Demetrius en Gorgias

Stijlvol over stijl

De oude Grieken en Romeinen waren er al gevoelig voor: de wijze waarop men vertelde wat men te vertellen had – stijl, derhalve. Demetrios schreef er, met voorbeelden uit proza en poëzie, een leerboek over dat goed als handleiding kan dienen bij het bestuderen van stijl in de Nederlandse literatuur.

Demetrius, De juiste woordenVertaald, ingeleid en besproken door Dick M. Schenkeveld Historische Uitgeverij, 140 blz., ƒ 45,-

Gorgias, Het woord is een machtig heerser Vertaald door Vincent Hunink, ingeleid door Jeroen A.E. Bons, nawoord van Jaap Mansfeld Historische Uitgeverij, 104 blz., ƒ 45,-

Zoals je een vroegere geliefde ook na tien jaar nog van honderd meter afstand aan haar manier van lopen herkent, zoals een stem of handdruk binnen enkele seconden kan bepalen of je iemand aardig gaat vinden, zo maakt de stijl van een schrijver in een paar zinnen duidelijk wat voor vlees je in de kuip hebt. De wijze waarop hij zijn woorden kiest, zinnen opbouwt en gebruik maakt van muzikale effecten, is het onvervreemdbare handschrift waaraan je hem direct herkent. Lezers van De Groene zouden, geconfronteerd met anoniem afgedrukte artikelen, na vijf regels kunnen vaststellen of het proza van Martin van Amerongen, Opheffer, Ephimenco of René Zwaap betreft.

Wie de Nederlandse literatuurkritiek een beetje volgt, moet constateren dat aandacht voor stijl bij de meeste critici niet de hoogste prioriteit heeft. Misschien komt het doordat het gros van de Nederlandse schrijvers kleurloos proza produceert waarover domweg niets valt te zeggen. In elk geval komt stijlanalyse er vaak bekaaid af. Zegt de recensent er iets over, dan is het meestal in vrij algemene termen. Het is me meermalen overkomen dat ik op grond van een lovende of op zijn minst welwillende kritiek een roman kocht, die ik vervolgens na drie bladzijden terzijde moest leggen omdat ik nog niet één pakkende zin was tegengekomen. Sterker nog, boeken waarvan de stijl zonder overdrijving abominabel genoemd kan worden, zoals die van Connie Palmen, werden tot voor kort door heel wat critici gewoon au sérieux genomen, alsof stijl een bijzaak zou zijn.

Een mogelijke oorzaak van dit gebrek aan een fatsoenlijke stijlkritiek zou kunnen zijn dat het ons aan een goed instrumentarium ontbreekt. Hoe doe je dat, iets over stijl zeggen zonder dat het in zweverig impressionisme ontaardt? We moeten op zoek naar harde criteria die meetbare gegevens opleveren. Niet dat daarmee het geheim van de aantrekkingskracht die bepaalde schrijvers op hun lezers uitoefenen definitief opgelost zou zijn, net zo min als de vermeende schoonheid van Marilyn Monroe bewezen zou kunnen worden door de opsomming van haar maten, maar het zou zeker helpen de discussie erover op een hoger peil te brengen.

Ruim een eeuw voor het begin van onze jaartelling schreef een ons verder onbekende Griek die waarschijnlijk Demetrios heette, een hecht doortimmerd leerboek over stijl, dat nu onder de titel De juiste woorden is vertaald. Hoewel niet alles wat Demetrios zegt in de Nederlandse literatuurkritiek meteen toepasbaar is, zou iedereen die wel eens beroepshalve over proza schrijft, dit kleinood even moeten lezen.

Om te kunnen begrijpen wat Demetrios doet, moet je wel enige notie hebben van de traditie waaruit hij is voortgekomen. In de vijfde eeuw voor Christus ontstond in de Griekse wereld, met name in het democratisch bestuurde Athene, behoefte aan scholing in mondelinge taalbeheersing. Politiek en rechtspraak waren, anders dan in meer traditioneel ingestelde samenlevingen, gebaseerd op het gesproken woord, waarbij overtuigingskracht meer gewicht in de schaal legde dan rijkdom of fysieke overmacht. In dezelfde periode waren filosofen bezig discussies over moraal, psychologie en staatkunde van een logische basis te voorzien. Een van de eerste denkers wier ideeën over argumentatie en retorica we enigszins kennen, is de briljante Siciliaan Gorgias.

In de generaties na Gorgias bestond er in Athene een levendig debat over de filosofische status van de retorica. Plato was tegen, omdat redenaars die bij Gorgias de fijne kneepjes van de overredingskunst geleerd hadden volgens hem zonder scrupules de moraal ondermijnden teneinde er zelf beter van te worden. Isokrates was voor, omdat een gedegen scholing in mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid in de samenleving onontbeerlijk was en de student er een beschaafd mens van werd. En Aristoteles, nuchter analyticus als hij was, begreep dat deze discussie in oeverloos geleuter zou verzanden als ze niet op wetenschappelijk niveau werd gebracht. Dus schreef hij, zoals hij ook bij alle andere wetenschappen deed, een helder handboek over argumentatieleer en stijl, de Rhetorica.

Daarmee was retorica een echt vak geworden. Retoren stichtten scholen, geleerden schreven handboeken, studenten stroomden toe. Ook al bracht Alexander de Grote de democratische instituties om zeep en beperkten redenaars zich in de praktijk noodgedwongen tot droogzwemmen, vanaf de derde eeuw voor Christus ontwikkelde het onderwijs in de welsprekendheid zich tot de enige opleiding die er toe deed. Iedereen die maar enigszins hogerop wilde of voor beschaafd wilde doorgaan, volgde een retorische opleiding. Toen de Romeinen in de tweede eeuw voor Christus met de Griekse cultuur in aanraking kwamen, wisten ze niet hoe gauw ze de retorica moesten overnemen. Het vak vormde de grondslag voor onderwijssystemen in de Middeleeuwen en de Renaissance en bleef tot in de negentiende eeuw actueel.



Hoewel er tussen de vele retorische handboeken uit de oudheid grote onderlinge verschillen bestaan in methode en benadering, is de essentie van het vak gedurende duizend jaar onveranderd gebleven. De aankomend redenaar diende vijf technieken onder de knie te krijgen. In de eerste plaats moest hij de juiste aanpak en de meest overtuigende argumenten weten te vinden. Dit onderdeel van de retorica omvatte een complete argumentatieleer. Vervolgens was het van belang het gevondene in de meest effectieve volgorde te zetten. Het derde onderdeel betrof de verwoording: welke stijl zou het best bij het onderwerp en de situatie passen? Een uitvoerige stijlleer, compleet met de behandeling van tientallen stijlfiguren, behoorde tot het curriculum. Op de vierde plaats kwam de training van het geheugen, want het voorlezen van een uitgeschreven tekst was absoluut not done. De student werd geacht in staat te zijn redevoeringen van tientallen bladzijden woordelijk te reproduceren. Ten slotte werd aandacht besteed aan de voordracht: stem, mimiek en gebaren waren essentieel om de woorden tot hun recht te laten komen.

In deze traditie heeft Demetrios gewerkt. Zijn vlot geschreven boekje behelst uitsluitend de verwoording, maar veronderstelt de andere onderdelen van het vak als bekend. Alles wat hij beweert, illustreert hij met voorbeelden uit boeken waarvan hij kon aannemen dat iedereen ze kende; daarom citeert hij van sommige passages alleen het begin en het einde. Voor ons opmerkelijk, maar bij antieke traktaten over literatuur heel gewoon, is het feit dat stilistische voorbeelden uit zowel proza als poëzie komen, terwijl het doel van het onderwijs de vorming van een goede prozastijl was. Zo treffen we naast Herodotos, Xenophon en Demosthenes ook de dichters Homeros, Sappho en Euripides aan. Het is alsof je een middelbare scholier uitlegt hoe hij een opstel moet schrijven en hem daartoe aanraadt J.C. Bloem te lezen.

De belangrijkste bouwsteen van elke schrijfstijl is de volzin. Demetrios maakt onderscheid tussen evenwichtig geconstrueerde samengestelde volzinnen die hij ‘periode’ noemt, en wat losser opgebouwde zinnen die 'aaneengeregen’ zijn.

In Nederlands proza zou je als voorbeeld van een periodenstijl A.F.Th. van der Heijden kunnen noemen, wiens zinnen uitblinken door een aangename en ondanks de lengte steeds transparante volheid, vergelijkbaar met Proust in het Frans: 'Daar sloten, door krimping van de oude planken, de messingen zo slecht in de groeven, dat de vloer op plaatsen waar overdag een voet zwaar was neergezet soms tot diep in de nacht bleef nakraken, alsof er nog altijd iemand rond liep.’

De aaneengeregen stijl treffen we aan bij Nescio: 'Den uitvreter, die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest.’



Grieken en Romeinen waren daarnaast extreem gevoelig voor ritmische patronen en de wijze waarop afzonderlijke woorden aan elkaar gekoppeld werden. Zinnen worden troebel wanneer woorden beginnen met de klank waarmee het voorafgaande woord eindigt. Schrijft Lucebert 'op-poëtische wijze’, 'de stenen of-vloeibare engel’, 'zij troost-de larven’ en 'treft hem-met het besef’, dan zondigt hij tegen die regel.

Het feit dat de stijl van Chris van Geel zo’n lapidaire indruk wekt, wordt tenminste voor een deel veroorzaakt doordat hij deze regel doorgaans wel in acht neemt. In 'het water drukt wat stierf plat’ staan de woorden als cementloze natuurstenen constructies tegen elkaar aan. Dit effect wordt bovendien versterkt door het ritme. Bij 'het water drukt’ zit je in een jambische cadans, de woorden erna krijgen alledrie ongeveer evenveel nadruk. Lees je dat voor, dan heb je de neiging om in elk geval 'stierf’ en 'plat’ door minieme pauzes van elkaar te isoleren.

Op grond van drie criteria, de zinsbouw (inclusief woordplaatsing), de woordkeus en de beschreven onderwerpen, maakt Demetrios een indeling in vier stijltypen: het grootse, het elegante, het sobere en het krachtige. Hij geeft overigens toe dat vermenging mogelijk is. Bovendien kent elk type een mislukte variant. De grootse stijl kan kil-hoogdravend worden, de elegante gekunsteld, de sobere droog, en de krachtige stijl kan tegenzin gaan wekken. Achtereenvolgens behandelt Demetrios de kenmerken van de acht categorieën.



Dat de grootse stijl grootse onderwerpen behandelt, spreekt voor zich. De woordkeus is poëtisch en wordt gekenmerkt door lange, samengestelde woorden. Metaforen zijn essentieel. De perioden zijn imposant van opbouw en omvang, zonder dat het geheel een gladde of al te bestudeerde indruk wekt: precisie is namelijk banaal. De zinnen mogen best mooi klinken en lange lettergrepen zouden in de meerderheid moeten zijn, maar een zekere mate van lelijkheid is op zijn plaats. Ook kan een zorgvuldig gedoseerde beknoptheid wonderen doen. En het klinkt ook goed als binnen een zin naar een climax wordt toegewerkt. Wanneer deze stijl wordt gebruikt om een alledaagse inhoud te verwoorden, of wanneer de schrijver gewoon te ver gaat, wordt de taal kil-hoogdravend: hoogdravendheid is een vorm van bluf.

Het is niet gemakkelijk Nederlandse voorbeelden van de grootse stijl te geven. In de naoorlogse literatuur wordt alles wat zich verheft gewantrouwd, en wie een bijbels idioom hanteert, doet dat nog zelden zonder ironie. Op sommige momenten is Reve groots, C.O. Jellema en Kees Ouwens zijn het zeker en ik vermoed dat Demetrios ook veel gedichten van Lucebert groots van dictie en conceptie zou noemen: 'ik ben begonnen geduldig/ te zijn tussen haastige vlammen/ want het licht dat gezien is ontstoken tussen uw steile borsten/ een kudde streng kijkende pijlen/ wijst met de traagheid van pijn/ nu alles is weggegaan/ mij de weg aan’. Bij een kil-hoogdravende stijl denken we aan dichters als Adriaan Roland Holst, die er nog oudtestamentisch op los zong toen aardse nuchterheid allang de norm was.

De elegante stijl is aantrekkelijk, spiritueel en geestig. Muzikaal gezien verlopen de zinnen vlot en gladjes, de onderwerpen zijn leuk en licht erotisch, harde en grove woorden zijn uit den boze. Parallelle zinsconstructies en binnenrijm dragen bij aan het verfijnde effect. Bij deze stijl valt te denken aan Couperus, aan bepaalde passages van Hugo Claus en aan Anneke Brassinga: 'De boterham begeert mij niet, de komkommer kromt zich niet naar mijn mond. Misschien beleven een reiger en de levende kikker die hij naar binnen werkt wel een ogenblik van eenwording.’ Demetrios zou het proza van Hafid Bouazza en Willem Brakman gekunsteld hebben gevonden. Voor een toekomstig redenaar lijken deze auteurs inderdaad minder geschikte voorbeelden, maar een moderne lezer leest met andere ogen.

In de sobere stijl worden de zinnen gekenmerkt door bondigheid, helderheid en het vermijden van overdrachtelijkheid. De woorden betekenen gewoon wat ze geacht worden te betekenen, de onderwerpen zijn eenvoudig en concreet. Ter wille van de aanschouwelijkheid kunnen herhalingen geen kwaad. Misschien zouden we dit taalgebruik journalistiek mogen noemen. Droog wordt deze stijl als de schrijver de gewoonheid overdrijft. In onze calvinistische cultuur is de hang naar soberheid dermate sterk verankerd dat de meeste schrijvers zeer gauw vinden dat ze al gek genoeg doen. Er is niks tegen helderheid, maar mannen als Bernlef en Voskuil verheffen zich geen moment van de grond, met een dodelijke saaiheid als gevolg.

De vierde stijl lijkt op de sobere maar is beknopter en neigt naar lelijkheid. In woordkeus en onderwerpen ligt deze krachtige stijl dicht tegen de grootse aan maar de emotionele lading is groter. Veel gedichten van Nachoem Wijnberg zijn bars en hard, maar er is in ons taalgebied geen beter voorbeeld dan het proza van Bordewijk: 'De Bree zijn denken was hoekig en nors. De lucht lag laag morsig roetig. Novemberochtend. De wind danste lomp om de hoeken.’



Er is één stijltype dat Demetrios niet behandelt, ongetwijfeld omdat hij James Joyce niet heeft meegemaakt. Het is de schrijftrant die bekend is geworden onder de naam stream of consciousness en die de losse, associatieve structuur van gedachten en gesprekken nabootst. Het klassieke voorbeeld is het laatste hoofdstuk van Ulysses, waarin Molly haar broeierige gedachten de vrije loop laat. Maar ook Bohumil Hrabal en Antonio Lobo Antunes schrijven op die manier. Voor een aankomend redenaar zou deze bij uitstek aaneengeregen stijl ongeschikt zijn, al vraag je je soms af of de meeste politici niet wat minder Joyce zouden moeten lezen, zo incoherent is vaak het proza dat uit hun mond rolt.

Waarom is stijl van levensbelang? Waarom houdt u van uw liefste vrienden? Niet omdat ze altijd gelijk hebben en altijd het ideale gezelschap vormen. Integendeel, u raakt ontroerd wanneer ze met de voor hen karakteristieke stembuiging, handgebaren en oogopslag de grootste nonsens verkondigen of de onaardigste dingen zeggen. Stijl is belangrijker dan wat iemand te vertellen heeft. En daarom is Reve een groter schrijver dan Bernlef.