Stijgen, dalen, zweven

Barbara Gowdy, Vallende engelen. Vertaald door Barbara van Kooten, De Bezige Bij, 280 blz., f39,50
OP DE BEGRAFENIS van haar moeder sluit Lou Field zich op in het toilet en begint te huilen. Als ze weer op adem is gekomen, constateert ze een grote opluchting in zichzelf, meer dan opluchting zelfs: ‘Het is hetzelfde gevoel dat ze had op het dak met Norma en hun moeder (hoewel ze nooit zo eenzaam was geweest), toen ze ver boven de hele wijk stond, en de wolken die van horizon naar horizon denderden, haar aan een grote volksverhuizing deden denken. De wind sloeg door haar haar. Het was warm en winderig. Niet licht en niet donker. Hun vader kon niet bij haar komen. Hij kon de ladder niet op! Hun moeder wilde niet naar beneden. Het was remise, de tijd stond stil. Er ging iets gebeuren - dat voelde Lou wel, hoewel ze niet wist dat het zo iets verschrikkelijks zou zijn - maar in die paar eindeloze minuten was Lou in de hemel, ze stond op het punt te gaan vliegen. Ze was totaal onbevreesd voor datgene wat haar moeder een paar seconden later in doodsangst deed.’

Mary Field smeet een aluminium ladder tegen de dakrand en klom omhoog. Als een koorddanser liep ze over de nok, en in haar witte wapperende nachtjapon zag ze eruit als een engel. Ze wil niet meer naar beneden komen, tenzij ze whisky krijgt. Ze mompelt: ‘Verstikking. Geen lucht. Een verschrikkelijk gewicht. Een verschrikkelijk verlangen.’ Ze komt overeind. Als een breekbaar poppetje wiegt ze in de wind, haar armen gaan cirkelend omhoog. Dan verliest ze haar evenwicht en stort naar beneden, op slag dood.
ZE WAS DE moeder van drie dochters: Lou, Norma en Sandy. Het Canadese gezin gaat gebukt onder de strenge leiding van vader. De suffe jaren vijftig, waarin alles zo slaapverwekkend goed ging, gaan over in de jaren zestig, die verandering moeten brengen in de samenleving. Naar verandering wordt ook reikhalzend uitgezien door de Field-dochters. De zusjes, net tieners, zijn echter niet geinteresseerd in wat er in de wereld allemaal beter kan, maar vooral in hun eigen omstandigheden. Die zijn nogal onaangenaam: papa is een onberekenbare malloot met een soldatencomplex en mama ligt de hele dag sentimenteel in bed, whisky drinkend en van zes uur ’s morgens tot elf uur ’s avonds televisie kijkend.
Voor de zusjes is het een raadsel waarom hun moeder is zoals ze is. Maar omdat zij hun leven niet zo hartgrondig vergalt als hun vader, nemen ze haar voor lief. Papa zouden ze het liefst wurgen, onthoofden, in kleine stukjes knippen, verbranden en bij het grofvuil zetten. Hij stinkt, mept zijn dochters om de oren, behandelt ze als slaven en geeft ze bloedlelijke kerstcadeautjes. Papa heeft nog tegen 'de Moffen’ gevochten en daar een behoorlijke tik aan overgehouden. Omdat 'de Russen’ zich steeds nadrukkelijker manifesteren als een bedreiging van het Godsgeschenk kapitalisme, graaft de neurotische veteraan een schuilkelder in zijn achtertuin. De Pionier der Zelfverdediging dwingt zijn gezin twee weken in de kelder te verblijven, als oefening voor een echte kernoorlog.
Die veertien dagen worden voor de familie Field een regelrechte hel. Alleen door de whisky van hun moeder kunnen de zusjes het overleven. Vijf idioten, onder wie een super- en een megasuperidioot, in een piepkleine ruimte, met te weinig water, onder een krankjorem regime (verplichte Gymnastiek, Samenzang, Spelletjes en Opwekkende Praatjes) van een krankjoreme namaaksoldaat, dat kan niet goed gaan.
En het gaat ook niet goed, vooral niet als Norma direct na het begin van de schuilkelderoefening voor de eerste keer overvloedig ongesteld wordt. En dat is nog maar een van de vele hectische gebeurtenissen uit het wondere leven van de familie Field.
BARBARA GOWDY (1950) brengt in haar Vallende engelen de Fields tot leven, in al hun hilarische en aanstootgevende ondernemingen. In een vlot tempo, de ene grap aan de andere rijgend, scheurt ze door tien jaar heen waarin de dochters vrouwen worden, de vader de krankzinnigheid angstwekkend dicht nadert en de moeder aan drank, verdriet en vooral zwaartekracht tenondergaat.
Dat zij uiteindelijk van het dak viel, was te danken aan een drama dat zich jaren eerder had afgespeeld, en waar de zusjes pas veel later achterkomen. Een krantebericht in een oude doos meldt dat hun moeder haar baby Jimmy, die hun broertje zou zijn geweest, in de Niagarawatervallen heeft laten vallen. Of gegooid. Sinds die dag is ze een zuipend spook.
Alledrie de meisjes hebben het gevoel dat een broertje hen zou kunnen bijstaan in hun strijd tegen de wereld. Want er gaat van alles mis. Lou raakt zwanger en moet een abortus ondergaan; Sandy raakt zwanger en houdt haar kind, en Norma blijkt lesbisch. Ze dromen van een 'normaal’ leven, tussen 'normale’ mensen, maar zitten vast in de modder van het moederloze, gestoorde gezin en de ontregelende spirituele nieuwbouw van de jaren zestig. Ze komen alleen maar onbetrouwbare en labiele mensen tegen, met wie ze onbegrijpelijke en verwarrende relaties aangaan. De meisjes zitten overal tussenin: tussen jeugd en volwassenheid, afhankelijkheid en zelfstandigheid, macht en onderworpenheid, haat en liefde. Zwevende wezentjes, die in een luchtledig universum rondcirkelen en nergens kunnen wortelen. Vallende engelen, die nooit landen.
Door alle slapstick heen vertelt Barbara Gowdy het verhaal van mensen die 'geen lucht’ krijgen, die 'een verschrikkelijk verlangen’ hebben. Mensen die streven naar het hemelse maar op aarde zijn gevangen, die zuiver willen zijn, maar zich bezoedeld voelen. Elk op hun eigen manier belichamen de personages het verlangen naar onthechting. Lou kijkt naar haar eigen haar: 'Haar haar, dat is zij, denkt Lou. Blank en zuiver. Een verrassende zuiverheid die Lou opeens in zichzelf weerspiegeld voelt, het enige onbedorven plekje dat ze door alles heen heeft beschermd.’ Norma kent ook een dergelijk moment: 'Ze voelt dat ze zweeft op een verheven en doorzichtig punt in haar leven. Ze voelt zich alsof ze elk vunzig, minderwaardig verlangen heeft doorstaan om hier te komen. Dit is het hoogtepunt in haar leven.’
De tegenstelling - en het verband - tussen het heilige en het profane, de zuiverheid en het bederf, het hemelse en het aardse is in Vallende engelen nadrukkelijk aanwezig. Gowdy speelt met die thematiek door verschillende motieven steeds weer terug te halen: hoog en laag, stijgen en dalen, klimmen en vallen, geboorte en dood. Het is dus logisch dat de ellende met de vader een hoogtepunt bereikt in de kelder, en dat het verstikte leven van de moeder op het dak zijn dieptepunt kent. De vader kent niet het verlangen 'naar boven’ te gaan; de kelder is zijn domein omdat hij een aards en ongevoelig mens is. Hij kan 'de ladder niet op’. De moeder, verteerd door verdriet en angst, stijgt eerst zo hoog mogelijk om vervolgens diep te vallen.
De dochters kennen hun momenten van 'zuiverheid’ of 'heiligheid’, maar die duren niet eeuwig. Na de zuiverheid komt altijd weer het bederf, het heilige wordt afgelost door het bedorvene. Want mensen zijn geen engelen. Een gevallen engel is ergens geland nadat hij zijn hemelse domein heeft verlaten. Die statische toestand van het neergekomen zijn is minder boeiend dan de beweging van de vallende engel. Barbara Gowdy heeft haar personages willen vangen in hun vlucht, en tracht het proces te laten zien waardoor twee tegenpolen elkaar kunnen raken en twee uitersten worden verbonden.
DE FIELDS VALLEN allemaal. Eerst de baby (of hij is gegooid blijft opzettelijk onduidelijk) en de moeder, allebei letterlijk, en vervolgens ook de anderen, op een meer metaforische manier. Hun val maakt ze interessant: een engel, het goede, is op zichzelf niet boeiend; een gevallen engel, de duivel en het kwade, ook niet. Hoe die twee zich tot elkaar verhouden, hoe goed en kwaad allebei bij het leven horen, als een kelder en een dak bij een huis, daar is veel meer over te zeggen dat de moeite waard is.
Barbara Gowdy heeft haar best gedaan een diepere laag in haar roman aan te brengen, en dat is aardig gelukt. Dat is alleen ten koste gegaan van een paar andere dingen. Een stoet van alleen maar krankzinnige personages trekt voorbij, die alleen maar hilarische dingen doen en meemaken, die allemaal tot in alleen maar idiote details worden beschreven, zodat er niet meer dan een eendimensionale, bijna slapstickachtige komedie overblijft. De doordachte compositie van Vallende engelen had hand in hand moeten gaan met een boeiend geschreven verhaal. Omdat dat niet is gebeurd, blijft het zweven tussen twee mogelijkheden in. Bij mensen kan dat interessant zijn, voor een roman is dat funest.