat Nelson ons de afgesneden huid van oogleden zien; het chirurgisch afval na een cosmetische ingreep, die iemand uit Peking een meer westerse oogopslag moest geven. Eveneens in China fotografeerde Nelson het aanbrengen van een Ilizarov-systeem aan de benen van een anonieme persoon, die naar westers voorbeeld iets langer wil zijn. Deze operatie, ontwikkeld door een Russische professor om de benen van dwergen te verlengen en om verbrijzelde botten te herstellen, wordt in China aangewend als een vorm van plastische chirurgie. Om de benen langer te maken, worden de botten van het scheenbeen gebroken en wordt een stalen frame in de fragmenten geboord om ze uit elkaar te trekken. In de maanden na de ingreep kan nieuw bot aangroeien. De risico’s van ongelijke beenlengte, verzwakking of misvorming worden voor lief genomen.
In Afrika viel Nelsons oog op een reclamebillboard van een model dat vele tinten lichter is gemaakt dan de lokale bevolking. Uit de mond van een zeer donkere Senegalese jonge vrouw tekent Nelson op dat ze ‘natuurlijk’ meer aandacht kreeg van mannen toen ze haar huid nog insmeerde met blekende huidcrème, waarmee ze moest stoppen vanwege de bijwerkingen.

HET IDEE dat het West-Europese uiterlijk superieur zou zijn, gaat al terug naar de achttiende eeuw, toen wetenschappers zoals de Britse antropoloog Charles White (1728-1813) hiërarchische gradaties voor de mensheid vaststelden. Het negroïde ras beschouwde men als het laagste in rang; daarboven volgden het gele en het Slavische ras, en in de top het superieur geachte witte ras.
Vanaf circa 1880 hield amateur-wetenschapper en Charles Darwins neef Sir Francis Galton (1822-1911) zich bezig met eugenetica, een term die hij samenstelde uit het Griekse eu (goed) en genus (geboren). Galton geloofde dat het mogelijk was een talentvollere mens te creëren door selectief voort te planten. Galtons theorieën, waarin hij de reproductie van de sterksten promootte, werden ingegeven door zijn twijfelachtige ideologie, die uitdroeg dat de Anglo-Saxen intellectueel en moreel superieur waren aan kleurlingen.
Rond 1900 kreeg Galtons ideologie voet aan de grond in de Verenigde Staten, waar jaarmarkten de ideale plaats bleken om de eugenetische ideeën te verspreiden. In Amerikaanse plattelandsgebieden was de jaarmarkt het culturele hoogtepunt. Boeren konden er hun snelste paarden of grootste pompoenen laten zien en er prijzen mee winnen. Eugenetici sprongen hierop in en boden de gelegenheid deel te nemen aan zogenoemde Fitter Families en Better Babies Contests. Artsen beoordeelden de deelnemers op onder meer uiterlijke kenmerken. Winnaars waren zonder uitzondering van West- of Noord-Europese origine.
Het beoordelen, jureren en bekronen van westerse uiterlijke kenmerken zoals we dat kennen van schoonheidsverkiezingen gaat ten minste terug tot 1855, toen in New York de eerste National Baby Show werd georganiseerd, waar kinderen tot vijf jaar oud aan mee konden doen, mits ‘original American stock’. Kinderen die er te buitenlands of gekleurd uitzagen konden niet meedingen naar de prijzen.
In 1920, ironisch genoeg het jaar waarin Amerikaanse vrouwen stemrecht verwierven en erkend werden als legitieme staatsburgers, vond de eerste Miss America-schoonheidsverkiezing plaats. Nelson laat zien dat op alle continenten inmiddels schoonheidswedstrijden plaatsvinden, niet alleen voor jonge vrouwen, maar ook voor wat oudere Braziliaanse vrouwen in detentie en – nog steeds – voor kinderen. Tenslotte is 2009 het jaar waarin de inwoners van Amerika gemiddeld meer geld besteden aan schoonheid dan aan educatie.
Een andere indicator van de bovenmatige aandacht voor het uiterlijk in de Verenigde Staten is dat chirurgen van het Amerikaanse leger cosmetische operaties uitvoeren bij soldaten en hun naasten. Personeel in dienst van alle onderdelen komt in aanmerking voor bijvoorbeeld een kosteloze facelift, neuscorrectie, borstvergroting of liposuctie, uitgevoerd op kosten van de Amerikaanse belastingbetaler. Alleen in geval van een borstvergroting dient men zelf voor de implantaten te zorgen.

ELKE samenleving kent haar eigen conventies die voorschrijven hoe we ons dienen te gedragen en hoe we eruit moeten zien. Volgens filosoof Alain de Botton plaatsen we hier geen vraagtekens bij, omdat we wat populair is associëren met wat goed is. Zo bezien zal de acceptatie van een kunstmatig uiterlijk alleen maar toenemen en, hoewel het niets nieuws is, zal onze kinderen te wachten staan waar onze ouders van gruwden. Een voorproefje geeft Nelson met zijn portret van Ben en Chantalle, beiden dertien jaar oud. De foto is gemaakt in een Engelse nachtclub, op een avond voor kinderen onder de zestien. Geblondeerde Chantalle, met zelfverzekerde en bestudeerde schalkse blik, draagt een Playmate bunny-pakje van de feestwinkel, netkousen en zware make-up. Ben, meer kind dan volwassene, kijkt schuchter weg.
Nelson wisselt plastische foto’s van implantaten, haarstukjes en kunstneusbotjes af met foto’s van verwijderd ongewenst lichaamsvet en stukjes schaamlip. Ook zien we de mensen die de betreffende ingrepen ondergingen en lezen we hun motivatie. ‘Eerlijk gezegd had ik nooit gedacht dat ik het nodig had. Maar ik las erover in een tijdschrift’ (vrouw, 33, na een ‘designer vaginal rejuvenation’-operatie). Een 36-jarige Amerikaanse vrouw vertelt: ‘Ik heb [aan elke voet] drie tenen in laten korten – een stuk bot is verwijderd tussen de gewrichten en aan elkaar gemaakt met metalen staafjes.’ Het doel van deze ingreep is om beter in haar favoriete Jimmy Choo-schoenen te passen, met hoge hakken en puntige neuzen. Een 46-jarige Amerikaan die een buik- en kinliposuctie zal ondergaan zegt: ‘Ik moet concurreren met mannen die twintig jaar jonger zijn dan ik.’

EERDER dit jaar werden de resultaten gepubliceerd van een onderzoek onder Nederlandse jongeren van elf tot zeventien jaar. Deze leeftijdsgroep blijkt sterk te worden beïnvloed door de grote aandacht voor uiterlijk in de media en de bijbehorende celebrity culture. Door die aandacht kijken ze kritisch naar hun eigen uiterlijk en vormen er een even kritisch oordeel over. Hoe meer ideaalbeelden tieners in de media zien, hoe meer ze iets aan hun uiterlijk willen veranderen.
Daarmee komen we terug bij Zed Nelsons vraag: wie is hier verantwoordelijk voor? Hoewel we op zoek naar een zondebok gemakkelijk wijzen naar ‘de commercie’ en ‘de media’, die vrijwel iedereen wereldwijd kan bereiken middels internet en satelliettelevisie, kunnen we ons persoonlijke aandeel in de status-quo niet ontkennen. In Nelsons boek wordt terecht gerefereerd aan psychologe Nancy Etcoff, die in haar boek Survival of the Prettiest (2000) al aantoonde dat de mooiste mensen niet alleen gemakkelijker een minnaar vinden, maar ook betere baantjes krijgen en een lankmoediger behandeling in de rechtszaal. We zijn eerder geneigd mooie mensen te vertrouwen, te helpen en lief te hebben. Etcoff zegt dat we zo positief reageren op schoonheid omdat we nu eenmaal zo zijn geprogrammeerd. De wens om ons uiterlijk te veranderen, te verfraaien, lijkt inderdaad aangeboren. Heel jonge meisjes, met nauwelijks media-ervaring, willen al iets aan hun uiterlijk veranderen: donkerder haar, blonder haar, langer haar, prinsessenkrullen.
Niet alleen bezitten we een kennelijk voorgeprogrammeerde voorkeur voor schoonheid, bovendien, zegt Nelson, hebben we zelf een wereld gecreëerd waarin belangrijke sociale, psychologische en financiële beloningen, maar ook boetes, verbonden zijn aan hoe we eruitzien. Zolang onze eigenwaarde gerelateerd is aan ons zelfbeeld kan ontevredenheid over ons uiterlijk resulteren in zelfkwelling. Love Me is Nelsons antwoord op de arglistige krachten die geld verdienen aan de onzekerheden en zwaktes die ieder van ons in zich draagt.

IRONISCH is dat men op de lange duur alleen maar kan verliezen wanneer men in de ijzeren greep is van het huidige schoonheidsideaal. Hoeveel rimpels ook zijn volgespoten, hoeveel centimeter slap vel ook is gelift, hoe vaak de tanden ook zijn gebleekt en de schaamstreek pijnlijk is gewaxt, en hoe extra geliefd deze ingrepen ons ook hebben gemaakt – ons lichaam zal ons uiteindelijk in de steek laten.
Nelson portretteerde een volhardende vrouw die zich daardoor niet uit het veld laat slaan. De 71-jarige Braziliaanse Maria-Jose Silva, die al ruim dertig jaar cosmetische ingrepen ondergaat, is vastberaden de strijd tegen de ouderdom niet op te geven: ‘I may die, but I’ll die with no wrinkles.’
Zo niet de man die tijdens zijn leven had aangegeven dat hij zijn lichaam na zijn dood ter beschikking stelde aan de wetenschap. Op een van Nelsons foto’s zien we zijn afgesneden gerimpelde hoofd in een teiltje liggen. In een ‘Cadaver workshop’ doet het dienst als face-lift-training voor aankomende plastisch chirurgen.

Zed Nelson, Love Me. Contrasto (Italië), 170 blz., £ 29.95 (distr. Thames & Hudson)