Stervenswoorden

De belangrijkste spanningsboog in Jonathan Safran Foers 11-septemberroman Extreem luid & ongelooflijk dichtbij wordt gevormd door een vijftal telefoonberichten, ingesproken op een antwoordapparaat. Thomas Schell, de vader van de negenjarige Oskar, bevindt zich op die fatale dinsdagochtend in een van de torens van het World Trade Center. Wanneer daar de hel losbarst, belt hij met zijn gsm naar huis. Hij treft er alleen een antwoordapparaat aan.

Tot op het moment waarop de toren instort laat Foer zijn slachtoffer vijf keer bellen. De ernst van de situatie wordt gaandeweg duidelijker en de beklemming groter. Pas later luistert Oskar de berichten af. Tallozen zullen op die dag zo stemmen hebben gehoord die welhaast uit het dodenrijk moesten lijken te klinken. In de zekerheid van de dood, die de thuiskomende nabestaanden angstig moeten hebben beseft, klonk plotseling de levende stem van de vermiste – als een bezegeling van zijn dood.

Die wrange frictie gebruikt Foer om zijn roman voort te stuwen. De lezer wil weten wat Thomas tot op zijn laatste ademtocht heeft gezegd, maar Foer levert hem de telefoonberichten maar mondjesmaat. Het laatste ervan weerklinkt pas na meer dan driehonderd bladzijden – en dan heeft Foer toch nog een verrassing in petto. Oskar heeft de stervenswoorden van zijn vader wel degelijk direct gehoord – zij het ook dan via het antwoordapparaat. Terwijl hij als verlamd naar de telefoon zat te staren, klonk door het speakertje dringend en aanhoudend de laatste vraag: ‘Ben je daar? Ben je daar? Ben je daar?’

Indrukwekkende zinnen zijn dat niet. In tegenstelling tot de mythe van de grote stervenswoorden is het laatste van wat wij zeggen gewoonlijk onthutsend banaal. Zelfs Goethes beroemde ‘Mehr Licht!’ zou volgens een biograaf niet meer zijn geweest dan ‘Mir liegts…’. Het vervolg van de zin – ‘so unbequem’ – zou de stervende niet meer over de lippen zijn gekomen.

Maar de ernst van het moment verdraagt niet dat Goethe, toen het eenmaal zo ver was, slechts wist te klagen dat hij niet zo lekker lag. Het vraagt om plechtigheid, conform de wetenschap dat iedere dood – zoals Jacques Derrida het kort voor zijn eigen overlijden in de titel van zijn verzamelde necrologieën en grafreden uitdrukte – het einde van de wereld is, chaque fois unique. De dood is altijd een kleine Apocalyps: voor de stervende de enige die ertoe doet, voor de omstanders een vingerwijzing naar de enige die ertoe zal doen. Daarom hangt er rond stervenswoorden iets van het Unheimliche en het taboe. Ze worden sjamanistische spreuken, die de scheiding tussen het hier en het daar tijdelijk opheffen. Op de drempel van de dood belichamen zij een ontzagwekkend grensverkeer dat evenzeer fascineert als afschrikt – en misschien wel meer dan wat ook in dit altijd betrekkelijke leven het onherroepelijke onderstreept.

Daarom weet Foer de lezer zo beklemd mee te slepen, van bericht tot langzaam prijsgegeven bericht. Nieuws hoeft hij daarvan niet te verwachten. De afloop van Thomas’ leven is al vanaf de allereerste bladzijde duidelijk en kon, als embleem van wat ieder sinds de elfde september op het netvlies staat, ook moeilijk anders zijn dan het was. Maar de fascinerende verschrikking van wat desondanks niet valt aan te zien – de bondigst mogelijke omschrijving van het taboe – gijzelt niettemin alle aandacht, ogenschijnlijk gespitst op de doodsdetails die er in werkelijkheid nauwelijks toe doen: gevallen, gesprongen, verpletterd, gestikt?

Misschien doelde Martin Heidegger op die panische fascinatie toen hij het mensenbestaan een Sein zum Tode noemde. Dan is andermans dood niet alleen een bron van moeilijk te stelpen verdriet, maar bovendien de aankondiging van wat ooit komen moet maar met gesloten ogen als taboe op afstand wordt gehouden. Dat spreekt uit het grijnzende cynisme van het laatmiddeleeuwse memento mori, maar ook letterlijk in de woorden van de aanzichtkaart die iemand tijdens de vakantie van een vriend ontvangt, geschreven luttele uren voordat die laatste bij een verkeersongeluk het leven liet.

Plots spreekt de al te vertrouwde stem vanuit een plaats aan gene zijde: nog ín het leven inmiddels al dood. Zo krijgt de techniek die dat mogelijk maakt (de schrijfkunst, de e-mail, het antwoordapparaat) perverse trekken. Meer dan unheimlich klinkt ze tegennatuurlijk. Ze schendt de grens die niemand straffeloos overschrijdt: dat weet de mensheid sinds haar kindertijd. Verbijsterd kan zij niet anders dan terugroepen: dat is de radeloze grond van iedere dodencultus, spiritisme of het fotoalbum. Ze snikt en prevelt haar boodschap in op een antwoordapparaat waarvan ze weet dat het niet aan staat: ‘Ben jij daar? Ben jij daar?’