Stevig gekruide pasteitjes

Bryan Washington schrijft losjes en vol flair © Antonio Chicaia / The New York Times /ANP

Het is geen boek om met honger te lezen, Aandenken, want jeetje, wat wordt er veel en verfijnd gekookt in dit romandebuut. De zorgvuldig bereide pasteitjes vliegen je om de oren, er belandt geroerbakt varkensvlees met kimchi op tafel, misosoep, een gekruide kip die in één vloeiende beweging doormidden is gesneden, Japanse aardappel-korokke, gegarneerd met plakjes verse tomaat en sla. Nee, echte liefde is het niet die via die heerlijk beschreven borden opbloeit, het eten is eerder een vorm van toenadering; een poging tot contact waar de woorden tekortschieten.

En de woorden schieten regelmatig tekort in Aandenken. Met veel vaart introduceert Bryan Washington (Kentucky, 1993) – eerder bracht hij een door Obama getipte, nog onvertaalde verhalenbundel uit – het jonge stel Mike en Benson, die in deze roman afwisselend aan het woord zijn. Na vier jaar is hun relatie nogal ingedut; ze delen weinig meer, noch in woorden noch in daden. Samen leven ze in een te groot appartement in Houston, Texas (Mike: ‘Ooit zat er geld in de buurt, maar toen kwam de crack op en vertrok het geld’) en ze voelen beiden de onderlinge afstand alleen maar toenemen. En dan komt aan het begin van de roman ook nog Mike’s moeder Mitsuko langs – ongelukkig genoeg vlak voordat haar zoon, een Japans-Amerikaanse kok, juist naar Osaka reist omdat zijn vader op sterven ligt.

Het gevolg: de twee geliefdes zitten duizenden kilometers bij elkaar vandaan. Zo worden ze gedwongen eens nader stil te staan bij hun relatie, bij hun levens, bij wat ze nou eigenlijk precies denken, voelen, willen. Een ander gevolg, dat aandoet als de basis voor een woke nieuw tv-programma: Benson, die een Afro-Amerikaanse achtergrond heeft en overdag werkt met moeilijk opvoedbare kinderen, zit plots opgescheept met de zwijgzame, norse moeder van zijn vriend, afkomstig uit een volstrekt andere cultuur. Zij verzucht zelf over haar zoon: ‘Hij laat me hier achter met weet ik veel wie, voor weet ik veel hoelang.’

Een bi-cultureel gay stel in een moderne metropool – in 'Aandenken' ligt er niet te veel nadruk op

Gelukkig lijkt ze wel, denkt Benson, ‘minder onwelwillend’ tegenover zijn geaardheid te staan dan zijn eigen ouders. En dus laat hij haar blijven, terwijl hij toekijkt hoe ze acuut de inrichting van de keuken omgooit. Zowaar kan hij voortaan wél pannen en messen in zijn eigen huis vinden. En ook al praat zijn schoonmoeder intussen weinig, ze serveert wel al die heerlijke gemarineerde varkenslapjes en stevig gekruide pasteitjes die ze samen naar binnen werken, onmiskenbaar een moment van verbinding.

Aandenken is zeker geen perfect debuut; de karakterontwikkeling van de hoofdpersonen verloopt hier en daar wat hobbelig en sommige scènes doen licht karikaturaal aan, maar daartegenover staat iets wezenlijkers: dit is een roman met een kloppend hart. Washington schrijft met aanstekelijke schwung. Compacte scènes vol handelingen en dialoog, korte zinnetjes die grammaticaal vaak niet eens helemaal kloppen. Zo kan het ook, een verhaal over liefde schrijven, dacht ik meer dan eens. Zo schijnbaar achteloos, zo losjes en vol flair.

Het voelt allemaal heel logisch zoals dit op zich bescheiden verhaal zich ontvouwt, ook wanneer het thema’s beroert die in de handen van andere schrijvers een enorm gewicht zouden krijgen. Aandenken behoudt steeds iets lichts en warmbloedigs, soms zijn de staccato dialogen ronduit komisch. Meer dan eens wordt Benson door passanten geconfronteerd met zijn Afro-Amerikaanse achtergrond of met zijn seksuele geaardheid, maar zelf staat hij daar niet al te veel bij stil; de grote gevoelens borrelen hooguit onder de oppervlakte. En hoewel de roman van begin tot eind draait om werelden van minderheden, om een bi-cultureel gay stel in een moderne metropool, is de kracht van Washingtons proza juist dat hij daar niet te veel nadruk op legt of er analytisch over uitweidt. Hij laat het stel er gewoon zijn. En sputteren. En geil worden, en boos, en jaloers. Hij laat ze, kortom, leven met alle onhandigheden en gebreken van dien.

Uiteindelijk wonen Benson en zijn schoonmoeder weken, zelfs maanden samen. Ze wil pas naar huis wanneer haar zoon uit Japan is teruggekeerd. In de tussentijd blijven zij en Benson vlijtig eten van de aardappel-korokke, de pasteitjes, de roergebakken reepjes varkensvlees – van achter hun borden groeien de twee naar elkaar toe en geleidelijk voeren ze langere, serieuze gesprekken. Natuurlijk duikt Mike ten slotte weer op, nadat hoofdstukken in het teken hebben gestaan van zijn tijd in Osaka. Onvermijdelijk is de relatie tussen de twee hoofdpersonen onder extra druk komen te staan, maar ze eindigen samen in hun gedeelde appartement, waar meer woorden volgen dan ze in tijden hebben gewisseld.

En dan stroopt Benson zijn mouwen op. Zijn ouders zwoeren bij afhaalmaaltijden, tot voor kort is hij in de keuken nooit verder gekomen dan een tosti of een gebakken ei, maar nu bereidt hij een van de aardappelgerechten van zijn schoonmoeder. Mike is intussen ook aan het koken. ‘Ik heb hem zo vaak zien koken’, overdenkt Benson in een scène die net niet te sentimenteel wordt, ‘maar ik heb nooit goed naar hem gekeken.’ Een paar zinnen daarna: ‘Mike kijkt een keer tersluiks naar mij, dan nog een keer.’ Daarna: ‘We hebben niet eerder samen gekookt maar we bewegen ons door de keuken alsof we al jaren niks anders doen.’ En ineens is het helemaal niet zo gek om te denken dat het toch nog allemaal goedkomt.