Grayson Perry bij de onthulling van zijn Leave en Remain Brexit-vazen met de titel Matching Pair aangekocht door het Victoria and Albert museum in Londen. Maart 2019 © Tristan Fewings / Getty Images

Toen Grayson Perry in 2013 een zelfportret in de vorm van een stadskaart ontwierp, had hij er al vele jaren psychotherapie op zitten. In A Map of Days, momenteel te zien in het Fries Museum als onderdeel van de tentoonstelling Icons, kijk je recht bij de Britse kunstenaar naar binnen. De kern van zijn wezen ligt besloten binnen de grillige lijnen van een stadsmuur, een druk gebied verdeeld in wijken en wegen, compleet met stoepen en plantsoenen. Aan de ‘spirituele’ kant van de stad loopt een straat vernoemd naar ‘de angst om het mis te hebben’, aan de ‘duistere’ kant een lange straat die ‘ambitie’ heet maar die overloopt in ‘alfa mannelijkheid’, ‘respect’ en een ‘defensieve houding’. In een uithoek van de stad is plek voor ‘diepgewortelde overtuigingen’, er is een steeg voor ‘trots’ en een perkje voor ‘trauma’. Buiten de stadsmuur liggen ‘snobisme’, ‘paranoia’ en ‘starheid’ op de loer, wachtend op een onbewaakt ogenblik. In de rivier stromen ‘verbeelding’ en ‘inspiratie’.

In het hart van de stad, en van de kunstenaar, op een plein waar ze in Parijs de Arc de Triomphe hebben neergezet, bevindt zich bij Perry niets dan een open plek waar een mannetje verveeld tegen een blikje schopt. ‘Het “zelf” is, denk ik, niet een eenduidig vaststaand ding maar een levenslang verschuivende performance’, zei Perry over zijn zelfportret. Zo complex als zijn binnenwereld, zo verwarrend en volstrekt helder tegelijk is zijn uiterlijke verschijning. Als man is Perry de archetypische kunstenaar, compleet met warrig haar. Maar soms komt hij als vrouw, dan weer gekleed als een jong meisje, dan weer als een vrouw van middelbare leeftijd, manifestaties van Claire, sinds jaar en dag zijn alter ego.

Grayson Perry (1960) is de darling van de hedendaagse kunst sinds hij in 2003 de Turner Prize in ontvangst nam, gekleed als Claire, in een paarse jurk met strikken en franjes, bestikt met konijnen en hartjes, met de woorden: ‘Het werd de hoogste tijd dat een travestiet-pottenbakker de Turner Prize won.’ Meer dan een ludieke act, waar veel nieuwe fans het optreden voor zullen hebben gehouden, was het de uitkomst van zijn zoektocht naar zijn positie en mogelijkheden als man en als kunstenaar in de Engelse maatschappij. Als man die zich van jongs af aan graag in vrouwenkleren hult. Als kunstenaar die begon met schilderen en filmmaken, maar die zich het best bleek te kunnen uitdrukken in pottenbakken. Op een keramische vaas van jaren eerder, ook een soort zelfportret, van een jongen in een landschap omringd door onrustbarende taferelen, staat een gedicht dat eindigt met de regels: ‘I was a mad kid/ and now I ain’t./ I got out ’coz/ I could paint.’

Grayson Perry, Personal Creation Myth, 2007. Keramiek te zien vanaf 15 december in het Kunstmuseum Den Haag © Courtesy the artist and Victoria Miro

Kunst was zijn redding, heeft Perry keer op keer benadrukt; de redding van het leven na een traumatische jeugd in Essex. Die begon met de verhouding van zijn moeder met de melkboer, zijn moeder die zwanger raakte van de melkboer, de melkboer van wie drie vrouwen tegelijk zwanger waren. Perry’s vader verdween van het toneel en de stiefvader beschikte over losse handjes en harde vuisten. Perry’s innerlijke leven verplaatste zich naar zijn slaapkamer, bezaaid met modellen van tanks en wapens en behangen met plaatjes van vliegtuigen, waar hij dagelijks een heroïsche strijd voerde. En in het bijzonder naar zijn teddybeer genaamd Alan Measles, een terugkerend personage in zijn kunst.

In de biografie Portrait of the Artist as a Young Girl staat het moment beschreven waarop travestie en pottenbakken zich op een en hetzelfde moment aandienden. De vrouw van de dominee kwam een les pottenbakken verzorgen en de kinderen kregen lichtblauwe schorten omgeknoopt tegen het morsen. De klassenassistent, die hem met haar nepwimpers en hoge kapsel aan Dusty Springfield deed denken, hees Perry, toen acht of negen jaar oud, in zijn schort. ‘De combinatie van mevrouw Maple die de knopen dichtdeed en het piepende, zachte, onbuigzame, inperkende plastic kledingstuk wond me op. Ik werd aangekleed als een klein kind, het voelde erg vernederend.’

Hij maakte die dag een gele asbak voor zijn moeder, die ze nooit zou gebruiken, en ging sindsdien op zoek naar het gevoel dat het schort hem had gegeven. Dat vond hij eerst in de kledingkast van zijn moeder en later in die van zijn stiefmoeder. Verkleed als vrouw, opgetut in een publiek toilet, maakte hij als tiener wandelingen door het park of over het kerkhof.

Vernedering is de prikkeling die Perry sinds de les pottenbakken najaagt, het woord ‘humility’ staat zelfs op de roze motor geschreven waar hij in zijn volwassen leven op rondrijdt (met achterop een altaar met teddybeer Alan Measles) en die deel uitmaakte van verschillende tentoonstellingen. Maar ware vernedering is moeilijk te verkrijgen, legt hij uit in de biografie. ‘De enige consequentie van gekleed gaan als Claire naar de Turner Prize, bijvoorbeeld, is of ik wel of niet ga blozen omdat ik denk dat ik er stom uitzie. Als ik denk dat ik er belachelijk uitzie is dat vreselijk, hoewel de schande tegelijkertijd fantastisch is – het is opwindend.’ Perry wil ook niet echt vernederd worden, net als dat hij niet echt een vrouw wil zijn – hij wil de fantasie.

Grayson Perry, We Shall Catch it on the Beaches, 2020. Keramiek, 60x36 cm © Benjamin Westoby / Courtesy the artist and Victoria Miro

Het pottenbakken werd pas zijn metier tijdens een avondcursus na zijn opleiding tot kunstenaar aan Portsmouth Poly. Vorig jaar wijdde het Holburne Museum in Engeland een tentoonstelling aan The Pre-Therapy Years, zoals zijn vroege jaren als kunstenaar door Perry zijn aangeduid. Op die potten komen subculturen uit de jaren tachtig en negentig tot leven, punk en fetisjisme, in combinatie met scènes uit zijn jeugd en uit de fantasie van zijn jeugd, de wereld die hij geschapen had voor Alan Measles.

De techniek was nog grof, de objecten in limbo tussen ambacht en kunst, en de iconografie was bepaald niet waar het grote publiek voor warm zou lopen: ‘vrouwen die geneukt worden door wolven, gehandicapte fascisten, thalidomide-meisjes, veel swastika’s, sm-ziekenhuizen’, herinnerde hij zich zelf. Maar ook motieven waar hij om gekend zou worden, symbolen van maatschappelijke klasse en sociale identiteit, zoals de motor en het landschap van Essex, en een overdaad aan decoratie, zijn al aanwezig.

Een geweldig werk bevindt zich in de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Strangely Familiar (2000) heet de hoogglanzende vaas met figuren die verwikkeld zijn in extreme seks tegen de achtergrond van een slaperig voorstadje. Het Stedelijk wijdde al in 2002 een solotentoonstelling aan Grayson Perry, een jaar voor de Turner Prize een nog onbekende kunstenaar, zeker in het buitenland. Directeur Rudi Fuchs roemde de potten om hun traditionele vormen, die Perry had losgemaakt van ‘de typische canon van de artistieke keramiek’. ‘Hij verkleedt zichzelf in verschillende gestalten en eigenlijk’, merkte Fuchs in de catalogus op, ‘zijn ook de potten verkleed.’

De tentoonstelling in Amsterdam heette Guerrilla Tactics, en in zijn biografie omschrijft Perry zijn rol als kind op zijn slaapkamer, omringd door speelgoed, als die van een guerrilla fighter: ‘Guerrillastrijders zijn underdogs die vechten tegen binnenvallende legers, overleven door hun slimheid, een stiekeme oorlog van hinderlagen en sabotage voeren om een machtigere vijand te ondermijnen, dat was wat gebeurde in mijn relatie met mijn stiefvader.’

De keramische objecten zijn een onherroepelijk deel van die strijd. De potten, borden, urnen en vazen van Perry zijn beeldschoon en hoogst verleidelijk, maar als voorwerpen totaal onverdacht: geen mens die behoed zal zijn op een vaas op een dressoir of een asbak op een salontafel. Ze zijn de stille getuigen van ons dagelijks leven, vaak pas opgemerkt op de dag dat ze kapotvallen, de ideale dragers van een subversieve boodschap.

‘In een tijd waarin we overspoeld worden door visuele indrukken heeft Perry een geheel eigen beeldtaal ontwikkeld en laat zien dat kunst geen elitaire aangelegenheid hoeft te zijn’

Het medium was onbewust een tactiek die hem de kunstwereld binnen loodste, waar hij trouwens van meet af aan op gespannen voet mee staat. Wat te denken van de vaas As Sold by Anthony d’Offay, vernoemd naar zijn galeriehouder van destijds. Alsof hij zelf niet geloofde dat hij serieus werd genomen als kunstenaar, of eigenlijk, alsof hij wilde verhullen dat dat zo was. Hij blufte zichzelf de kunstwereld in. ‘De kunstwereld is een verfijnde elite’, zei hij nog voor het winnen van de Turner Prize. ‘Om hen te laten accepteren dat ik oprecht ben, moet ik hun laten weten dat ik niet te ernstig ben. Ik zeg tegen hen: ik weet dat je dit sarcastisch kunt opvatten, maar dat is het niet – het is als een dubbele bluf.’

Grayson Perry, The Walthamstow Tapestry, 2009. Wol, katoen, acryl, trevira cs, polyester en zijde, 140 x 700 cm. Te zien in het Bonnefantenmuseum in Maastricht © Peter Cox / Bonnefanten museum

Met de Turner Prize, en een periode van intensieve therapie, raakte de angel uit zijn werk. Niet dat de kunst verslapte, maar woede en trauma waren als overduidelijke drijfveren geweken. Eenmaal erkend als belangrijk kunstenaar groeide Perry uit tot een publiek persoon, en sinds de toekenning van de Britse ridderorde in 2013 wordt hij steevast een ‘national treasure’ genoemd. Dat die erkenning hem ergens ook onschadelijk lijkt te hebben gemaakt, in de zin van ongevaarlijk, omarmd als travestiet en als pottenbakkende kunstenaar, is een ongemakkelijk aspect van een gelukkige uitkomst van zijn pijnlijke voorgeschiedenis.

De positie van buitenbeentje dat is ingelijfd in de kunst en een stem heeft in de maatschappij is voor een kunstenaar volkomen uniek. Voor Perry bleek dit bijzonder vruchtbaar: de Engelse samenleving was niet langer de verstikkende deken van burgerlijkheid waar hij onder had geleden, maar een vat vol inspiratie binnen handbereik. Thema’s waarin hij altijd al geïnteresseerd was, kon hij stuk voor stuk verder uitdiepen.

Als televisiepresentator kwam hij in 2005 voor het eerst de huiskamers van de mensen binnen, waarschijnlijk op een meubel vlak bij hun vazen en asbakken, met een documentaire over travestie en mannelijkheid. In 2012 mengde hij zich voor de serie All in the Best Possible Taste in drie verschillende sociale klassen, op zoek naar de betekenis van smaak, een van zijn grote fascinaties, en de reis in klasse die mensen aan de hand van smaak in het leven proberen te maken. ‘Een jeugd gemarineerd in de materiële cultuur van een bepaalde klasse betekent dat je doorweekt bent van smaak’, zei hij eens.

Met charme en humor lichtte hij in de serie feilloos de gedragingen en de spullen uit die een klasse tot een klasse maken. Voor de aflevering over de middenklasse bezocht hij een suburb, precies zo een als die hij op zijn vroege vazen had gehekeld en waar hij als piepjonge filmmaker al naar keek, bijvoorbeeld in de korte film Bungalow Depression (1981), eveneens in de collectie van het Stedelijk. In de televisieserie wees Perry in een interieur feilloos de pan van Le Creuset en de cafetière als kenmerkend aan, maar ook de cupcakes op een buurtfeest bleven niet onopgemerkt. ‘Ik snap waarom zij centraal stonden op het feest: ze communiceerden middenklasse-huiselijkheid onder controle. We hoefden ze niet te eten, het was gewoon duidelijk wat ze betekenden.’

Wat hij zoal aantrof in de huizen – het hertengewei, het blikje Red Bull, het docking station voor de iPod – verwerkte hij aan het einde van de serie in grote wandtapijten.

Grayson Perry, Protective Spirit Alan, 2020. Keramiek, metaal, stenen en gevonden voorwerpen, 104 x 88 x 47 cm; © Jack Hems / Courtesy the artist and Victoria Miro

Perry werd de chroniqueur van het Engelse leven. Hij bleef pottenbakken, technisch steeds beter, maar met zijn kunst vertelde hij nu vaker een groter verhaal dat alle mensenlevens raakt. Details waren nog vaak eigenaardigheden uit zijn eigen leven, en zijn persoonlijke worstelingen bleven ook leidend in zijn werk als publieke figuur – hij schreef onder meer een boek over de kunstwereld, Playing to the Gallery: Helping Contemporary Art in Its Struggle to Be Understood (2016), en een boek over mannelijkheid, The Descent of Man (2017). De theatershow A Show for Normal People, die voor 12 december in Carré gepland staat, daagt het publiek uit om na te denken over normaliteit, individualiteit en originaliteit. Maar het hoogstpersoonlijke dat zijn eerdere werk kenmerkte, was vervangen door het meer archetypische.

Het trauma was vervangen door het pijnlijke, en de woede en de scheuren, die in zijn vroege vazen soms letterlijk aanwezig waren, door verbondenheid. Dat is waar hij nu de Erasmusprijs 2021, de grote oeuvreprijs, voor krijgt uitgereikt: ‘In een tijd waarin we overspoeld worden door visuele indrukken heeft Perry een geheel eigen beeldtaal ontwikkeld en laat hij zien dat kunst van iedereen is en geen elitaire aangelegenheid hoeft te zijn. Perry ontvangt de prijs voor de manier waarop hij vraagstukken met betrekking tot schoonheid en traditionele ambachtelijkheid scherp confronteert met actuele sociale en maatschappelijke thema’s.’

De tijdgeest liet niet na steeds opnieuw inspiratie te bieden. In de onrustige jaren vóór de Brexit deed Perry een oproep aan zijn achterban om hem te voeden met kennis over de twee kampen die tegenover elkaar waren komen te staan. Hij vroeg naar hun favoriete voorwerpen, symbolen en iconen, hun favoriete kleur, naar alles eigenlijk, en hij vroeg het aan iedereen, remainers en leavers. De politieke verdeeldheid deed Perry teniet in een kunstwerk (en documentaire) waarin hij hen verenigde. Matching Pair (2017) heten de twee blauwe vazen samen, en hoewel de ene gebaseerd is op de voorkeuren van de remainers en de andere op die van de leavers verschillen ze op het oog nauwelijks van elkaar.

De vazen maakten deel uit van de reizende tentoonstelling The Most Popular Art Exhibition Ever! en van de pretentie van die titel zal niet veel gelogen zijn – ik zag zelf hoe in Bristol het publiek zich rond de vazen verdrong. Perry is altijd de draak blijven steken met de kunstwereld, waar hij zelf inmiddels de aanvoerder van is, maar dan wel van zijn eigen stroming. Populariteit blijft een vies woord in de kunst, en zo blijft Perry tegendraads.

Corona bracht het idee voor de televisieserie Grayson’s Art Club, die hij samen met zijn vrouw, psychotherapeut Philippa Perry, vorig jaar begon vanuit huis. De serie werd omschreven als een ‘joyful collective creativity’ - de highbrow kunstwereld gruwelde er vast van – vanuit het idee dat de crisis een uitgelezen moment is om creativiteit te ontdekken. Het programma had meer dan een miljoen kijkers per week en tienduizenden kunstwerken werden ingezonden, waaruit Perry een selectie maakte voor een tentoonstelling.

Het Bonnefantenmuseum in Maastricht, waar in 2016 al een overzichtstentoonstelling aan Perry was gewijd, presenteert deze winter ter gelegenheid van de Erasmusprijs een tentoonstelling met naast stukken uit de eigen collectie ook het nieuwe ‘coronawerk’. Getoond wordt onder meer een zilveren sculptuur vernoemd naar de kat van Chris Whitty, de Jaap van Dissel van Engeland: een onooglijk beestje als monument voor de huiselijkheid. Voor een andere sculptuur haalde Perry inspiratie uit Alan Measles, die zo heet omdat hij de beer kreeg toen hij de mazelen had, waarmee hij de perfecte kandidaat was voor een sculptuur om de coronacrisis mee te bezweren. Alan Measles kreeg al talloze manifestaties in zijn kunst, maar nu werd hij aangewend als talisman. Zo werd Grayson Perry naast een belangrijk kunstenaar de artistieke therapeut van een hele natie.

Grayson Perry krijgt op 16 december de Erasmusprijs 2021 uitgereikt in het Koninklijk Paleis Amsterdam. De tentoonstelling We Shall Catch It on the Beaches is te zien t/m 20 maart 2022 in het Bonnefanten in Maastricht en Icons t/m 9 januari 2022 in het Fries Museum in Leeuwarden. Grayson Perry is van 15 december t/m 3 april 2022 in het Kunstmuseum Den Haag