Simek interviewt simek over luiheid

‘Stil onder een boom zitten is voor een westerling onhaalbaar’

Praag tijdens het communisme. De kleine Martin Simek wordt door zijn vader uit bed getrommeld: ‘Maak gebruik van je jonge dagen!/ Studeren is je enige wapen!/ Napoleon had aan vier uur slaap genoeg!’ Dan vertrekt vader naar de fabriek om voor straf cementzakken te versjouwen. Wat betekent ‘luiheid’ voor de nu 62-jarige Simek?

ALS IK ‘luiheid’ zeg, waar denkt u dan aan?
‘Aan de kleedkamer van een tennisclub in Düsseldorf, na een verloren teamwedstrijd in de Bundesliga. De coach had zojuist de redenen van het verlies geanalyseerd en de hoop uitgesproken dat de gemaakte fouten zich in de toekomst niet meer zouden herhalen, en zeker niet in die mate. Toen gaf hij het woord aan de mecenas van de club, de sponsor. De vier tennisspelers, allemaal goed voor een vorstelijk salaris, keken verveeld naar hem op vanaf het bankje langs de muur tussen hun vergeefs doorzwete shirtjes, shorts en sokken. De sponsor keek ze vriendelijk aan. Toen liep hij naar de man die misschien de grootste wanprestatie had geleverd en raapte zo ongeveer van tussen zijn voeten een muntstuk van tien pfennig van de grond: “Deze munt lag hier vanochtend al, nu is hij van mij, heren.” Hij stopte hem in zijn portemonnee en vervolgde: “Een van de weinige dingen die ik weet van tennis is dat het punt voor punt wordt gespeeld. Jullie zijn zo ver gevorderd dat jullie het soms lijken te vergeten. Goedenavond.’’’

Waar wordt u nooit moe van?
‘Van associëren. Terwijl definities stilstaand water zijn, gaan associaties door als een rivier en doen uiteindelijk het besprokene meer recht dan een afgebakende omschrijving. Luiheid is bijvoorbeeld een fascinerend fenomeen. Nu ik erbij stilsta, bedenk ik me wel twee keer om luiheid als zuiver negatief te bestempelen.’

Luiheid heeft volgens u een slechte naam?
‘Bij ons in het Westen wel natuurlijk. En wat mij betreft terecht waar er onoplettendheid mee wordt bedoeld, gebrek aan wakkerheid. Maar als je wakker bent, ga je juist efficiënt met je energie om. Je verspilt geen beweging, geen letter, geen woord. Je slooft je niet uit, je doet liever niet te veel.’

Klopt het dat u zich nauwelijks voorbereidde op uw radio- en tv-interviews?
‘Aanvankelijk was dat zo. In mijn eerste radio- en tv-jaren wist ik liever zo min mogelijk van mijn gast en las me dan ook nauwelijks in. Dat had echter niets met luiheid te maken, maar met mijn strategie. Dat deed ik bewust. Ik wilde per se mezelf blijven, ook met een microfoon en camera’s erbij. Als je niets van een geïnterviewde weet, heb je geen tijd om je af te vragen hoe je haar zit. Je hangt aan zijn of haar lippen, je observeert je gek, je zuigt alles wat er op dat moment is in je op, want je hebt niets anders. In je hoofd hoef je het niet te zoeken, want daar zit niks. Pas toen ik eenmaal aan camera’s en microfoons gewend was, begon ik me voor te bereiden. Maar ook dan blijft interviewen in de eerste plaats een ontmoeting die je zo onbevooroordeeld mogelijk in moet gaan.’

Tijdens een masterclass interviewen hebt u de studenten journalistiek met stoelen laten sjouwen om extra informatie over ze in te winnen…
‘Ik ga eerder op lichaamstaal dan op praatjes af en ben dol op natuurtalenten. Natuurtalenten komen vaak met verrassend simpele oplossingen, uit luiheid, of, zoals ik het zie, uit energiebesparing. Ze doen nooit meer dan strikt noodzakelijk. Dat geldt op de tennisbaan, maar ook daar waar geestelijke lenigheid is vereist. Als je een stoel van punt A naar punt B over vijftien meter moet verplaatsen, kost het kracht. Een stoel is een onhandig object. Hoe je hem beetpakt, heeft direct te maken met de energie die het kost om de klus te klaren.
Van de twee onderstaande types geef ik de voorkeur aan de eerste, ook als toekomstige journalist, bij verder min of meer gelijkwaardige capaciteiten. Zeg maar dat ze allebei een zin met kop en staart kunnen schrijven. Type 2 verspilt energie, wat op den duur niet valt vol te houden.’

Is hij niet gewoon onhandig en onsportief?
‘Nou, u zult nog verbaasd zijn. Hij is van de twee waarschijnlijk degene die om de dag in het krachthonk op de sportschool zit. Door de stoel op deze manier als een trofee voor zich uit te dragen wil hij – waarschijnlijk onbewust – laten zien dat hij zó fit is dat hij zich de vraag van onnodige krachtverspilling niet eens hoeft te stellen. Krachtpatsers en intellectuelen lijken op elkaar: ze pronken met gekweekte spieren respectievelijk met een verzameling van weetjes en citaten ook in situaties die er niet om vragen. Intelligent zijn, lichamelijk en geestelijk, dat is een andere zaak. Dat is het vermogen om op de situatie die nooit dezelfde is steeds nieuw te reageren. Daar speelt bewustzijn een doorslaggevende rol bij.’

Zou u een voorbeeld van een intelligente bekende Nederlander willen geven?
‘Martin van Amerongen. Zijn intellect stond zijn intelligentie niet in de weg. Niet gehinderd door zijn kennis, bleef hij open en speels. Een ware speler.’

_Hoe zou Martin van Amerongen de stoel van A naar B hebben gedragen? _
‘Waarschijnlijk had hij het iemand anders voor hem laten doen en het gecompenseerd met een wederdienst die beter bij hem paste. Mag ik een anekdote over de legendarische hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer vertellen? Het is een primeur.’

Voor minder doen we het niet.
‘Martin was bij mij in Praag te gast in de jaren negentig. Ik was gestopt als tenniscoach en had het druk als journalist. Mijn deadlines zaten mijn wens om de best mogelijke gastheer voor Martin te zijn in de weg. Dus sliep ik weinig en zat al om zes uur ’s ochtends aan mijn schrijftafel. Wie schetste mijn verbazing toen ik daar op dat vroege uur een column vond voor het Brabants Dagblad die ik nog moest schrijven!? Opgelucht ging ik dus mijn stuk voor HP/De Tijd afmaken. Maar het ware probleem was het Parool-sportinterview. Alleen al het afluisteren van de bandjes met de topsporter zou me uren kosten.
Ineens stond Martin naast me: “Hier.” En daar kreeg ik een schitterend, door mij nooit afgenomen interview over sport te lezen met mijn vriend en hoofdredacteur. De titel loog er niet om: En fietsen doe ik ook al niet. Of dat geen toonbeeld van geestelijke lenigheid is!’

Om bij ons thema te blijven: Martin van Amerongen was dus geestelijk allesbehalve lui.
En lichamelijk?

‘Lichamelijk onervaren. Hij had andere keuzes gemaakt, als jongetje al. Terwijl zijn leeftijdgenootjes aan het voetballen waren, zat hij een boek te lezen. Maar zijn bewegingspatroon was in elk geval oorspronkelijk en zeer oprecht. Hij deed nooit alsof. Die zeldzame keren dat hij een arm om me heen sloeg, betekenden meer voor me dan een verovering van een danseres. En hij kon een hoed dragen zoals weinigen het vandaag de dag nog kunnen. Trouwens, kleding en luiheid hebben ook met elkaar te maken.’

Vertel.
‘In overdrachtelijke zin is zowel luiheid als vlijt vaak een camouflagepak van angst. De een slooft zich uit, uit angst door de maatschappij afgewezen te worden, de ander steekt om dezelfde reden geen vinger uit, want dan kun je ook niet afgaan. Hij stelt zich als het ware boven de maatschappelijke competitie, desnoods vanuit het opvanghuis voor daklozen. Mij heeft altijd de relatief kleine groep toppers gefascineerd die op geheel eigen manier meedoen. Dat leidt dikwijls tot uitsluiting van de officiële competitie, maar zij, geleid door innerlijk licht, lopen hun eigen wedstrijd. Vincent van Gogh, Fernando Pessoa, twee namen uit de eredivisie van het kleine leger mensen dat in de eerste plaats met zichzelf wedijvert en niet met de rest. Ze proberen onvermoeibaar alleen van zichzelf te winnen, van hun eigen beperkingen.’

Laten we het bij toppers houden. Kennen zij luiheid?
‘Bravo. Luiheid als kwaliteit, dan bent u bij mij aan het goede adres. Ik zie graag mensen schijnbaar nietsdoen met grote resultaten. Dat zijn de mensen die aan het oogsten zijn. Ze zijn met de laatste stap bezig. Hun nietsdoen is het kersje op de taart van hard werken. Dat nietsdoen is trouwens niet alleen de laatste, maar ook de moeilijkste stap, al oogt hij niet zo. Je hebt jarenlang zo hard aan jezelf gewerkt, als tennisser, als schrijver, als mens, dat je niet beter weet. En dan komt het moment dat je er bijna bent. Dan moet je ook het gezwoeg achter je laten en de controle uit handen durven geven.’

Aan wie?
‘Dat is een luie vraag. Lang niet alles kun je te weten komen van horen zeggen. Bitter weinig eigenlijk. Er bestaat geen handleiding om het mysterie te ontrafelen. Als kind ben ik al vroeg begonnen met het observeren van dieren. Een kat die zogenaamd lui in de zon ligt te suffen en plotseling “Hap!”, en de prooi is de pineut. Of een buizerd; hij hangt stil boven het graanveld en dan ineens laat hij zich vallen. Dat was voor mij, als jonge tennisser, al helemaal een eyeopener. Iemand die als de beste kan vliegen en daar op het moment suprême van afziet om te veranderen in een baksteen.
Nog dezelfde dag dat ik de buizerd had gezien, probeerde ik het op de tennisbaan. Niks “door je knieën gaan”, zoals tennisleraren over de hele wereld tot vervelens toe hun tennisadepten voorhouden. Door je knieën gaan is een inspanning die tijd kost. Door je knieën zákken zoals een roofvogel uit de hemel zakt, dat is de sleutel. Je spieren hoeven de actie niet uit te voeren, het is voldoende als ze de val opvangen.
Zwaartekracht, ja natuurlijk! Je moet de zwaartekracht gebruiken.
Op alle sportvelden wordt die tot op de dag van vandaag en eigenlijk steeds meer voornamelijk bevochten. Een waanzinnige verspilling van energie. Alleen de allerbesten weten haar in hun voordeel te gebruiken. De Cruijff van toen, de Messi van nu, bijvoorbeeld.’

Zullen we ons verplaatsen naar gewone stervelingen?
‘Ach, waarom niet. Die hebben we alleen niet op ons aller netvlies gegrift. Zo stond ik ooit een oude boer te observeren die een graanveld maaide met een zeis. Hij leek een perpetuum mobile, die eeuwige beweging met de regelmaat van de pendelklok. Losjes vanuit zijn heupen. Ik was betoverd. Zo wilde ik tennissen, want zo tennisten Rod Laver en Pancho Gonzales. Schijnbaar nietsdoen, het gewicht van de zeis deed het werk, zoals op de baan het gewicht van het zware houten tennisracket. Eigenlijk ben ik, nu we het erover hebben, mijn hele leven bezig om te kijken hoe de vork in de steel zit, terwijl anderen op tafelmanieren letten.’

Op school werden ons de krekel en de mier voorgehouden.
‘Ik groeide op onder de communistische dictatuur die de mond vol had van “arbeid”. Een arbeidsstaat die met arbeid strafte. Onder die omstandigheden krijg je al snel de pest aan “arbeid” waar geen idee achter zit. Bij een mierenhoop of een bijenkorf bewonder ik dan ook eerder het management dan de werklust, hoezeer ik ook besef dat die onmisbaar is. Maar, zoals gezegd, de efficiëntie van de inspanning intrigeert me zeer. Ik weet nog dat ik tevergeefs een verklaring zocht voor het raadsel waar de zwaluwen van leven. “Van de vliegjes die ze vangen!” zeiden de volwassenen dan. Maar dat razendsnel eindeloos op en neer vliegen kost toch veel meer energie dan een paar vliegjes van 0,01 calorieën je kunnen geven? protesteerde ik.’

Vindt u dat bij denkwerk ook vaak energie verspild wordt?
‘Nou en of. Ik geloof niet in bedenksels, maar in ingevingen. Ik zal het uitleggen. Als ik een ruïne van een wijnhuisje op het land wil verbouwen tot een gastenvertrek, neem ik niet de maten op en ga niet boven een wit stuk papier zitten. Ik ga zitten in en rond het huisje, op verschillende momenten van de dag. Bij zonsopgang, maar ook als de zon ondergaat en ook als het regent. Ik zuig de ruimte en de omgeving zo lang in me op tot ik wat gebouwd moet worden ineens te zien krijg. Nee, ik heb het niet bedacht. Michelangelo zei dat hij zijn beelden niet maakte, maar slechts bevrijdde uit de steen. Dat snap ik. Het hakken is ondergeschikt aan het kijken. Helaas is het in onze moderne maatschappij vaak anders. Wij zijn doeners en geduldig rondkijken is hooguit iets voor de vakantie en zelfs dan houden we het niet vol. We maken er een foto van, van de laatste boer met de zeis, van de roofvogel, de zwaluw, de mierenhoop en de ruïne. En we wandelen, fietsen, zwemmen, surfen, golfen en beklimmen bergen. Of we lezen ten minste een boek. Maar nietsdoen, dat willen en kunnen we niet. Daar worden we kriegel en nerveus van. Doodgewoon stil onder een boom zitten is voor een westerling een onhaalbare prestatie.’

Waarom eigenlijk?
‘Omdat we het van kinds af aan systematisch afgeleerd hebben om aandachtig en stil te zijn. Niemand vroeg ons ooit “wie ben je?” Iedereen vroeg altijd “wat doe je?” Stel je voor dat je niets deed. De vraag alleen al roept een schuldgevoel in je op. En zo werken we tegenwoordig zelfs aan relaties, met verbijsterende resultaten, dat moet gezegd. De helft van de huwelijken valt uit elkaar. Liefde en stilte overkomt je, als je er open voor staat. Niks “maakbaarheid”. Liefde is gebaat bij de flow, niet bij denken. We werken naar een ideaalbeeld toe, dus we zijn niet open. Perfectie nastreven is een geraffineerde vorm van luiheid. Perfectie bestaat niet en de ideale man of vrouw evenmin. Wat wel bestaat, is een wonder. Zomaar. Als je er nog tijd voor hebt. Als je je leven niet zo vol hebt gepropt dat je het niet eens meer ziet.
Overactieve mensen zijn bang voor een ontmoeting, in de eerste plaats met zichzelf. Want men leert zichzelf niet alleen al doende kennen. Wie wil leren zwemmen, moet niet alleen met armen en benen kunnen maaien, maar ook stil op het water kunnen liggen, als een drenkeling. De meeste mensen gaan spartelend ten onder.’