Stil

Ik logeer in een piepklein Bed Breakfast, aan de rand van een Zeeuws dorp. Er zijn maar twee kamers. Sybille, de gastvrouw, zegt dat ik allebei kan gebruiken. Er komt toch niemand anders. Dus heb ik één kamer om in te schrijven en één om in te slapen.

Volgens Sybille is het niet goed om te werken op je slaapkamer. ‘Dan ontspan je niet’, zegt ze. ‘Je moet een deur dicht kunnen doen.’ Het is inderdaad fijn, zoveel ruimte. In de achterste kamer zet ik mijn laptop neer. Er is uitzicht op een binnenplaats, een bankje, de rode daken van andere huizen. De eerste dag zie ik, langs de randen van mijn beeldscherm, twee merelmannetjes die een luchtgevecht uitvoeren. De dagen daarna wordt het kouder en begint het halfslachtig te sneeuwen. De merels laten zich niet meer zien. Ik werk aan een lange tekst waarin ik probeer structuur aan te brengen. Ondanks de stilte vorder ik traag. Ik erger me aan mezelf, twijfel te veel. Af en toe kijk ik op mijn telefoon om te zien of iemand me al nodig heeft. Niemand heeft me nodig. Als het avond wordt ga ik iets eten in het dorp – er is een klein visrestaurant waar zeven mannen zitten. De televisie staat aan. Er is een snookerwedstrijd waar niemand naar kijkt. Het glas bier dat naast mijn bord vol gebakken schol wordt neergezet smaakt warmer en zoeter dan elders. Als ik ’s avonds terugkeer naar mijn kamers ben ik bijna moe van de rust, al zou ik dat niet uit kunnen leggen. Vanuit de kamer waar ik slaap kan ik de jachthaven zien. Een staketsel van dunne masten en lichtjes, die weerspiegelen in het water.

’s Ochtends ontbijt ik met Sybille in de keuken. Ze vertelt wat over de geschiedenis van het huis. Ik vraag of het nooit lastig is, gasten ontvangen. Ze lacht hoofdschuddend en schenkt koffie in. ‘Een gekookt eitje?’ vraagt ze. Als ze achter het fornuis staat ziet ze eruit als de trotse moeder van een groot, luidruchtig gezin. Ik probeer het in m’n eentje te vervangen.