Klassieke muziek: Anton Bruckner

Stervende zwaan

Voor zijn gang naar de stad, naar Linz en uiteindelijk Wenen, was de nog ongeboren symfonicus Anton Bruckner (1824-1896) het prototype van de tot vergetelheid gedoemde provinciaal. Zijn leven als plattelandsschoolmeester, later als leraar en hulporganist in het Oostenrijkse klooster St. Florian – waar hij was opgeleid – speelde zich ver van de grote muziekcentra af. Zijn compositorische activiteit bleef tot zijn eerste symfonische activiteit – na 1860 pas! – voornamelijk beperkt tot religieuze Gebrauchsmusik voor het katholieke platteland.

In die incubatietijd schreef hij koorwerken, ook wereldlijke mannenkoren, twee requiems en enkele missen, waaronder de in 1854 voltooide, ambitieuze Missa Solemnis, geschreven voor de installatie van een nieuwe prelaat in St. Florian. Daarvan verscheen op het label Accentus een opname met het Rias Kammerchor, de Akademie für alte Musik en vier solisten onder leiding van Lukasz Borowicz. Bijzonder aan de uitvoering is dat het stuk klinkt zoals het op 14 september 1854 moet zijn uitgevoerd, inclusief de volgens het St. Florian-archief ingevoegde Einlagen van derden. Tussen Gloria en Credo klinkt een opmerkelijk goed Christus factus est van Robert Führer (1807-1861), dat hij volgens het booklet op zijn 23ste componeerde. Op het Credo volgt een offertorium van Joseph Eybler (1765-1846), na het Agnus Dei een Te Deum van Johann Baptist Gänsbacher (1778-1844). Alle drie componisten voor wie de liturgische mis zo te horen een nog springlevende traditie was. De reconstructie werpt een fascinerend archeologisch licht op de anachronistische hardnekkigheid van de katholieke muziekpraktijk in negentiende-eeuws Oostenrijk.

De kerkgebonden geestelijke muziek is na Beethovens Missa Solemnis, ook al meer hartsbekentenis dan traditionele mis, immers een stervende zwaan. Wat bleef, verplaatste zich naar de concertzaal en bleef daar. Rossini schreef zijn (Petite) Messe Solennelle, Berlioz en Verdi creëerden hun grootse Requiems en Brahms zijn Deutsches Requiem, Dvorák een meesterlijk Stabat Mater. De oude Bruckner componeerde zijn Te Deum toen alles wat aan vroomheid in hem stak al geheel was geabsorbeerd door zijn reusachtige symfonieën, want hij legde uiteindelijk dezelfde weg af. Maar in Oostenrijk hield, buiten de schijnwerpers, de liturgische traditie stand. Het is een intrigerende gedachte dat de latere wagneriaan Bruckner zijn Missa Solemnis schreef in het jaar waarin Wagner zijn Rheingold voltooide. En dat toen nog, naast de klassieken, eerder Eybler en Führer (meer dan honderd missen) zijn compositorische referentiekader vormden dan Wagner, Berlioz en Liszt.

Deels is de Missa volstrekt conventionele muziek. Maar bij het Kyrie of het Et incarnatus est, veelzeggend adagio, spits je de oren. Daar liggen de verbindende schakels tussen Bruckners historische modellen Mozart, Haydn, Schubert en zijn grote missen in d, e en f die hij in 1864, 1866 en 1868 componeerde. Alles is al bijna Bruckner; de akkoorden, de figuraties, de aanzet tot monumentaliteit, de naïeve verwondering – je hoort de vormen in de pop. Vervang wat koorpassages door een kopergroep en je zou je hier en daar in een vroege Bruckner-symfonie kunnen wanen, de Nulde of de Eerste. Het klinkt nog pril, soms een beetje onhandig. De Missa Solemnis is als een verdwenen gewaand jeugdmanuscript van Reve met een tienjarige miniatuur-Frits van Egters die al beweegt, spreekt en denkt als de latere. Hij drukt zich kinderlijk uit, maar je hoort hem komen. Wat een merkwaardig fenomeen, zo’n genealogische luisteroefening; een horen in de tweede graad.


Anton Bruckner, Missa Solemnis, door Lukasz Borowicz en RIAS Kammerchor (Accentus)