Stille krachten het zwart voor de ogen van de literatuur

Toni Morrison, Spelen in het donker: De blanke literaire verbeelding. Vertaling Anna Kapteijns-Bacuna, uitgeverij Bert Bakker, 95 blz., f19,90
In een interview dat The Paris Review halverwege 1993 met Toni Morrison had, vlak voordat zij de Nobelprijs kreeg, duikt het misverstand voor de zoveelste keer op. Nadat Morrison heeft gezegd dat Ernest Hemingway, Eudora Welty, Flannery O'Connor en William Faulkner een uniek stempel op hun verhalen hebben gedrukt - dank zij een eigenzinnige vorm - suggereert de interviewster dat Morrison altijd kritiek heeft geleverd op de wijze waarop deze schrijvers zwarten hebben beschreven.

Morrison reageert gestoken: ‘Nee! Ik, kritisch? Ik heb laten zien hoe blanke schrijvers zich zwarte mensen voorstellen, en sommigen zijn daar briljant in.’ Waarna zij, niet eens om te provoceren, weer Faulkner en Hemingway noemt. 'Het kan me niet schelen of Faulkner een racist was of niet.’ Haar gaat het om het hoe, niet om de ideeen maar om de vormgeving, niet om het gebruik maken van zwarte personages maar om 'het hanteren van de esthetica van zwarten als anarchie, als seksuele vrijbrief, als afwijkend gedrag’.
Toni Morrison vloekt in de kerk. Zij behoort niet tot die Amerikaanse feministen die literair blind zijn en achter elke zin en tussen alle regels door racisme of seksisme vermoeden en oproepen tot boycot en verbanning. Zo'n heksenjacht stoort zich niet aan stijl, opbouw of taalnuances maar is altijd gespitst op abjecte ideeen, waarbij het onderscheid tussen personages, verteller en schrijver niet telt. In de literatuur gaat het natuurlijk allereerst om een onderzoek naar 'de kwetsbaarheid van gedachten’, zoals Morrison het formuleert in het Paris Review-interview. Waarom denken mensen zoals ze denken, waar komen hun oordelen vandaan en wat en wie kleurt die?
Haar essaybundel Spelen in het donker (1992) is een verademing, een liberaal pleidooi voor het op een andere manier lezen van de Amerikaanse literatuur. Voor een schrijver is er niet veel verschil tussen schrijven en lezen, zegt ze. Vandaar dat ze zoveel oog heeft voor techniek en tekstopbouw, en nooit een boek zal terugbrengen tot een handvol simpele gedachten die wel eens verderfelijk zouden kunnen zijn.
De lectuur van Toni Morrison werpt een geheel ander licht op de Amerikaanse literatuur. Zij is namelijk op zoek naar de 'stille kracht’ in het werk van Poe, Melville, Twain, Hemingway, Faulkner en Willa Cather - dat wil zeggen: de min of meer stilzwijgende, zwarte aanwezigheid in hun werk. Ze leest inderdaad als een schrijver, als iemand die oog heeft voor het vermogen van auteurs om te verbeelden wat niet eigen is, 'om het vreemde vertrouwd te maken en het vertrouwde vreemd’, 'de noodzaak de ander te worden’.
Thomas Jefferson, een van de belangrijkste architecten van de Verenigde Staten, noemde zijn jonge land een 'democratisch experiment’. Morrison plaatst een kanttekening bij de vrijheidsdrang van de eerste pioniers die in hun verlangen naar een nieuwe geestelijke ruimte het oude Europa waren ontvlucht. Hun moeizaam verworven autonomie, hun bevochten macht en autoriteit kon niet zonder de onvrijheid van anderen: de Indianen en de uit Afrika geimporteerde nieuwe slaven. Het liberale gedachtengoed van de Verlichting en Ralph Waldo Emersons oproep tot 'intellectuele onafhankelijkheid’ is onmogelijk los te zien van de gedwongen, vaak onzichtbare, verzwegen aanwezigheid van zwarten in Amerika, een land dat voor een schrijver een bijzondere omgeving is omdat individuele vrijheid en rassenonderdrukking tot op de dag van vandaag hand in hand gaan. Morrison bespeurt angst voor de 'verschrikkingen van de menselijke vrijheid’, waarnaar de Amerikaan juist zo hunkert. Ze jaagt willens en wetens veel literatuurbeschouwers op de kast door te zeggen dat de slavernij een gunstige uitwerking op de Amerikaanse literaire creativiteit had.
Het is een verademing om Morrisons essayistische exercities te lezen. Haar analysen worden niet gesmoord door een verstikkend moralisme dat slechts bevestiging van het bekende nastreeft. Zij ziet de Ander (het vreemde element) als middel om de eigen identiteit te bepalen. Het afrikanisme - de verborgen aanwezigheid van de zwarte - is een metafoor, een ijkpunt dat iedereen dwingt om opnieuw de essentiele menselijke waarden te formuleren. Tegenover het zogenaamde woeste, het primitieve en het duistere stond de pas verworven beschaving, goedheid en liefde. 'Deze tegenstrijdigheden hakken zich een weg door de pagina’s van de Amerikaanse literatuur. Hoe kan het ook anders?’
In Spelen in het donker onderzoekt Morrison de romans van Willa Cather en Ernest Hemingway om tot nieuwe kennis te komen, niet om bekende vooroordelen ('Hemingway is een onverbeterlijke macho met racistische trekjes’) te bevestigen. Hoe verbeelden schrijvers de 'afrikanistische aanwezigheid’ in hun proza? In welke mate worden hun taalgebruik en verteltechnieken erdoor beinvloed? Over Hemingway schrijft ze dat haar belangstelling voor deze collega-Nobelprijswinnaar alleen maar groter wordt als ze bedenkt 'hoe ver zijn werk afstaat van Afrikaans- Amerikanen’. Hij heeft ze niet zo nodig en kan daarom veel ongekunstelder omgaan met zwarten als personages dan bij voorbeeld Edgar Allan Poe. Bovendien heeft Hemingway geen last van de negentiende- eeuwse ideologieen of de 'postmoderne gevoeligheden’.
Morrison analyseert de politieke roman To Have and Have Not (1937) op de 'afrikanistische aanwezigheid’ en komt, dank zij haar gevoeligheid voor de opmerkelijke perspectiefwisselingen in de roman, tot heel andere conclusies dan de kortzichtige Amerikaanse literatuursociologen, die romans maar al te vaak reduceren tot een handvol bedenkelijke uitspraken en al steigeren als ze het woord 'nikker’ tegenkomen. Morrison volgt niet zozeer het verhaal van de visexpeditie maar de vertelbewegingen, en constateert een wereld van verschil tussen het eerste deel, dat vanuit de blanke hoofdpersoon Harry Morgan in de ik-vorm wordt verteld, en het tweede deel, waarin Hemingway de hij-vorm hanteert. In dat deel verschuift het beeld van de zwarte aanwezigheid, in de persoon van zeeman Wesley, drastisch: 'Tegelijkertijd blijft hij een naamloos stereotype en krijgt hij een naam en een persoonlijkheid.’
In de kern zoekt Morrison naar de 'logica van de discriminatie in het verhaal’ en de implicaties daarvan voor de vorm. Die logica dwingt de verteller om de zwarte hoe dan ook het zwijgen op te leggen en na te denken over hoe hij Wesley benadert: als nikker, neger of Wesley. Dat dit alles van grote invloed is op het beeld dat de lezer krijgt van de hoofdpersoon Harry Morgan, laat Morrison in de woordkeus en technieken van concrete passages zien. Hopelijk is haar waarschuwing verteller en schrijver niet met elkaar te verwarren niet tegen dovemansoren gericht. Het is niet Hemingway die een seksuele ervaring met een zwarte vrouw na de vraag 'hoe voelt dat?’ omschrijft met de uitdrukking 'als zuster haai’, maar zijn hoofdpersonage Harry Morgan. Van een schrijver kan nooit worden geeist rekenschap af te leggen van wat zijn personages doen en laten. 'En er is voor mij geen overtuigend bewijs dat Hemingway Harry’s inzichten deelde. Eigenlijk zijn er sterke aanwijzingen voor het tegendeel.’ Waarmee Toni Morrison andermaal de knuppel in het feministische hoenderhok gooit.
Dank zij haar analyse is To Have and Have Not een andere roman voor mij geworden, een boek dat ik meteen wil herlezen. Hemingway, 'die zo boeiend schreef over wat het betekende een blanke man te zijn in Amerika’, kon niet anders schrijven zoals hij schreef, stelt Morrison vast. Het afrikanisme is uit zijn boeken niet weg te denken.
Dit dubbelzinnige slotakkoord van Spelen in het donker zal ongetwijfeld hard zijn aangekomen in tal van Amerikaanse collegezalen waar literatuurhaters, fatsoensrakkers en politiek correct denkende racisme- watchers helaas de dienst uitmaken: 'Maar het zou zonde zijn als de literatuurbeschouwing die teksten vernist, en de complexiteit en kracht en glans ervan onder de gladde, spiegelende oppervlakte vastlegt. Wij allen, lezers en schrijvers, worden de dupe als de literatuurbeschouwing te beleefd of te angstig blind blijft voor het ontwrichtende zwart voor de ogen.’
Het afrikanisme biedt speelruimte in de Amerikaanse literatuur en vormt een fundamentele narratieve techniek om personages te bepalen. Dat is de stelling die Spelen in het donker prikkelend en overtuigend bewijst. Met vasthoudendheid en een open blik zoekt Morrison naar de manier waarop de 'stille krachten’ in de Amerikaanse literatuur kritieke momenten van inzicht, verandering of accentverschuivingen veroorzaken.
Dat ze en passant veel onthult over hoe ze zelf, als schrijfster, te werk gaat, maakt van Spelen in het donker een bijzondere bundel essays, die niet toevallig begint met een voorwoord waarin de jazzimprovisatie een prominente plaats krijgt toebedeeld. Het is een verwijzing naar Morrisons recentste roman Jazz (1992), waarin het chaotische, moorddadige leefritme van de wereldstad wordt weerspiegeld in een muzikale taal die de lezer meesleept naar gebieden die hij misschien nog nooit heeft betreden, onder begeleiding van een voyeuristische en onbetrouwbare vertelster die zich zo inleeft in het bruisende Harlem van de jaren twintig dat zij die stad in de grote stad wordt.