Kunst gabriele münter

Stilleven in de tram

Bestaat het, een kunstenaar die meer dan tweeduizend schilderijen maakte, die behoorde tot de Blaue Reiter-kunstenaars, met een naam die weinigen iets zegt?

Gabriele Münter, Dame im Sessel schreibend (Stenographie. Schweizerin in Pyjama), 1929 © Städtische Galerie im Lenbachhaus und Kunstbau / Gabriele Münter- und Johannes Eichner-Stiftung, München / VG Bild-Kunst, Bonn 2018

Lang was Gabriele Münter (1877-1962) in de kunstgeschiedenisboeken, als ze daar al in stond, vooral de geliefde van Wassily Kandinsky. Nu wordt haar werk in een rondreizende tentoonstelling gepresenteerd als dat van een zelfstandige kunstenaar die meer was dan een na-apende minnares.

‘Tot de zeldzame scheppende kunstenaars is in het huidige Duitsland Gabriele Münter te noemen’, schreef Kandinsky in 1916. Hij roemde haar precieze, discrete, zachte manier van tekenen, haar heel eigen kleurgebruik, ‘die durch ihre tiefen Töne mit der Zeichnung einen ruhigen Akord bildet’, en ondanks gelijkenissen met bijvoorbeeld oude Duitse glasschilderkunst trouw aan zichzelf was gebleven.

Kandinsky was op dat moment bijna vijftig, stond bekend als de initiator van de Blaue Reiter-groep uit München en zijn werk was in 1913 bij de geruchtmakende Armory Show in New York te zien geweest. De elf jaar jongere Münter had trots kunnen zijn op zoveel lof en steun, maar waarschijnlijk was ze zelf degene die ervoor zorgde dat de tekst niet werd afgedrukt. Er zat nogal wat frustratie tussen die twee: de lofzang was een afscheid.

Kandinsky was in 1866 in Rusland geboren, afgestudeerd econoom en jong getrouwd met zijn nichtje Anna. Toen hij in 1891 een schilderij van Monet zag, besloot hij naar eigen zeggen kunstenaar te worden. Hij ging met zijn vrouw naar München en volgde schilderlessen bij een privéschool. Daar maakte hij kennis met Alexej von Jawlensky en Marianne von Werefkin, een Russisch stel dat eerder les had gehad van de ‘Russische Rembrandt’ Ilja Repin. Kort daarna ging hij zelf lesgeven.

Na Parijs was München op dat moment de grootste kunststad. Er waren meerdere academies, veel galeries en regelmatig grote tentoonstellingen. Daarbij kwam de idyllische omgeving die geduldig model stond voor de kunstenaars. Ook Gabriele Münter kwam er op af. Ze was in 1877 geboren in Berlijn als jongste dochter in een tandartsengezin en werd op haar twintigste wees. Ze onderbrak haar privétekenles in Düsseldorf – staatskunstacademies waren nog niet toegankelijk voor vrouwen – voor een reis met haar oudere zus naar familie in de Verenigde Staten. Van een familielid kreeg ze een fotocamera, een Kodak Bull’s Eye, en tijdens de reis maakte ze meer dan vierhonderd foto’s.

Met die foto’s opent de tentoonstelling in Museum Ludwig in Keulen. Het zijn uitvergrote snapshots van rond het jaar 1900, een zoektocht naar interessante perspectieven, niet direct gemaakt met artistieke intentie. Ze tonen veel plezier, bij zelf bedachte toneelopvoeringen bijvoorbeeld, en verwondering over de uitgestrekte prairies in Texas en jonge zwarte vrouwen in hun sneeuwwitte zondagse kleding. De meeste figuren die ze fotografeerde, soms duidelijk poserend, zijn vrouwen, iets dat Münter haar leven lang zou volhouden.

Kandinsky schreef haar: ‘Een hopeloze leerling – ik kan je niets meer leren’

Terug in Duitsland schreef ze zich in bij de Münchner Kunstlerinnenverein, een nieuwe zijtak van de officiële (mannen)kunstacademie waar vrouwen leerden portrettekenen en landschapsschilderen. Daarnaast ging ze naar de opera, volgde discussieavonden over de nieuwe vrijheden van vrouwen, over ‘liefde, huwelijk, sport, en een natuurlijke, niet bewegingsbeperkende mode’.

Malweiber’ werden ze genoemd, schilderwijven, vrouwen die zo nodig ook iets artistieks moesten doen. Ook Münter zou later door haar buren in Beieren zo worden genoemd, maar vanaf het begin deed ze haar uiterste best te laten zien dat ze meer kon dan decoratieve landschapjes schilderen, ze was ambitieus en wilde een goede opleiding. Kandinsky was de eerste leraar die haar talent erkende. ‘Een hopeloze leerling – ik kan je niets meer leren’, schreef hij haar.

Ze werden geliefden, heimelijk, omdat Kandinsky getrouwd was, ze reisden veel. In 1904 noemde hij haar al ‘Ella, mijn vrouw’ en beloofde haar zo snel mogelijk te trouwen. Ze voeren over de Rijn naar Nederland, bezochten Rotterdam en Den Haag, Haarlem en vanaf daar gingen ze met de fiets naar Amsterdam. In Keulen hangen twee kleine olieverfschilderijtjes die Münter daar maakte, want overal gingen de schilderspullen mee. Later ging het paar naar Tunis, terug via Italië, om in Duitsland weer in aparte huizen terug te keren – Kandinsky was wel uitgetrokken bij zijn eigen vrouw, maar nog niet officieel gescheiden.

In de tentoonstelling hangen Münters schilderijen expliciet niet chronologisch om de gebruikelijke nadruk op haar eerste werk, dat ze maakte met Kandinsky en later de Blaue Reiter, te ontkomen. Dat heeft soms iets geforceerds, tegelijk wisselde Münter zelf zo vaak van stijl en benadering dat de ordening naar thema wel de meeste rust geeft. Het is verleidelijk vergelijkingen te maken tussen haar werk en de landschappen van Manet, de verstilde vrouwen en het kleurgebruik van Edward Hopper, en met Kandinsky’s vriend Jawlensky (die vanaf komend weekend een tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum heeft, waar wél werk van anderen te zien is, onder meer vijf schilderijen van Münter).

De landschappen mogen soms wat braafjes zijn, ze waren op een oeuvre van tweeduizend werken misschien vooral vingeroefeningen. Wonderlijk zijn de kindertekeningen die Münter verzamelde en in olieverf naschilderde, op zoek naar het primitieve. Verbluffend zijn vooral de werken waarin Münter à la Edward Hopper of Jan Steen genrescènes schildert. Portretten in een woonkamer, soms ook elders. Scènes die getuigen van een scherpe blik, gewaagde composities, duidelijke keuzes qua kleur en vorm. Veel grote schilderijen in doordachte kleuren en donkere, uitgesproken omtreklijnen.

De onderwerpen zijn zo alledaags dat je je bij elk schilderij afvraagt waarom dat niet eerder is vastgelegd: Toehoorsters: vier vrouwen die wat verveeld op een bank zitten, Stillleben in der Trambahn (Nach dem Einkauf): een close-up van een stapel pakjes, een handtas en een geranium tegen buik en borst geklemd, of Sinnende, een vrouw in gedachten verzonken. En, spectaculair in alle eenvoud: Dame im Sessel, schreibend, een schrijvende vrouw.

Ze volgde geen vaste methodes, de drijfveer was een ‘unbeschwerter Augenlust’

Hoewel de tentoonstelling het werk thematisch benadert, is het moeilijk het levensverhaal van Gabriele Münter te negeren, zo is het met haar werk en bekendheid verbonden. Met Jawlensky en zijn vrouw Marianne von Werefkin onderhielden Kandinsky en Münter een bijzondere vriendschap. Werefkin had Jawlensky leren kennen bij haar leermeester Ilja Repin, zij kwam uit een familie van adellijke militairen, hij was afkomstig uit een armer en eenvoudiger milieu, zij nam hem onder haar hoede. Ze trokken samen naar München. Zij gaf het schilderen op om hem te kunnen steunen in zijn ontwikkeling, ze organiseerde salons en exposities bij hen thuis.

Het was in 1908, tijdens een eerste gezamenlijk verblijf in Murnau am Staffelsee, zo’n zeventig kilometer buiten München, dat Münter naar eigen zeggen een grote sprong vooruit maakte. Alle vier waren aan het werk, ook Werefkin had de penselen weer opgepakt. Kandinsky noemde deze weken ‘heroïsch’, was onder de indruk van Werefkin, die met hem theosofische interesses deelde. Münter vond de opmerkingen van Jawlensky over haar werk motiverend en noemde hem een ‘aardige collega’.

In de jaren daarna zou Münter van eigen geld een woning in Murnau kopen, Kandinsky bleef beloven de scheiding te regelen. Ze schreef in 1909 de oprichtingsoorkonde van de Neue Künstlervereinigung München, omdat de schilderijen van Münter en haar vrienden als te revolutionair werden gezien. Het publiek reageerde geschokt op de kleuren en vormen op de eerste tentoonstelling, die een grote tournee maakte door Duitsland. Twee jaar later was er al onenigheid binnen de vereniging en werd door de vrienden besloten tot een nieuwe expositie en publicatie, met kunstkritiek geschreven door kunstenaars uit alle disciplines – Arnold Schönberg kreeg ook een uitnodiging. De ‘Blaue Reiter’ was de naam van die publicatie, nooit was het een vereniging met vaste leden.

Met de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog kwam ook een einde aan de vriendengroep en tentoonstellingen. Kandinsky moest als Russisch staatsburger Duitsland binnen 48 uur verlaten en trok, net als Jawlensky en Werefkin, naar Zwitserland, Münter reisde mee. Kandinsky had inmiddels internationale bekendheid met zijn teksten en schilderijen, was gescheiden van zijn vrouw, had tussendoor getreuzeld met het regelen van het huwelijk met Münter. En toen vertrok hij naar Rusland, alleen, en het paar zou elkaar in juli 1915 weer ontmoeten in Zweden.

Tenminste, dat was de afspraak, vol goede moed reisde Ellla naar Stockholm. Daar kreeg ze lange brieven uit Rusland waarin ‘Wassi’ uitlegde dat het alleen-zijn hem beter beviel, en het zijn werk goed deed, en dat hij later zou komen, ja, met de huwelijkspapieren. Toen hij uiteindelijk in december in Stockholm aankwam, met nieuwe uitvluchten, was het tot Münter doorgedrongen dat ze nooit zouden trouwen, en kon ze de lof over haar werk uit zijn mond niet aanhoren.

Kandinsky trouwde in 1917 in Rusland met een 21-jarige Russin, iets wat Münter jaren later te horen kreeg. Ze woonde toen weer in Murnau en raakte verwikkeld in een lange juridische strijd met Kandinsky over het eigendom van het huis aan het meer, waar ook veel van Kandinsky’s vroege werk was opgeslagen. Om zich financieel staande te houden maakte ze portretten in opdracht. Als nieuwe levensgezel vond ze een filosoof, Johannes Eichner, die haar werk interessant maar iets te extreem vond. Ze schreef zich in bij de Reichskammer der bildenden Künste, in 1933 kreeg ze een reizende tentoonstelling die door heel Duitsland te zien was. Eichner, die haar pr deed, wist haar werk zo uit te leggen dat het de NS-ideologen beviel, maar veel verkopen deed ze toch niet.

In 1949 was de eerste tentoonstelling over de Blaue Reiter na de Tweede Wereldoorlog. Kandinsky was in 1944 overleden, Münter werd uitgenodigd voor de opening, maar meer als tijdgenoot dan als kunstenaar. Ze schonk de stad München negentig schilderijen van Kandinsky die dankzij haar de oorlog hadden overleefd. Pas in de laatste jaren van haar leven zou ze als kunstenaar worden opgenomen in Blaue Reiter-tentoonstellingen, in 1992 was de tijd weer rijp voor een eerste grote overzichtstentoonstelling van eigen werk. Over de ideeën achter haar kunst had Münter een passende toelichting: ze volgde geen vaste methodes, belangrijkste drijfveer was een ‘unbeschwerter Augenlust’. Die lust is, zo blijkt in Keulen, vijftig jaar na haar dood nog te voelen.


Gabriele Münter: Malen ohne Umschweife is tot 15 januari 2019 te zien in Museum Ludwig in Keulen; museum-ludwig.de.

Vanaf 29 september t/m 27 januari in het Gemeentemuseum in Den Haag de tentoonstelling Alexej von Jawlensky: Expressionisme en devotie.