TONEEL De eenzame weg (2)

STILISTISCH IJSSCHOTSSPRINGEN

De schilder Julian Fichtner, een van de oudere personages in Arthur Schnitzlers De eenzame weg uit 1904 (nu te zien bij de Theatercompagnie in de regie van Theu Boermans), heeft het bijzonder goed met zichzelf getroffen. Na ruim twintig jaar heeft hij de zoon ontmoet die hij ooit verwekte bij de aanstaande van een goede vriend. Op het moment dat ze samen zouden vluchten liet Fichtner zijn vriendin barsten en koos het hazenpad. Nu hij het vaderbloed naar boven voelt borrelen legt hij aan zijn zoon uit waaróm hij dat toen deed.
Daarin maakt Fichtner twee kapitale blunders. Zijn uitbarsting in het derde bedrijf is een typisch geval van foute tekst op een fout moment uitgesproken tegen de verkeerde persoon. Daarnaast is zijn als bezielend, euforisch, reuze idealistisch en ongetwijfeld utopisch bedoelde monoloog een tekenend voorbeeld van iemand die de historie verbouwt en verspijkert op grond van recent verworven inzichten.
De aangesproken zoon, die dit alles feilloos herkent, stelt de enige vraag die ertoe doet: ‘En wat als ze zich van het leven had beroofd?’, waarop Fichtner antwoordt: ‘Ik geloof dat ik me dat waard had gevonden – toen.’ Die zin – overigens het beste bewijs dat dit stuk niet over babyboomers gaat (zie De Groene van 23 mei), een beetje babyboomer zou zich liever ter plekke ontmannen dan zo’n antwoord te verzinnen – is voor Fichtner in alle opzichten fataal: zijn zoon wil niets meer met hem te maken hebben, de vader is veroordeeld tot de eenzame weg waarop hij niet is voorbereid.
In deze voorstelling wordt Fichtner gespeeld door Jappe Claes (naast de mooie en snoeihard vormgegeven zoon door Benja Bruijning). Jappe Claes doet aan een soort stilistisch ijsschotsspringen: net als je hem denkt te betrappen op een trefzeker vormgegeven emotie zet hij de toeschouwer met een enkele beweging, een simpele stembuiging, een grap of een handeling die uit het niets lijkt te komen al springend weer op afstand. Hij doet ondertussen Shakespeare’s harde werk (‘a mirror to nature’) zó verdomde goed dat ik me er af en toe op betrapte dat ik dacht: hmm, zit wat in, om een volgend moment woedend uit die roes te ontwaken. Vaak met een lach trouwens, want hij is ook erg om te lachen, deze zelfingenomen Fichtner.
Er lijkt een weeffout in de voorstelling geslopen te zijn en die zit in Fichtners tegenvoeter, de schrijver/dichter/eenling Stephan von Sala (gespeeld door Gene Bervoets). Ofwel de toneelspeler heeft een té mensvriendelijk beeld van deze naar cynisme neigende einzelgänger, ofwel de regisseur heeft hem niet stevig genoeg aangepakt, ofwel allebei. Ofwel de weeffout zit tussen mij en het personage. Ik denk dat Stephan von Sala tot een van de lastigst te spelen figuren uit het vroeg-twintigste-eeuwse naturalistische toneelrepertoire behoort. Hij draagt geen masker, hij is een masker – en niet alleen omdat er dood om hem heen hangt. Zijn requisitoir tegen hele generaties zogeheten én werkelijke idealisten is een grafrede gehouden door iemand die zich, mét al zijn dromen en verlangens, al geruime tijd geleden levend heeft begraven en voor iedereen onbereikbaar is geworden. Daar hoort geen vriendelijk gezicht en fluweelzacht timbre bij. Dacht ik. Wist ik zeker. Betwijfelde ik vervolgens weer. Eens in de zoveel tijd komt het voor dat je een toneelpersonage meent te kennen en opeens niet meer herkent. Laten we het voorlopig op een beroepsdeformatie houden. En laat het u er niet van weerhouden de voorstelling De eenzame weg te gaan zien. Dat kan nog heel even.

De eenzame weg is t/m 7 juni te zien in het Compagnietheater, Amsterdam