Ger Groot

Stijgende bellen

Het is 1986 en Laurens van Krevelen schrijft: «De boekenuitgeverij is in de afgelopen decennia veranderd van een handelsactiviteit in een op de inhoudelijke kant gerichte professie. De traditionele rol van de uitgever als risiconemer is aangevuld door die van verrijker van het werk van de auteur.» Het jaar 1986 lijkt plotseling héél lang geleden. Meulenhoff was een onaantastbaar bastion van literaire trots en Van Krevelen was er directeur-uitgever.

Een jaar later vlogen Elsevier en Kluwer elkaar op de beurs in de haren en ging Wolters er stilletjes met de buit vandoor. Het duurde niet lang of de grootaandeelhouders begonnen een marktconform rendement te eisen waaraan uitgeverijen van publieksboeken onmogelijk konden voldoen. De marktlogica was even ironisch als bitter: Elsevier stootte zijn boekendivisie af; VNU en Wolters-Kluwer volgden.

Meulenhoff werd in 1994 een onderdeel van PCM. Een paar jaar later gooide Van Krevelen de handdoek in de ring. Nog weer een paar jaar later trok redactrice Tilly Hermans er de deur achter zich dicht en twee weken geleden vertrok ook redacteur Martijn David, allebei om elders een nieuwe uitgeverij te beginnen.

Van Krevelen zal het hoofdschuddend hebben aangezien. In de artikelen die hij de afgelopen twintig jaar schreef en die nu verzameld zijn in het iets te deftig vormgegeven bundeltje De stijl van de uitgever (Uitg. De Buitenkant) klinkt af en toe de spijt door. Het is in de tweede helft van de vorige eeuw volgens Van Krevelen heel goed gegaan met het algemene boek, maar minder goed met de uitgevers en sinds 1986 ook met de literatuur.

Bijna 75 procent van de publieksboeken wordt nu uitgegeven door drie grote concerns. Bestsellers vind je in elke kwaliteitsklasse, maar de kansen voor vernieuwende literatuur nemen volgens Van Krevelen af. Als de uitgeverijen de risico’s ervan al aandurven, blijft ze in de boekhandels vaak onzichtbaar. Steeds meer omzet met steeds minder titels: dat is de Angelsaksische droom en catastrofe tegelijk.

Die klacht is al jaren een hebbelijkheid van de boekenbranche en ze gaat moeiteloos samen met het omgekeerde geluid: vrees voor overproductie. «De moeilijke papier situatie is een gelukkige rem», kon een boekverkoper in 1947 al verzuchten en dat was niet ironisch bedoeld.

Toch is er van verschraling nog maar weinig te merken en staat het er met de kwaliteit ook niet zo beroerd voor. Vernieuwende literatuur vormt een kleine niche, maar dat is altijd al zo geweest.

Het percentage mensen dat belangstelling heeft voor veeleisende boeken is waarschijnlijk tamelijk constant. Betere scholing en ruimere distributie veranderen daar niet zo heel veel aan. De meeste mensen lezen wat ze lekker vinden en werden daarin een paar jaar geleden door een leesbevorderingscampagne trouwens nog gesterkt. Alleen voor wie denkt dat hogere opleidingen leiden tot een algemene stijging van het Bildungs-niveau is dit een rampscenario. In absolute cijfers lezen méér mensen méér goede boeken dan ooit, maar de meerderheid is altijd groter. Méér zit er niet in, en íets lezen is altijd nog beter dan niets lezen.

Tenzij de vernieuwende literatuur door de grote getallen uit de markt wordt geduwd. Van Krevelen is daar bang voor en misschien heeft hij voor de grote uitgeverijen gelijk. Maar tegelijk moet hij vaststellen dat er op veel mensen nog altijd een grote betovering van de uitgeversbranche uitgaat en dat de concentratie aan de top gecompenseerd wordt door steeds weer nieuwe, kleine uitgeverijen aan de onderkant. Als bellen in een waterketel stijgen ze op, worden groter en spatten aan de oppervlakte à la Elsevier uiteen. Intussen begint het onderaan weer van voren af aan.

Wie vandaag de dag iets te investeren heeft, kan dat misschien nog het beste doen in zo’n klein uitgeverijtje of in een boekhandel die voor het aanbod van kleine uitgeverijen plaats wil inruimen. Ze renderen maar matig, maar worden in ieder geval niet geplaagd door een onbetaalbare overhead. De kans ermee rijk te worden of zelfs ooit iets van je investering terug te zien is nogal klein.

Maar daarmee geld verliezen is in ieder geval een stuk aardiger dan met waardeloos geworden ICT-aandelen op de beurs.