Interview Oud-Kamerlid Marinus van der Goes van Naters (bijna honderd)

Stille revolutie

Hij heeft Troelstra gekend en dweept nog altijd met het socialistisch
erfgoed. Oud-Kamerlid Marinus van der Goes van Naters (bijna honderd): «Ik geloof in Koks oprechtheid, maar boeiend is-ie niet!»

Als we de klopper op de deur laten vallen, horen we, ver weg, een krachtige stem die te kennen geeft dat we binnen kunnen komen. Dan komt Marinus van der Goes achter zijn rollator de keuken in. Na zijn dood, had hij altijd gedacht, zou zijn zoon hier komen wonen. Hier in de villa die in alles nog de sfeer van de jaren dertig ademt. Van der Goes junior vertrok na zijn pensionering echter naar Zuid-Frankrijk, zodat vader nu maar zelf bezig is met het onderbrengen van de boeken, de schilderijen en het familiearchief. «Ja, ik moet het allemaal zelf opknappen voordat ik uitstap. Verdomd vervelend.»

En dat in zijn honderdste levensjaar.
Maar ernstige sporen van aftakeling vertoont hij niet. Jonkheer Mr. M. van der Goes van Naters, las in de Eerste Wereldoorlog al De Groene, sociaal-democratisch Tweede Kamerlid van 1937 tot 1967, «gijzelaar» in Buchenwald en Sint-Michielsgestel, fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid tussen 1945 en 1951, lid van de Raad van Europa van 1948 tot 1967: «Zo'n bibliotheek doe je pas weg als je dood bent.» En de schilderijen met oude Van der Goesen blijven ook nog wel even hangen. Want: «Ik ga niet in een onttakeld huis zitten, daar voel ik geen donder voor. Ze moeten dus nog een paar maanden wachten voordat ze die spullen krijgen. Een paar maanden en dan komt mijn tijd, neem ik aan. De gemiddelde leeftijd ben ik allang te boven.»
Want honderd worden, dat wil hij niet. Maar dat zei hij in een interview in 1994 al. «Zei ik dat zes jaar geleden al? Ik meen dat nog steeds, maar ik zie het er nu toch van komen. Idioot gewoon. Nee, dat wil ik niet. Komt er een of andere stomme kerel, een burgemeester, die je dan geluk komt wensen. De mooiste dag van het leven, zegt dan het vrouwtje tegen het mannetje. Niks daarvan. Ze kunnen me gezien zijn. Bij mijn begrafenis komt ook geen gesodemieter. Alleen mijn vriendin komt, verder niemand.»


Het persoonlijk archief is al bij het Algemeen Rijksarchief ondergebracht. De familieschilderijen, de oudste dateren uit de vijftiende eeuw, («79 zijn het er geloof ik, maar merendeels onbeduidende lieden, vaatwerk!») gaan dit jaar naar museum Het Prinsenhof in Delft. Maar de boeken staan er dus nog. Veel boeken in de donkere villa in Wassenaar. Meest politiek en economisch. Hij leest ze nog. «Het gaat moeilijk, maar ik doe het. Meestal in het Frans, een paar zinnen en dan moet ik rusten. Maar ik zet door, anders ga ik dood. Ik probeer zoveel mogelijk te lezen, in de krant kom ik heel ver met de koppen.»
Hij leest dagelijks NRC Handelsblad. En volgt de Haagse politiek «voor zover mij dat interesseert». Want «het interesseveld wordt steeds kleiner, geloof ik». Wat hem dan interesseert? Die Derde Woensdag in Mei bijvoorbeeld, misschien wel de kroon op zijn eigen werk: een moderne, eenstemmige regeringscontrole door een eensgezinde Tweede Kamer, het ideaal. Dat is vooruitgang in het landsbestuur. Daar kan het lokaal bestuur nog wat van leren. De montere oud-politicus verheft zijn stem, overdreven geaffecteerd: «Gemeentes, die zouden helemaal niet meer moeten bestaan. Dat is toch volkomen uit de tijd, gemeentelijke autonomie? Dan heeft een aantal klungels binnen die kleine rotgemeenten de macht, dan stemmen ze weer, komt er een nieuwe gemeenteraad en doen ze alles weer allemaal andersom. Ze zijn belazerd, ik vind het een incompetente bende!»
Op de verweerde salontafel in de tuinkamer ligt een stapeltje boeken en tijdschriften. Onder zijn lievelingsboek, Stendhals La chartreuse de Parme, liggen enkele nummers van Socialisme & Democratie, het blad van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk instituut van de Partij van de Arbeid, dat vernoemd werd naar Van der Goes’ «boezemvriend» H.B. Wiardi Beckman, die in 1930 nog paranimf was bij Goes’ promotie, maar in de Tweede Wereldoorlog omkwam. «Of ik dat blad nog lees? Moet ik op die moeilijke vraag antwoorden? Verdomme nog aan toe.»
In de brochure Het socialisme van nu uit 1945 poogde de net als fractievoorzitter
aangetreden Van der Goes van Naters het socialisme te herdefiniëren. «Zooals een muntstuk slijt ook een begrip door het vele gebruik af. Dit is het lot geworden van het begrip socialisme», schreef hij. «Het eens glanzende muntstuk is dof geworden. Dan zijn er maar twee mogelijkheden: de zaak verder laten afslijten en dan inwisselen voor een nieuw begrip - of haar opwerken en oppoetsen, zoodat zij in nieuwe frischheid glanst.»
Van der Goes van Naters: «Ja! Dat citaat herken ik. Gestolen van een grote Italiaan, van Giacomo Matteotti, vermoord door de fascisten. Hij heeft het beeld gebruikt van de vrijheid die er is en waarvan je moet zorgen dat je die niet als afgesleten gaat beschouwen. Bij mij houdt het verband met de overgang van de SDAP naar de PvdA. Ik hoopte dat die ook een theoretische vernieuwing zou brengen, maar dat is niet het geval geweest. De PvdA leek toch verdacht veel op de SDAP.»
Op dit moment lijkt door al het oppoetsen het socialistisch muntstuk wel helemaal versleten. Moet het nu waarachtig niet eens ingewisseld worden voor een nieuw begrip? Of moeten we er maar gewoon mee stoppen? En, wat vindt de denker Van der Goes van Naters van het huidige theoretisch niveau van de sociaal-democratie?
«De belangstelling voor de theoretische kant der dingen is überhaupt enorm gedaald, wat ik met u betreur. Maar ja, je kunt niet een wereld die je leuk vindt even stil houden en zeggen: hier blijven we, dit is leuk. Het gaat toch maar door, en dikwijls op een andere manier dan je zelf denkt en dan je zelf wilt. Aan de ene kant kun je zeggen dat het socialisme zich van een goed deel van de publieke opinie heeft meester gemaakt. Dat vind ik een goed ding en daardoor valt het minder op. Bijna
iedereen is tegenwoordig door het ocialisme aangeraakt waardoor het minder scherp geformeerd is.
Aan de andere kant zie je dat de belangstelling voor grote hervormingen veel geringer is. Men heeft nu meer belangstelling voor dingen als de computer. En ja, die heeft van zichzelf al een revolutionaire uitwerking gehad. Je wordt naar een andere kant getrokken en als je je daartegen verzet, ben je eigenlijk een reactionair. En dat kun je toch ook niet maken? Ik weet persoonlijk geen sodemieter af van computers, maar ik heb begrepen dat de mensen er fundamenteel anders door gaan denken dan wij gedaan hebben. Moet je dat dan afkeuren, omdat het anders is dan je zelf gekend hebt en omdat je er geen reet van begrijpt? Nee! Er is niets afkeurenswaardigs aan, alleen vind ik het jammer dat ik het niet begrijp. Ik voel me helemaal niet teleurgesteld, na honderd jaar in dit leven. Iemand als ik zou toch teleurgesteld moeten heengaan? Waarom doe ik dat eigenlijk niet? Omdat ik toch wel een soort evolutie zie, waar ook nieuwe mogelijkheden als internet en de computer bijhoren.»


Hij was bijna achttien toen Troelstra zijn roemruchte «revolutiepoging» ondernam. Van der Goes en Wiardi Beckman dweepten met de Friese agitator. «En dat doe ik in zekere zin nog», zegt Van der Goes. «Het was geen gemakkelijke man maar hij heeft het eigenlijk altijd bij het rechte eind gehad. In november 1918 heeft men hem te kwader trouw gewoon niet willen begrijpen. Hij heeft slechts gezegd dat een bovennationale revolutie gaande was, een die niet zou stilhouden bij Zevenaar.» Fel en verontwaardigd: «Misselijke en vuile huicheltroep, om hem dat kwalijk te nemen. Absoluut minderwaardig om te beweren dat Troelstra dreigde met het rode spook. Zelfs de nrc schreef in die dagen dat de polsslag van de tijd sneller was geworden en dat na de Eerste Wereldoorlog alles beter moest op sociaal terrein. Iets anders heeft Troelstra niet gezegd. Er zijn gewoon dingen die ineens internationaal, of supranationaal worden. Na de Tweede Wereldoorlog, waarin ik vier jaar heb vastgezeten, dacht ik ook dat er onmiddellijk een reactie zou komen. Dit nooit meer natuurlijk, maar ook: grotere rechtvaardigheid voor onderdrukten en slechtbedeelden. Maar dit ging veel geleidelijker dan na de Eerste Wereldoorlog. Ik heb dat nooit begrepen.»
Zoals hij sowieso verwacht had dat er meer zou veranderen na 1945. Ook in de politiek. «Dat viel tegen. Maar we moeten billijk zijn en ik kan dat op mijn leeftijd: als je een streepje trekt van 1945 en dat doortrekt tot 2000, dan zie je dat er toch bijna een stille revolutie heeft plaatsgegrepen. Als je alleen maar denkt aan de positie van de vrouw bijvoorbeeld. Die was helemaal mis. En de positie van de vakbeweging als machtsfactor, meestal ten goede werkende - dat is allemaal in die vijftig jaar gekomen. Ik zie dat als een langdurig werkende revolutie, die je misschien maar beter evolutie kunt noemen. Soit.»
De SDAP werd na de oorlog de Partij van de Arbeid. Een heel slechte naam, vond Van der Goes toen al. «Er is toch geen mens tegenwoordig die zich met graagte en trots arbeider noemt? Of het is een aansteller ntuurlijk, maar aanstellers heb je altijd gehad.»
En dan ineens: «Godverdomme - sorry, neem me niet kwalijk - maar ik heb hier drie glazen en een Martini neergezet. Helemaal vergeten. Dat mag toch wel aan het einde van de dag? Je moet wel even vloeken om ’m open te maken, denk ik. Gelukkig dat ik er op tijd aan denk. Ik drink ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds Martini. Hi hi. Op jullie gezondheid en op De Groene Amsterdammer.»

Een eerdere afspraak met de bijna-honderdjarige kon niet doorgaan: oud-PvdA-voorzitter Felix Rottenberg kwam langs om even bij te praten. Dat gebeurt wel vaker. Ze praten dan over de partij, over de politiek. Volgt Van der Goes de ontwikkelingen in de PvdA nog goed? Hij lacht: «Ontwikkelingen? Zijn die er dan?»
In elk geval is de PvdA al weer enige jaren de grootste partij. («Maar de paarse coalitie, daar heb ik nooit om gejuicht.») Na Willem Drees, een naam die in het bijzijn van Van der Goes maar beter niet kan vallen, is Wim Kok de eerste PvdA-premier die het weer wat jaren uithoudt. Nu al zes jaar.
«Je moet Kok ook niet onderschatten. Drees was erger. Véél erger. Het hele Nederlandse volk is stabiel en Kok is stabiel. Dat werkt vervelend en Kok ís vervelend. Maar uitermate betrouwbaar en eigenlijk ook geen slechte socialist. Hij wil een verbreding van de kracht en de invloed en het aanzien van de minderbedeelden, waarin hij zeer oprecht is. Ik geloof in zijn oprechtheid, maar boeiend is-ie niet! Het land draait door, maar wel in Hollands tempo. Ergens zit nog iets evolutionairs. Een aftakelende boel is het tenminste niet.»
En er gebeurt ook nog wel eens wat nieuws. Hij noemde de Derde Woensdag in Mei al, het vorige week in de Tweede Kamer gepresenteerde novum dat voor Van der Goes duidelijk aansluit bij door hem zelf geïntroduceerde parlementaire vernieuwingen. Hij was het die na de oorlog bijvoorbeeld het voorstel indiende voor een onderzoek naar het beleid van de Nederlandse regering in ballingschap. «Meer voor de methode die daar achter zat, dan om de inhoud van de enquête», zegt hij nu. En het was ook Van der Goes die pleitte voor de indeling van de Kamer in meerdere vaste commissies, naast de al langer bestaande commissie Buitenland. Van der Goes: «Het ging om de taak van het parlement zoals ik die zie: één groot samenhangend lichaam. Net als de Raad van State zou de Tweede Kamer als geheel volgens mij de regering moeten controleren. Dan mogen de meningen best een klein beetje uiteenlopen maar de Kamer treedt als geheel op, als orgaan van de Staat. Ik heb innig genoegen als ik eens lees dat ergens kamerbreed hetzelfde over gedacht wordt. Dat is bij de Raad van State doodgewoon. Dat idee van die commissies heb ik, zoals veel van mijn ideeën, uit Frankrijk. Toen daar het ene gekke kabinet het andere opvolgde en je soms wel twaalf kabinetten in één jaar kreeg, was er één stabiliserende factor van grote deskundigheid: de vaste kamercommissies, die werkten tenminste kalm door. Voor mijn gevoel is de Derde Woensdag in Mei een soort kroon op dit denken.»


De telefoon gaat. Een bejaarde vrouw meldt bij haar vader dat ze er even voor wat dagen tussenuit gaat. Van der Goes wenst haar een goede reis en kapt het gesprek haastig af. «Dat gedonder altijd: de kinderen gaan op vakantie. Waar waren we gebleven? »
Bij het fractievoorzitterschap tussen 1945 en 1951. De tevredenheid over het enqu êtevoorstel. Zijn er ook zaken waar Van der Goes minder positief op terugkijkt? Dingen waar hij spijt van heeft? «Vervelende dingen moffel je makkelijker weg», zegt hij. «Zo is het met mij ook gesteld.»
Indonesië misschien?
«Van die eerste politionele actie heb ik spijt. Drees, toen vice-premier en minister van Sociale Zaken, slikte alles. Voor buitenlandse dingen heeft hij nooit enig gevoel gehad. Hij kende zijn talen goed hoor, Drees, maar hij begreep werkelijk niets van die internationale verhoudingen. Er had bij die politionele actie nooit geschoten mogen worden. Als ik dat toen echter had laten blijken, zou dat een kabinetscrisis betekend hebben. En mijn fractie wou dat niet. Waarom niet? Omdat dat Drees zou treffen. Als je nu terugkijkt, dan zie je dat die hele actie plaatshad een maand of zes weken nadat de noodwet-Drees voor de ouden van dagen was aangenomen. En dat kon natuurlijk helemaal niet! Dat je Drees, die opkwam voor die oudjes met van die beverige handjes, te kakken zou zetten. Geen sprake van, dat kreeg je niet voor mekaar. Dat verband tussen die noodwet en die eerste politionele
actie heeft niemand willen leggen, maar ik heb het gevonden. Dat kon je niet maken: je zou Drees weggooien. We durfden dat als fractie niet aan omdat de hele partij in opstand zou komen. Maar nu, naderhand, voelt dat een beetje als een nederlaag.»

Hij zegt het schaterlachend en schenkt zich nog een glas Martini in. «Hebben jullie nog veel?» vraagt hij na een bijna twee uur durende, ononderbroken spraakwaterval. «Want god, in je honderdste jaar word je wel eens een keer moe h è.» We vragen naar het stukje dat hij voor De Groene Amsterdammer wilde schrijven. Over zijn held, Ferdinand Lassalle, aan wie hij al in 1932 de brochure Ferdinand Lassalle en zijn program had gewijd. Lassalle had veel beter dan Marx begrepen dat de staat veel voor de arbeider kon doen, dat het een positieve kracht kon zijn. «De marxisten zeiden altijd: de staat is gemaakt door de kapitalisten. Ja, maar alles was gemaakt door de kapitalisten, het voer dat ze vraten en de bedden waarin ze sliepen was ook gemaakt door de kapitalisten, de staat dus ook. Kom nou.» Zijn proefschrift uit 1930, Het staatsbeeld der sociaal-democratie, gaat voor een belangrijk deel over Lassalle. Het hoofdstuk over Troelstra werd grotendeels opgenomen in het, door Wiardi Beckman geredigeerde, vierde deel van Troelstra’s Gedenkschriften.
Nee, daarna zijn er niet veel ideeën meer uit de sociaal-democratie voortgekomen. Gevraagd naar belangrijke, actuele socialistische denkers komt Marinus van der Goes van Naters niet veel verder dan Jan Tinbergen. «Maar ja, die is ook al weer dood. Allemaal om me heen gaan ze dood! Verdomme. Ik vind dat heel hinderlijk.»