24 februari 1955 – 5 oktober 2011

Steve Jobs

In de nieuwste roman van Michel Houellebecq dook Apple-topman Steve Jobs op: niet als vriendelijke internetgoeroe, maar als de belichaming van ‘de gestrengheid’ van het protestante kapitalisme.

HET MEESTERWERK van de schilder Jed Martin, hoofdpersoon van Michel Houellebecqs nieuwste roman De kaart en het gebied, is getiteld Bill Gates en Steve Jobs bespreken de toekomst van de informatica, al is het bij de kunstliefhebbers beter bekend door zijn ondertitel: Het Palo Alto-gesprek.

Het Palo Alto-gesprek maakt deel uit van de ‘reeks elementaire beroepen’, waarin Martin de moderne, werkende mens vastlegde op doek, schilderijen als Claude Vorilhon, Bar-tabac-houder en Maha Dubois: Remote Administrator. Martin toont Gates glimlachend, zijn armen wijd gespreid als in een welkomstgebaar: ‘Het was niet meer de Bill Gates in donkerblauw kostuum uit de tijd dat Microsoft zijn greep op de wereld verstevigde, de tijd dat hijzelf de sultan van Brunei onttroonde als rijkste persoon op aarde. Het was nog niet de betrokken, smartelijke Bill Gates die Sri Lankaanse weeshuizen bezocht of de internationale gemeenschap opriep tot waakzaamheid voor het opvlammen van de pokken in de landen van West-Afrika.’ Dit was de Bill Gates die zojuist zijn baan had opgegeven, Bill Gates op vakantie, de man die alles al heeft bereikt.

Tegenover Gates, in Hawaï-shirt in kleermakerszit op een witleren bank, zit Steve Jobs. De inzet van De kaart en het gebied is dat de (fictieve) schilder Martin de (eveneens fictieve) schrijver Houellebecq zo ver krijgt dat hij de tekst schrijft bij een tentoonstellingscatalogus; op de laatste dag voor de deadline ontvangt Martin een mail met een tekst zonder titel, van een vijftigtal pagina’s, waarin de schrijver het werk van de schilder analyseert. Martins Jobs – vermagerd, stoppelbaardje, scherpe blik – doet Houellebecq denken ‘aan een rondreizende evangelist die misschien wel voor de tiende keer zijn preken moet afsteken voor een dun gezaaid en onverschillig publiek, en dan ineens door twijfel wordt overmand’.

Inmiddels is bekend dat dat interieur niet zal kloppen. Jobs had iets raars met huizen; hij leek er nooit echt in te wonen. In 1982 kocht hij een appartement in The San Remo, het majestueuze negentiende-eeuwse flatgebouw aan Central Park, dat geldt als het meest exclusieve in zijn soort in New York. Jobs liet het appartement twee decennia lang verbouwen naar ontwerpen van de beroemde architect I.M. Pei (van de Louvre-piramide), en woonde er geen dag, voordat hij het verkocht aan U2-zanger Bono. In Los Angeles bezat hij een monumentaal Spaans landhuis waar hij maar een paar kamers bewoonde en de rest zo zeer in verval liet raken dat het pand gesloopt moest worden. Het Hawaï-shirt klopt ook niet, weten we allemaal. Jobs droeg bijna dagelijks een donkere coltrui van St. Croix, een Levi’s 501-spijkerbroek en New Balance 991-sneakers.

Zelden stapelde zaligverklaring zich zo op zaligverklaring na het overlijden van een ondernemer als vorige week bij de dood van Jobs. 56 jaar, alvleesklierkanker. Hij had al jaren gezondheidsproblemen, onderging behandelingen, kreeg zelfs een levertransplantatie – en toch stond hij er steeds weer, op de technologiefora, in zijn spijkerbroek en coltrui, ‘Just one more thing’, en onthulde hij technische snufjes waar miljoenen mensen ’s ochtends vroeg voor in de rij gingen staan; snufjes die, ere wie ere toekomt, ons digitale verkeer voorgoed hebben veranderd. Snufjes die, anders dan zo veel andere technische producten, een esthetisch geheel vormden, in vormgeving en ontwerp.

Wereldwijd werden bij Apple-winkels bloemen neergezet en twitterden mensen ‘iSad’. De reactie op zijn overlijden is meteen het definitieve bewijs van het succes van Jobs: dat Apple niet als een commercieel bedrijf aanvoelt, maar als een vriendenclub waarvan je door een speeltje te kopen –iPad, iPhone, iPod – lid kunt worden. Zoals Google ooit als motto had ‘Don’t be evil’ (wat het inmiddels dik verloren heeft, nu duidelijk is hoe de site met informatie omgaat), zo is Apple een miljardenbedrijf dat zich al decennia weet voor te doen als een lifestyle.

Je vergeet bijna dat Jobs ook een keiharde zakenman was, iemand die in boardroom coups bestuursleden uit zijn bedrijf probeerde te persen, zelf ooit ontslagen is bij Apple, een workaholic die grof kon zijn tegen iedereen die niet zo’n monomaan werkethos had als hij. Dat is dan ook de visie van Michel Houellebecq, die hem in het schilderij ziet als ‘een belichaming van de gestrengheid en de Sorge die traditioneel met het protestante kapitalisme worden geassocieerd’.

Het schilderij van Martin toont niet twee oud-collega’s, misschien zelfs vrienden, die hun vak bespreken, maar twee ‘tegengestelde facetten van het kapitalisme’: Gates als een cynische ondernemer, die zijn klanten alleen de ontwikkelingen bood die hem uitkwamen, en Jobs, die probeerde geld te verdienen door zijn klanten een levensgevoel te bieden. ‘Het Palo Alto-gesprek, zo stelde Houellebecq tot besluit, was een veel te bescheiden ondertitel; Jed Martin had zijn schilderij beter Een korte geschiedenis van het kapitalisme kunnen noemen; want dat was het inderdaad.’

En toch. En toch kan ook de doorgewinterde cynicus Michel Houellebecq Steve Jobs niet alleen zien als een berekenende kapitalist. Niet dat Houellebecq dat expliciet zegt, maar je leest het tussen de regels door als hij de achtergrond van Martins schilderij beschrijft, en in een zeldzame lyriek vervalt: ‘Verderop rolde de Pacific zijn eindeloze, goudbruine golven af. In de verte waren meisjes op het gras een partijtje frisbee begonnen. De avond viel over Noord-Californië, in de prachtige explosie van een ondergaande zon die Martin haast onwaarschijnlijk had willen doen lijken in zijn oranjegele pracht, en de avond viel over het meest geavanceerde deel van de wereld: ook dat, die eindeloze droefenis van het afscheid, viel in Jobs’ ogen te lezen.’