Perquin

Stil

Als ik tegen tien uur de gordijnen van mijn werkkamer openschuif zie ik hem staan: een steiger, schuin tegenover mijn huis. Hij moet vanmorgen vroeg zijn gebouwd, want gisteren was mijn uitzicht nog intact. Nu kijk ik uit op een glimmend, metershoog platform dat onwrikbaar verankerd is in de muur van de overbuurman. En alsof dat nog niet genoeg is staat er een man in camouflagekleding op de steiger. Roerend in een emmer. Het ziet er heel oorlogszuchtig uit, vind ik. Alsof hij de ingrediënten voor een molotovcocktail mengt. Ik zet mijn computer aan, hoewel ik het ergste vrees. Een jaar geleden stond hier ook een steiger, pal voor mijn raam. Dat moest toen vanwege de voegen. En Harry, die via een kennis tot mij was gekomen, zou daar korte metten mee maken, met die voegen. Dat geloofde ik direct. Hij had een gezicht dat eruitzag alsof je er stenen op kon vermorzelen zonder hem daarmee te hinderen. Om zijn reusachtige buik spande een T-shirt met de tekst ‘IK REM ALLEEN VOOR BIER’. Drie dagen lang stond hij voor mijn werkkamer en praatte. Altijd. Harry praatte niet tegen iemand anders, hij praatte in het algemeen. Ook floot hij. En hij zong. Of hij riep iets. Er was één ding in het bijzonder dat hij graag riep, met een galmende stem: “t Is stil aan de overkant!’ Hij rekte het woord 'stil’ altijd een paar seconden uit. Mij intrigeerde die uitroep wel, maar ik durfde er niet naar te informeren. Toen ik hem de eerste dag had gevraagd hoe hij zijn koffie wilde, had hij gezegd: 'Net als mijn vrouwen: heet en zwart.’
De soldaat is inmiddels klaar met zijn emmer. Ieder moment nu kan hij een lied aanheffen, een deuntje gaan fluiten of een radio te voorschijn halen. Maar nee. Hij pakt een soort sponsje en begint een kozijn te schuren. Geconcentreerd en zwijgend. Toch kom ik zelf niet aan werken toe, met Harry in mijn achterhoofd. Om de paar minuten hoor ik zijn stem, als een verre echo, galmen door de straat. ’t Is stil aan de overkant.